aaltje / alida de jong

alidadejongAaltje de Jong wordt geboren in Amsterdam in de kelderwoning van Weesperstraat 80 op 18 december 1885 als dochter van Levie de Jong, diamantbewerker/melkslijter en Sara Serlui. Ze had nog 3 broers en 1 zuster en was het middelste kind in het gezin. Het gezin was een Asjkenazisch arbeidersgezin maar er was er geen socialistische inslag in het gezin, sterker, vader was tegen het socialisme gekant.

Aaltje was op de lagere school een goede en ijverige leerling maar zij kon niet naar de geadviseerde vervolgopleiding en onderwijzeres worden, omdat hiervoor geen geld was. Op haar 13e jaar moest ze gaan mee verdienen. Ze vond een betrekking in de textielindustrie en klom op tot een volleerd kostuumnaaister. Ze merkte hoe de sociale omstandigheden waren en langzamerhand kreeg ze steeds meer socialistische opvattingen, zeker ook door de invloed van haar oudere broer Samuel.
In december 1904 deed een van haar collega’s aangifte bij de Arbeidsinspectie vanwege het excessieve overwerk waartoe zij werd gedwongen en deze collega werd ontslagen. Zij en haar collega’s kozen partij voor deze vrouw en ze werd lid van de Naaistersvereeniging “Allen Eén”; hiermee werd ze ook lid van de Bond in de Kleedingindustrie.
Al snel werd ze gekozen tot tweede voorzitter van Allen Een en in 1906 vertegenwoordigde ze de naaistersvereeniging binnen de Bond en werd daar tweede secretaresse.
Alida bleek een goede vakbondsbestuurder te zijn en bemiddelde in arbeidsconflicten. In 1912 werd bezoldigd penningmeesteresse van de Bond, welke functie in 1914 werd omgezet in een fulltime baan.
In die tijd woonde ze nog steeds thuis, nu op de Nieuwe Kerkstraat waar de familie sinds 1908 woonde. Haar vader was inmiddels geen diamantwerker meer maar was een melkslijterij begonnen. In deze periode pakte Alida verschillende studies op en haar aanzien werd steeds hoger. Zo nam ze van 1920 tot 1928 als vierde lid van de Bond deel uit van het dagelijks hoofdbestuur.

Alida had een autoritaire stijl van leidinggeven, wat niet bij iedereen in de smaak viel. Maar door haar optreden hield ze wel stand in een door mannen gedomineerde wereld. Van 1927 – 1929 was Alida districtsbestuurder van de afdeling Amsterdam van de SDAP en van 29 september 1931 tot 9 mei 1933 bezette zij in de Tweede Kamer een tussentijds vrijgekomen zetel. Ze was de derde SDAP vrouw in de Kamer, maar de eerste van eenvoudige komaf.
Op 8 juni 1937 kwam ze rechtstreeks in de Tweede Kamer. Ze maakte zich daar sterk voor verschillende sociale thema’s.
Nu ze economisch in een betere positie gekomen was kocht ze een huis in Amsterdam Zuid op de Marathonweg 39-1 en haar broer Jaap (Mozes) (Amsterdam, 27 december 1887) en zus Nanette (Amsterdam, 21 februari 1884 – Sobibor, 9 juli 1943) trokken na de dood van hun ouders bij haar in. Nanette kon uitstekend koken en nam de rol van kok op zich.
Bij het uitbreken van de oorlog weigerde Alida te vluchten. Haar neef Loe de Jong bood een overtocht naar Engeland aan, maar Alida liet weten: “Ik laat mijn naaistertjes niet in de steek”.
Haar broer Jaap overleed op 26 mei 1941 aan een hartkwaal en Alida verloor tal van haar functies vanwege haar Joodse afkomst. De Joodse afkomst speelde geen enkele rol meer in haar leven, maar speelde dat wel bij haar dood. Aaltje werd in Amsterdam opgepakt tijdens de razzia van 20 juni 1943 (samen met haar zus) en op transport naar Westerbork gesteld. Daar vertrok zij op transport op 6 juli en werd op 9 juli vermoord in Sobibor.

bron:
www.inghist.nl,
joodsmonument.nl,
biografisch woordenboek voor socialisme en arbeidersbeweging,
ons amsterdam
Marchien den Hertog, 7 markante kamerleden in Historisch Nieuwsblad, maart 2017, 35

laatst bijgewerkt:
27 februari 2017