bussenschuthofje

indexbussenschutHet klinkt zo mooi – Bussenschuthofje – maar schijn bedriegt want een armere slop dan deze die uitkwam op de Rapenburgerstraat kon men in Amsterdam nauwelijks vinden. Over de naam gaan meerdere verhalen de ronde, van de VOC die deze slop gebruikte om kruit op te slaan tot een timmerman die zo heette die betrokken was bij de bouw van de Lutherse Kerk. Ze kloppen beide. Waarschijnlijk dateert de naam uit de 16e eeuw toen hier een kruitfabriek was. Via het gangetje kon men tot in de 20er jaren nog in het hofje komen, uit die tijd dateren de foto’s.

bussenschuthofje3Hoe het ook zij, het armste deel van het Joodse proletariaat woonde hier. In de steeg achter de ingang woonden meerdere gezinnen, zoals op de foto links te zien is. De foto/tekening op de volgende pagina verandert zodra men de muis erover laat gaan naar de situatie van nu – de uitstraling is eender maar verhoudingen zijn anders en dat klopt want de gevelsteen is bij een renovatie van 2001 herplaatst. De foto is uit voorgaande eeuw  van de Dienst Volkshuisvesting.

Op de plaats van de Rapenburgerstraat en dus ook op de plaats van dit hofje lagen tot 1663 de verdedigingswallen. Die lagen er nog niet zo lang, want dit gebied was tussen 1591-1595 aangeplempt. Maar 70 jaar later moest de stad verder uitbreiden en in 1663 nam de stad het besluit tot verder uitbreiding, de 4e uitleg genaamd. De wallen werden gesloopt, het land werd beschikbaar gemaakt voor bebouwing en er werden nieuwe grachten gegraven, zoals de Jooden Heeregragt (Nieuwe Herengracht). Tussen deze gracht en Marken kwam de Rapenburgerstraat en in januari 1682 konden de eerste 126 percelen worden uitgegeven.
In 1682 was Harmen Bussenschut betrokken met de uitgave van de erven 92, 93, 94 en 95 – waar nu het hofje is gevestigd. Hij kocht erf 92 op 25 januari 1682 voor fl 306,–, erf 93 en 94 voor fl 340,– per stuk en erf 95 via Aernout Jansz voor fl 320,–. Erf 13, direct achter erf 95, maar dan aan de Nieuwe Herengracht, kocht hij ook.
bussenschuthofje2Harmen Bussenschut verkocht een deel van dit behoorlijke stuk land aan Jacob Jenes Osorio en 6 jaar later, in 1688, kocht Bussenschut het terug. Daarna volgen er nog een aantal verkopen aan diverse personen, die of van Sefardische, of van Asjkenazische afkomst waren. In 1738 worden de bezittingen verkocht aan de timmerman Willem Camphuijsen, de metselaar Herman Otjes en Abraham Alexander Polak. De bezittingen worden 3 jaar later in een executie-verkoop verkocht voor fl. 26.500,–. Alles werd toen gekocht door de Regenten van het Collegie van de Weeskinderen der Hoogduitsche Natie, Megadlé Jethomim. In de gegevens die met deze verkoop in 1741 neer werden gelegd bleek dat de achtererven volgebouwd waren (Een huis, met zijn achterhuizen, de dezelven erven en verdere getimmerten). Dus het Bussenschuthofje is in drie jaar ontstaan, tussen 1738 en 1741. Harmen Bussenschut was toen al 15 jaar dood. Of het hofje naar hem vernoemd is, is onduidelijk. Wel werd de gevelsteen in 1740 ter nagedachtenis aan Harmen geplaatst. Het is echter onbekend waar deze steen vandaan kwam, of hij herplaatst is en eerst elders geplaatst was, of wat deze steen speciaal hiervoor vervaardigd was.

