clara spits – clarissa jacobi, de onbekende overlevende

jacobiclarissaSchrijfster tussen Holocaust en Apartheid

‘Ik zie de dingen door Hollandse ogen. En ook door joodse ogen. Er waren gedurende de oorlogsjaren zoveel dingen die we niet mochten doen. Plaatsen waar we niet heen konden. Daarom voel ik sommige dingen dieper aan dan anderen. Ik weet uit persoonlijke ervaring hoe bepaalde mensen zich voelen in bepaalde omstandigheden.’

Aan het woord is Clarissa Jacobi, migrant-auteur en overlever. De vrij onbekende Nederlands-joodse schrijfster heeft twee van de wreedste episoden uit de wereldgeschiedenis van dichtbij meegemaakt: de holocaust en de apartheid. Na als enige van haar gezin de Tweede Wereldoorlog te hebben overleefd, emigreerde ze naar Zuid-Afrika, waar ze de apartheid beleefde vanuit de blanke, dominante groep. In haar literaire werk, dat sterk autobiografische trekken vertoont, beschrijft ze de maatschappelijke gevolgen van het apartheidsregime en zet die af tegen haar eigen ervaringen, die bepaald zijn door haar traumatische verleden.

Jeugdherinneringen
Clarissa Jacobi werd op 15 mei 1920 in Amsterdam geboren als Clara Spits, de enige dochter van PTT-chauffeur Sallie Spits (1895-1943) en huisvrouw Elizabeth de Leeuw (1896-1943). Ze ‘leende’ haar pseudoniem van haar grootmoeder van vaders kant, de Duits-joodse Clara Jacobi (1859-1943). Haar ouders waren afkomstig uit Enschede (vader kwam uit Enschede, moeder uit Hengelo – red), maar verhuisden kort na hun huwelijk naar Amsterdam, waar Jacobi opgroeide. In een interview met Norman Ettlinger uit 1968 vertelt de schrijfster dat ze Anne Frank heeft gekend: ‘Wij woonden bij elkaar om de hoek en onze ouders behoorden tot dezelfde Joodse gemeente‘. In een brief van 23 september 1982 aan Marie Ehrenreich, een verre nicht die na de oorlog contact met haar had gezocht, gaat Jacobi nog wat dieper in op haar contact met de familie Frank:

Ik heb Anne Frank gekend. Ze zat in de klas met mijn achternichtje, Ellen Duering, die nu in Long Beach, Californië, woont. Onze ouders waren lid van de liberaal Joodse gemeente in Amsterdam en ik weet nog, dat ik met mijn moeder in sjoel stond, achter mevrouw Frank en haar dochtertjes, en dat mijn moeder altijd zei: “Mevrouw Frank, dat is een echte dame”. Ik ben ook een keer bij ze thuis geweest op het Merwedeplein, niet ver van ons huis in de Vechtstraat 8. Ik zocht leerlingen voor het oprichten van een ballet klasje in onze buurt, en mijn moeder zei: “Ga maar eens naar mevrouw Frank, misschien willen haar dochtertjes”. De meisjes waren toen niet thuis, maar mevrouw Frank was erg aardig en ik heb met haar zitten praten in hun huiskamer. Ze was een mooie vrouw.’

Jacobi heeft haar kindertijd uitvoerig beschreven in haar roman De Waterlanders (1977). Eén ervaring springt eruit: de periode in een joodse vakantiekolonie waar ze mishandeld werd. In deze beschrijving trekt ze een analogie tussen deze episode uit haar kindertijd en de behandeling die joodse gevangenen kregen in de concentratiekampen. Haar jeugd eindigt in de roman in 1935 met de dood van haar grootmoeder, maar in werkelijkheid zijn haar grootouders, evenals haar ouders en andere familieleden, tijdens de oorlog in concentratiekamp Sobibor vermoord. In een brief aan Ehrenreich van 4 juni 1982 vertelt Jacobi hoe haar familie tijdens de oorlog is omgebracht: ‘Mijn ouders zijn evenals mijn grootouders uit Enschede (83 en 87 jaar) omgekomen (Sobibor). Na de oorlog ben ik nog een keer in Deventer geweest, (…) ik wilde toen het graf van mijn grootmoeder en van Jet bezoeken, maar iemand, die de sleutel (…) had was er niet (…). Van Roos hoorde ik dat Wies en Louis en de kinderen ergens waren ondergedoken, en dat ze zijn verraden, door iemand, die Jetje met haar rode vlechten voor het raam zag staan’.

