Brazilië

indexmauritsstadVierentwintig jaar lang was een deel van Brazilië, de noordoosthoek, een kolonie van de Republiek. Het was eerder een kolonie van Portugal, naar een deel werd in 1630 overgenomen door de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. De kolonie werd Nieuw Holland genoemd en de verschillende gouverneurs trachtten zoveel mogelijk immigranten naar het gebied te lokken. Dat had een matig succes en mede daardoor werden in 1654 de Nederlanders door de Portugezen uit het gebied verjaagd.

ruadosjudeusHet begin
In 1630 werd de verovering van de noordoosthoek van Brazilië uitgevoerd door een expeditieleger onder leiding van Hendrick Lonck en generaal Waardenburg. Een groot deel van de kolonie bleef echter in bezit van de Portugezen en daardoor bleven de Portugezen een voortdurende bedreiging voor de kolonie.
In Brazilië waren veel plantages en hoewel de Nederlanders slavernij in 1623 nog als onethisch afwezen, adopteerden ze het slavernijsysteem in 1635.

Johan Maurits van Nassau
In 1637 ging Johan Maurits van Nassau-Siegen naar Brazilië om orde op zaken te stellen en hij stichtte op een eilandje tegenover de Portugese nederzetting Recife de plaats Mauritsstad. Daarnaast voerde hij in de kolonie de godsdienstvrijheid in.

Joodse immigratie
Deze godsdienstvrijheid, gelijk aan die in Nederland, maar zonder de druk van de op dat moment in Amsterdam machtige Sefardische gemeente, was voor een groot aantal Amsterdamse Joden de reden om naar de kolonie te emigreren. Feitelijk bestond de Joodse immigratie in Brazilië uit drie groepen:
– een groep die als kolonist naar Brazilië was vertrokken vanuit Portugal en Spanje (marranen ofwel conversos),
– de bovengenoemde Sefardische groep uit Amsterdam en
– een groep Asjkenazische Joden die voor het geweld van de 30-jarige oorlog in Duitsland (1618-1648) naar Holland was gevlucht en nu emigreerde naar Brazilië.
De Amsterdamse Sefardische groep was het overheersende deel bij deze emigratie.
De eerste grote immigratiegolf was in 1635 onder leiding van Moises Cohen Henriques. Zij kwamen aan in Recife en gingen op een eiland voor de kust wonen, 47 km ten noorden van Recife, Itamaraca. Al in 1635 wordt er melding gemaakt van een synagoge in Itamaraca met rabbijn Jacob Lagarto, maar ook in Paraiba en in Olinda. Dit waren waarschijnlijk kleine gebedsruimten – vaak bij iemand thuis – en geen gebouwen die voor dit doel gebouwd werden.
In Recife werden ook al diensten gehouden, in het huis van David Senior Coronel en in het huis van Jacomo Paulo Pinto. Zij wonen beide in de Jodenstraat in Recife.
Er ontstonden 2 geloofsgemeenten. In Recife Zur Israël (Rots van Israël) en in Mauritsstad Maguen Abraham (Schild van Abraham).
Zur Israel bouwde in 1636 op de Jodenstraat (Rua dos Judeus) in Recife een synagoge. Deze synagoge is de eerste op het Amerikaanse continent. Het is niet bekend wie de eerste rabbijn van deze synagoge was, in 1641 wordt Isaac Aboab da Fonseca de tweede rabbijn. Hij werd naar de kolonie gestuurd door de Amsterdamse Sefardische gemeente (In onze eeuw is deze synagoge gerestaureerd en meer informatie via deze link).
In 1644 werd de tweede synagoge bij Recife gebouwd, op het eiland Antonio Vas tegenover Recife. Daar werd de eerste rabbijn Samuel Israël en de tweede Moises Raphael de Aguilar. Ongeveer gelijktijdig werden er twee jeshiva’s (religieuze scholen) gesticht, Talmud Torah en Etz Chajim. En er was een Joodse begraafplaats, buiten de stad, waar tegenwoordig de buitenwijk Coelhos gebouwd is.
Beide synagoges fuseerden op 16 november 1648; de geloofsgemeenschap was sinds 1645 kleiner aan het worden vanwege de opstanden tegen de Hollanders door de Portugezen en daardoor het vertrek van een deel van de Joodse kolonisten.
Naast de godsdienstvrijheid was er ook een economische reden voor de emigratie naar Brazilië. De Sefardische Joden uit Amsterdam behielden hun economische banden met Nederland, waardoor de handel in beide landen een impuls kreeg.
Op het hoogtepunt van de Joodse immigratie woonden er zo’n 600 Joodse gezinnen in Recife en omgeving.