Deze gevelsteen, die nu prachtig boven het hofje prijkt, was in 1932 bijna verloren gegaan toen de laatste panden gesloopt gingen worden, maar door ingrijpen van onder andere de hoofdinspecteur van Bouw- en Woningtoezicht werd de steen herplaatst. In 1997 werd de steen door Jan Hilbers opnieuw gerestaureerd waarbij verflaag voor verflaag verwijderd werd om te achterhalen wat de oorspronkelijke kleuren waren, en bij de nieuwbouw in 2001/2001 werd de steen opnieuw herplaatst.
Bij de aankoop door Megadle Jethomim werd er echter geen weeshuis van gemaakt. Het collegie opende pas in 1836 het eerste weeshuis aan de Zwanenburgerwal en het bekende weeshuis dat aan de Amstel stond dateert van 1865.
bussenschuthofjebussenschutnuHet Collegie verhuurde de panden aan het Bussenschuthofje. In 1805 worden 36 Joodse huurders genoemd in de archieven. Zijn woonden alle in kleine huisjes en soms met een heel gezin in 1 kamer.
In 1874 verkocht het Collegie, na 133 jaar, het hofje. Daarna volgt er een periode waarbij nieuwe eigenaars het bezit snel doorverkopen en tussen 1910 en 1930 komt de Stad Amsterdam als koper op het toneel. De buurt wordt gesaneerd, en de stad sloopt. Rond 1930 is het afgelopen met de krotten die het Bussenschuthofje vormden.
De plaats van de gevelsteen nu is niet precies op de oude plaats, de oude toegangssteeg was iets meer rechts van de huidige plaats, ter hoogte van het tegenwoordige pand op 155.
Na de 2e Wereldoorlog stond hier in de zeventiger jaren aan de linkerzijde een supermarktje/drankhandel, in 2001 kwam er een kantoorpand maar de gevelsteen is herplaatst en de geschiedenis van een van de armste stukjes Amsterdam blijft daarmee levend.

herinneringen van John Egon Lewin

lewinjohnadvertentieIk heet John Egon Lewin ik ben geboren in het Weesperplein ziekenhuis op de 8 oktober 1942. Wij woonden op het Nieuwe Grachtje 9 op 2 hoog en onder ons woonde de fam. Buis. die in de oorlog op transport gezet werd en nooit terugkwam.
In 1947 ging ik naar de kleuterschool van Rosh Pina in de Van Ostadestraat. Daar ontmoette ik  Jaap Allegro. Wij waren van dezelfde leeftijd, beide geboren na de eerste september, en dus mochten wij pas met bijna 7 jaar naar school toe. Dat was de gekke wet uit die dagen.
Jaap en ik waren op Rosh Pina ook vrienden met Moshe Schuster, de aangenomen zoon van Opperrabijn Schuster uit de Jacob Obrechtsjoel.  De echte naam van Moshe was Danziger.
Het bleek dat Jaap Allegro de aangenomen zoon was van de heer en mevrouw Allegro. En die woonden in het Bussenschut. Links daarvan was een open plaats zonder huizen (weggebombardeerd) en rechts daarvan was een 3 etage hoog woonhuis met op de begaande grond een op een garage lijkende groene roldeur, de eerste moderne roldeur in de Rapenburgerstraat. Daar boven, op de eerste verdieping, woonde de familie Allegro. De muur tussen het Bussenschut en deze woning was weggebroken en de kamer boven de gevelsteen was toegevoegd aan deze woning. Deze kamer lag veel lager, je moest drie treden af om er te komen.
De heer Allegro had een zuurinleggerij en die was op de begane grond achter die roldeur. De zaken gingen goed. Hij verkocht zijn zure bommen en haring aan de overgebleven Joden in de buiten het centrum liggende buurten. U zult vragen waarom: Het centrum had zijn eigen koshere zuurinleggerij in de Foeliestraat met de naam “Uit de roje wijn”, deze firma ging met ventwagentjes door de hele buurt.
In 1946 kocht/huurde mijnheer Allegro het open terrein links van het Bussenschut en bouwde er een enorme zuurinleggerij.
Ik heb daar veel gespeeld samen met Jaap. Wij waren de beste vrienden. Zaten in dezelfde klas, gingen samen naar Artis, onze ouders hadden er een abonnement, gingen samen naar Tikwatenoe, in de Joodse gemeente in de Plantage Parklaan, op Shabbos. Die fabriek stond er nog in 1966.