Dansen is altijd een van Jacobi’s grootste passies geweest, vertelde ze aan Ettlinger. ‘Dansen was mijn leven. Ik offerde er alles voor op.‘ In Nederland is ze leerlinge geweest van Hans Snoek, Karel Poons en Albert Mol. In 1941 werkte Jacobi als danseres bij een joods operettegezelschap te Amsterdam, waar ze ook in het koor zong. Haar dansleraar Albert Mol heeft haar leven gered. Volgens Jacobi wist Mol dat ze tijdens de oorlog ondergedoken zat in de buurt van Amersfoort, maar dat de mensen die haar onderdak boden bang waren geworden en haar kwijt wilden. In Amsterdam wist Mol steeds nieuwe onderduikadressen voor haar te vinden. Volgens Jacobi bood hij zelfs aan om met haar te trouwen, als dat nodig was. Toen dat niet meer toegestaan werd, zorgde Mol ervoor dat Jacobi een vals identiteitsbewijs kreeg van een getrouwde vrouw. ‘Ik heb een trouwring gekocht‘, vertelde ze in een interview met Bas Senstius uit 1994, ‘en als iemand naar mijn man vroeg, zei ik dat hij in Duitsland werkte.’

Zuid-Afrika
Na de oorlog en de uitroeiing van haar familie wilde Jacobi weg uit Nederland. In het interview met Senstius haalde ze herinneringen op aan deze naoorlogse jaren. Om geld te sparen voor haar vertrek werkte ze als danseres, als amazone in Circus Knie en als naaktmodel voor studenten van de Academie voor Beeldende Kunsten te Amsterdam. ‘Twintig minuten poseren, tien minuten rust. In mijn blote reet in de ijzige kou bij een straalkacheltje.‘ In 1947 vertrok ze naar Kaapstad, Zuid-Afrika, waar een achterneef van haar vader woonde. Daar bouwde ze een nieuw leven op en ze verbleef er tot haar dood. ‘Ik was bang dat als ik nog langer in Holland zou blijven ik uiteindelijk op de walletjes terecht zou komen. Het kon me niets schelen waar ik naartoe ging.’

Gedurende haar eerste jaren in Kaapstad werkte ze als secretaresse bij een joods tehuis voor vrouwen, waarvan ze later directrice werd. In 1949 begon ze gedichten te schrijven. Die gedichten hadden jarenlang in een kast gelegen, totdat Jacobi besloot om ze naar prof. dr. Abel Coetzee in Johannesburg te sturen, de redacteur van Tydskrif vir Letterkunde . Coetzee publiceerde haar werk, maar na een slechte recensie van de criticus Frans de Bruyn, die haar ‘aftands, romantisch’ noemde, besloot Jacobi om te stoppen met poëzie en zich toe te leggen op proza.

Ondertussen ontmoette Jacobi de Zuid-Afrikaan Leon Friedman (1927-1966), met wie ze op 29 november 1955 trouwde en in een witte villa aan de voet van de Tafelberg ging wonen. In 1966 overleed haar man aan een hartaanval en bleef de schrijfster achter met drie kleine kinderen van negen, zeven en vijf jaar oud, respectievelijk Victoria, David en Sally Friedman. In datzelfde jaar publiceerde Jacobi haar debuut, Een echte Kavalsky , bij A.W. Bruna & Zoon. Twee jaar later verscheen de verhalenbundel De donkere bril bij dezelfde uitgever.

Na de dood van haar man werkte Jacobi vijf jaar lang in de antiekzaak van haar buren, totdat ze een functie aangeboden kreeg bij het Joodse Museum te Kaapstad. Daar bleef ze twintig jaar als curator werken. Ook werkte Jacobi als correspondente voor de Vlaamse dagbladen De Nieuwe Gazet en Het Laatste Nieuws.

Onder haar eigen naam publiceerde Jacobi artikelen over historische onderwerpen in het Auschwitzbulletin , de Jewish Affairs, de Cape Town Jewish Chronicle en in Zuid-Afrikaanse tijdschriften. Ook heeft ze gewerkt aan een Afrikaanse editie van Het Achterhuis, die werd uitgegeven voor gebruik door de departementen Afrikaans en Nederlands van verschillende Zuid-Afrikaanse universiteiten. Jacobi publiceerde ook nog twee romans in het Engels: A capacity for things (1991) en de jeugdroman Tales from Silverleaf Land: A South African fairy-story (1993).

In 1994 overleefde Jacobi een beroerte en in datzelfde jaar klaagde ze in een interview over zwaarmoedigheid en eenzaamheid sinds haar kinderen het huis uit waren. Op 4 september 1998 overleed Clara Friedman-Spits te Kaapstad. Na haar dood publiceerde haar zoon David Joseph Friedman de biografie The Fraenkel Saga (1998), het resultaat van haar zevenjarige onderzoek naar het leven van de eerste joodse arts van Kaapstad.