Beroepen
De beroepen die de Joodse kolonisten hadden waren divers. Deels hadden ze te maken met de producten uit dit land (suiker, hout, cacao, tabak, zilver, indigo), maar ook scheepsbevrachter, kalligrafen, edelsmid, plantage-eigenaar en dergelijke. De handel in suiker en de suikerrietteelt was echter de belangrijkste werkkring. Suikerplantages en suikermolens waren in het bezit van Hollandse en Joodse kolonisten, onder de Joodse worden genoemd:
Rodrigues Fernandes Navarro,
David Senior Coronel,
Diogo Dias Brandao,
Jacob Dassine en
Vincent Rodrigues Real

recifezurisraelVerval
Johan Maurits werd in 1643 teruggeroepen naar Nederland en het aantal Joden in Brazilië nam af, en zeker nieuwe Joodse vestiging in de kolonie. De Nederlanders waren al een minderheid in de kolonie en de weerstand tegen de Nederlanders nam toe en voor de niet-katholieken was er steeds minder tolerantie.
De Joodse gemeenschap in Brazilië kromp hierdoor snel.
Een aantal Joden keerde terug naar Nederland, een aantal emigreerde verder naar andere Nederlandse kolonies in de Nieuwe Wereld zoals Suriname, de Antillen en Nieuw Nederland. De groep die naar Nieuw Nederland ging ging naar Nieuw Amsterdam en stichtte daar de eerste Joodse gemeenschap in de stad die nu New York heet.
De vrijheid die men in Brazilië gekend had vond men niet in de andere kolonies en een deel van de emigranten die daarheen gingen keerde uiteindelijk terug naar Nederland.
Nadat de Nederlanders in 1654 verjaagd waren verdween vrijwel de gehele Joodse gemeenschap uit Brazilië. De godsdienstvrijheid was met de hernieuwde heerschappij van de Portugezen verdwenen. Na het tekenen van de Vrede van Den Haag op 6 aug 1661 kregen de laatste Joden die nog in Brazilië woonden drie maanden de tijd om te vertrekken.

David Senior Coronel (1575 – 1650)
Een naam die vaker terug te vinden is in de geschiedenis van deze Nederlandse kolonie is die van David Senior Coronel. Over hem is het een en ander bekend.
David was de afstammeling van een bekende Maranen-familie uit Spanje. De beroemdste van hen, Abraham Senior, was een adviseur aan het Spaanse hof. Zijn zoon werd in 1575 geboren onder de katholieke naam Duarte Saraiva. Hij vertrok naar Amsterdam in 1598, aangelokt door de godsdienstvrijheid in Amsterdam én doordat Amsterdam toen het financiële centrum van Europa was geworden. In Amsterdam trouwde David op 15 augustus 1598 met Maria Nunes (niet de Maria Nunez elders op de website). In 1601 zat hij in de scheepvaart en hij gebruikte in die tijd zowel zijn Joodse als zijn katholieke naam. Ook voerde hij handel met Portugal, en hij raakte in het begin van de 17e eeuw betrokken bij de handel met Brazilië. In 1604 werd hij poorter van de stad Amsterdam.
Na de verovering van Brazilië in 1630 promootte de regering de emigratie naar de nieuwe kolonie en David en zijn gezin gingen in 1636 naar Recife. Gedurende de jaren dat hij in Recife woonde raakte hij steeds meer bekend onder zijn Joodse naam. Hij bezat onroerend goed, suikermolens, en werd de rijkste man van de gemeenschap. Hij overleed in Brazilië in 1650, 75 jaar oud.
Zijn zoon Isaac had minder geluk. Hij erfde de bezittingen van zijn vader (begroot op 351.502 florijnen), maar deze werden vanwege de ongeregeldheden met de Portugezen snel minder waard. Er zaten grote hypotheken op de bezittingen én de familie was geld schuldig aan de WIC (West Indische Compagnie). Nadat de Hollanders zich in 1654 overgaven ging de familie Coronel terug naar Amsterdam. Isaac probeerde de bezittingen door rechtszaken terug te krijgen, maar dit lukte niet. Isaac ging studeren voor rabbijn en kreeg de titel chacham (wijze). Zijn afstammelingen emigreerden uiteindelijk naar Suriname waar ze eveneens in de suikerindustrie gingen werken.

bron:
wikipedia,
nljewgen.org/content/brazilie.html,
www.jackwhite.net/iberia/coronel.html,
rodriguesuribe.co.

laatst bijgewerkt:
23 september 2016.