Nieuwe Grachtje feb 2012
Nieuwe Grachtje feb 2012

De Allegro’s waren religieuze Portugese Joden en gingen elke Shabat naar de Snoge, terwijl ik met mijn ouders naar de Lekstraatsjoel gingen. Dat was het enige verschil tussen ons. Jaap, zijn echte familienaam was Wegloop, ging na Rosh Pina naar een conservatorium en werd een pianovirtuoos. Hij speelde al piano sinds zijn 4e jaar. In de kamer van het Bussenschut hadden zijn pleegouders een witte vleugelpiano gezet, meer was er ook geen plaats voor. In 1949 zijn wij beide op een zaterdag weggelopen van huis en stiekem de Bijenkorf binnen gegaan. Toen was daar nog een muziek afdeling die ook piano’s verkocht. Jaap heeft toen een vleugel geopend en is gaan zitten. Hij begon te spelen, allereerst van Mozart en Brahms. De mensen begonnen stil te staan en te luisteren. Op het laatst waren er ongeveer 100 mensen die stil stonden te luisteren. Ook de directie van de Bijenkorf kwam er naar toe en zij hebben denk ik fotografen van Het Parool en De Handelskrant gebeld. Er zijn toen heel wat foto’s gemaakt. Wij werden naar buiten gestuurd toen de winkel dicht ging om 16.00 uur. We kwamen pas om half zes weer thuis, kregen op onze kop, op de vraag waar we zijn geweest: wandelen in de Kalverstraat en Waterlooplein.
Toen we op maandag daarna terug kwamen van school gooiden onze ouders op het Nieuwe Grachtje, ze hadden samen thee gedronken, Het Parool op tafel met op de eerst pagina en enorme foto met een reclame van de Bijenkorf, met ons als hoofdfiguren. Wat hebben wij op onze kop gekregen.
Wij gingen in 1956 toen wij, Jaap, Moshe en ik in de zesde klas zaten, elke middagpauze met Moshe naar de Obrechtstraatsjoel waar zijn ouder op de eerste etage woonden. Jaap liep dan nog 50 meter verder om zijn moeder, mevrouw Allegro te zien. Zij was zwaar ziek opgenomen in het CIZ ziekenhuis daar, hij kon haar vanaf de straat zien door een raam. En wij twee, Mosje en ik gingen naar mevrouw Schuster die ons dan iets te eten gaf. Daarna weer terug naar school. Jaaps moeder stief nadat we de school hadden afgesloten. Jaap ging naar het conservatorium in Zeist. Ik heb hem sinds toen nooit meer gezien. Jaap is in de jaren 70 naar Amerika gegaan is er ook directeur van het New Yorkse Conservatorium geweest. Voordat Jaap naar de Verenigde Staten ging had hij zijn naam al veranderd naar zijn echte naam: Jacob Wegloop en met die naam is hij later begraven. Jaap heeft concerten over de hele wereld gegeven.
Jaap keerde na 2004 terug naar Amsterdam. Woonde achter het Vondelpark, was getrouwd, heeft 1 dochter.
Ik kreeg pas weer contact met Jaap, via het internet, nadat ik een pc had gekocht in 2006. Hij had een optreden geboekt in Jaffa in Israël in het Suzanne Dohl center, maar hij moest dat concert afzeggen door zijn val van de trap in 2007waarbij hij beide handen brak. Een droevig einde van een zeer begaafde pianist.