De schrijfster
Ondanks haar bijzondere levensverhaal en de opmerkelijke eigenschappen van haar werk is Jacobi in Nederland ten onrechte in de vergetelheid geraakt. Er is heel weinig over haar gepubliceerd en ze is zo goed als onbekend in het Nederlandse literaire veld: haar verhalenbundels zijn niet meer leverbaar en haar biografische gegevens zijn bijna nergens te vinden. In mijn masterscriptie heb ik geprobeerd om, op grond van de analyses van haar verhalenbundels Een echte Kavalsky en andere verhalen, De donkere bril en andere verhalen en De weg naar Guguleto, iets aan dit gebrek aan informatie over haar leven en werk te doen.

In Jacobi’s werk gaat bijna elk verhaal over een situatie waarin het Nederlandse hoofdpersonage in aanraking komt met de Zuid-Afrikaanse maatschappij. Al is de dominantie van de blanke cultuur in haar werk voortdurend aanwezig, de blanke en zwarte culturen bestaan niet naast elkaar, maar door elkaar heen. Het koloniale systeem dat in Zuid-Afrika door de invoering van het apartheidsregime werd voorgezet, wordt door de auteur bekritiseerd. Zij gebruikt daarvoor altijd een blank, autobiografisch hoofdpersonage. Jacobi uit zich heel kritisch over discriminatie en komt op voor de onderdrukte bevolkingsgroep.

Door de beschrijving van de sociale tegenstellingen die de apartheid veroorzaakt, waagt ze een poging om aandacht te vragen voor de onderdrukte culturen, en de vertegenwoordigers van deze onderdrukte culturen uit hun passieve rol te halen. Niettemin krijgen de zwarte personages altijd een bijrol. We horen hun verhalen niet uit hun eigen mond; ze worden door het blanke hoofdpersonage verteld, wat de Europese dominantie benadrukt. Bovendien worden de donkere personages uitgebeeld als schurk, naïef, primitief, zielig of ongeïnteresseerd, terwijl het blanke hoofdpersonage bijna altijd een goedwillende zielsverwant is die het noodlijdende zwarte volk probeert te begrijpen. Jacobi’s poging om beide werelden bij elkaar te brengen, resulteert daardoor in de wederzijdse uitsluiting ervan en in het benadrukken van de verschillen. Jacobi kijkt naar de zwarte bevolking van bovenaf. Ze beschouwt zwarten als inferieur en de zwarte cultuur als minder ontwikkeld dan de blanke. Ook al was dat misschien niet haar bedoeling, toch worden racistische stereotypen en het concept van de blanke superioriteit in bijna elk verhaal steeds weer bevestigd.

Jacobi beschrijft de Zuid-Afrikaanse samenleving waarin verschillende groepen en culturen in een ongelijkwaardige houding tot elkaar staan vanuit een gezichtspunt dat tegelijkertijd bij de dominante en de onderdrukte groep hoort. Ze ziet Zuid-Afrika anders dan de afstammelingen van de Europese kolonisatoren, maar ook anders dan de zwarte bevolking. Haar ervaring met onderdrukking als Jodin maakte haar blik opener en hielp haar om een kritische houding te ontwikkelen ten opzichte van het apartheidsregime. Maar dat was niet genoeg om haar te verlossen van de koloniale stereotypen die in haar denkwijze geworteld zaten. Jacobi kan de zwarte en de kleurling nog niet als gelijke beschouwen. In de hoofdlijnen van haar verhalen levert ze kritiek op de apartheid, maar in de details wordt het systeem door haar gerechtvaardigd door middel van koloniale stereotypen als het concept van blanke superioriteit. Ondanks haar bijzondere achtergrond en haar pogingen om het tegendeel te bereiken, draagt ze hierdoor bij aan de instandhouding van het apartheidsregime.

Aanvulling:
Clarissa Jacobi (Clara Spits) was de dochter van Sallie Spits (Enschede, 27 september 1895 – Sobibor, 16 april 1943) en Elisabeth de Leeuw (Hengelo, 5 augustus 1896 – Sobibor, 16 april 1943). Zij woonden vanaf oktober 1922 op de Vechtstraat 8-2.

bron:
Dit artikel is oorspronkelijk verschenen in  Maandblad Zuid-Afrika , jrg. 91, nr. 5, p. 116-117. Met vriendelijke toestemming van het Maandblad Zuid Afrika, Ingrid Glorie, en met vriendelijke toestemming van de auteur, Cláudia Slagter-Cardoso de Mendonça.
www.joodsmonument.nl, lemma Sallie Spits (geraadpleegd 26 juni 2016)
stadsarchief Amsterdam, gezinskaart Sallie Spits.

Cláudia Slagter-Cardoso de Mendonça (Belo Horizonte, Brazilië, 1985) studeerde Nederlandkunde aan de Universiteit Leiden. Dit artikel is gebaseerd op haar masterscriptie over Clarissa Jacobi. Sinds 2010 is Slagter werkzaam als vertaalster Nederlands-Portugees in Den Haag.

Laatste aanpassing:
4 januari 2017