Hij moest alle uitstaande concerten afzeggen. Hij is gestorven op de 13 april 2011.
Ik ben in 1967 als vrijwilliger naar Israël gegaan, en woon er nog steeds.

bron:
herinneringen John Egon Lewin

1897 bezoek door Herman Heijermans

Ik bezocht dan in het jaar 1897 de Amsterdamsche Jodenwijk en zag het volgende : In het Busschenschuthofje (Rapenburgerstraat) ziet er alles zindelijk uit. Het geheel heeft iets rustigs, iets dat u goed aandoet om het aan te zien. Men kan zich begrijpen, al is de toegang niet comfortabel, dat men daar op zijn gemak is, rustigjes en wel, echt Hollandsch op zijn gemak.
Men zoekt onwillekeurig naar een man met een zijden pet op het hoofd, geborduurde pantoffels aan de voeten en met een lange pijp in den mond, die aan de deur zit te rooken. Ik zag daar eenige huisjes en bovenwoningen, de vrouwen verzochten met een vloed van woorden mijn goedgunstig oordeel over het niet juist aan kant zijn van hun „rommel”; met deze benaming spraken zij hun meubelen aan. Daar was niet wat ik zocht. Men kon het leven knapjes bekrompen noemen maar in de huisjes en kamers waren geen sporen van onmiddellijke ellende. Ik stond op het punt te vertrekken toen een man, die mij uit een venster van een der huisjes had gadegeslagen, mij riep: „Kom hier, meneer Hermans, kom hier. Ik bezweer je bij god, kom hier. As ze ’t je dan niet durven vertellen zal ik het je zeggen. Kom boven.” Ik kwam boven en bevond mij in een leelijk hoekig-gebouwde kamer, „zoo zijn ze allemaal in deze rij,” zeide mij de man. „De anderen, o ja, de anderen hebben geen klagen, die zijn goed, goed hoor je, maar hier, geen enkel gemak, de kinderen op de grond alle nachten en twee gulden alle weken, twee gulden.” De kamer was inderdaad klein, smal en hoekig, niet veel meer dan een doorloop, een gang, en leverde een groot contrast met de kamers aan de overzijde op. „Waarom gaat u daar niet wonen,” vroeg ik’ „Waarom? Omdat ik te veel kinderen heb.” De vrouw klaagde hare nood over de huisheeren.

Zij sprak langzaam en vermoeid, gelijk een afgetobde vrouw en met iets smartelijks in haar stem over het feit, dat een gezin met veel kinderen bijna nergens onder dak kon komen. Ik dacht aan het gebod: „Wees vruchtbaar en vermenigvuldigt de aarde.”
Elohiem (aangepast, red) kon niet voorzien dat de huisheeren hunne bezwaren daartegen zouden hebben en dat de opvolgers van zijn gebod in moeilijkheden zouden komen. De vrouw bleef doorspreken en ik zag de kamer nog eens rond. Het was toch niet wat ik zocht. Wanneer ik zou verhalen wat ik hier zag, het antwoord zou zijn: „O, dat is nog zoo erg niet.” En het was ook nog zoo erg niet, waarlijk, een uur later zou ik er ook zoo over denken. De huur was twee gulden (en dat was . . . bloedgeld). „Verhuizen, as ik je zeg, ik wou verhuizen. Wat graag, maar de huisbazen, zullen ze de pest krijgen, hebben een fonds. Ik mot vertoonen een huurbriefje, god straf me. Huurbriefje van de laatste weken van twee gulden en die heb ik niet, kan ik niet hebben. As jo kinderen vragen om brood en daar leggen centen, centen voor den huisbaas. Wat doe je dan ? Wat doe je dan ? Ik vraag je, wat doe je dan? Je koopt brood, je koopt brood. Hoe kan ik nou hebben een huurbriefje? Zonder die huurbriefjes kan ik geen woning krijgen en daar ben je de slaaf van den huisheer ! In de heele rij hier is het zoo. Allemaal zijn we geld schuldig en daarom durven ze je niet zeggen wat er is. Dat we hier sljecht wonen, heel sljecht, hoor je, en dat meneer Salomons (de huisheer) een bloed- zuiger is. Maar ik wel, ik durf wel, ik durf wel, ik ben niet bang.” Ik beloofde het echtpaar hun grieven op de vergadering openbaar te maken en vertrok.

bron:
De Jonge Gids, Herman Heijermans1897 – 1901