dood

indexmuiderbergDe Joodse cultuur beschouwt de dood en het leven niet als twee aparte werelden. Ze zijn met elkaar verbonden, ze horen onlosmakelijk bij elkaar.
Het wordt als een voorrecht gezien om het sterven aanwezig te mogen zijn. Wanneer het duidelijk is dat iemand gaat overlijden probeert men deze persoon de zonden te laten belijden door een gebed, het widdoej. Wanneer het einde echt nabij is, dan wordt het Sjeimes gezegd. Dit gebed luidt: ‘Hoor Israël de Heer is onze God de Heer is één’. Het is eigenlijk de bedoeling om het einde van de zin (één, echad) te laten samenvallen met het moment van overlijden.
Na het uitblazen van de laatste adem volgt het Alenoe-gebed: ‘De Eeuwige zal Koning zijn over de hele wereld – op die dag zal de Eeuwige één zijn en Zijn Naam één’ en daarna het Sjma Jisrael (Hoor Israel): Hoor Israel, de Eeuwige is onze God, de Eeuwige is één’.
Vroeger werd direct na het overlijden een rituele scheur gemaakt in de bovenkleding, wat de verscheurdheid aangaf. Tegenwoordig wordt dit vaak pas tijdens de begrafenis gedaan.
Volgende de traditie sluiten de kinderen van de overledene de ogen en de mond ná het overlijden en nadat de ziel dus uit het lichaam verdwenen is.

Niet troosten
Na het overlijden worden de nabestaanden doorgaans niet direct getroost. Het heeft geen zin om te troosten, de nabestaanden zijn in een grote schok en zij, en de gemeenschap, hebben de plicht om te zorgen voor een snelle en waardige begrafenis. Pas na de begrafenis, in de rouwweek, komt het troosten van de nabestaanden aan bod.
De overledene wordt zo snel mogelijk bedekt. Men heeft respect voor de dode (Kawod Hameet) en ook respect voor het feit dat de dode niet meer kan bepalen wie hem mag zien. Dus opbaren van de dode waarbij iedereen hem kan zien wordt niet gedaan.
De eerste dagen na het overlijden, Aninoet, zijn vervuld van verslagenheid, pijn en rouw. Men bedekt de spiegels in het huis, men drinkt geen wijn en eet geen vlees, vaak wordt een speciale kaars ontstoken. Men waakt bij de overledene.
Deze eerste periode is kort, aangezien men dezelfde dag van het overlijden, of de dag erna, begraven wordt. Vlak voor het begraven wordt het lichaam ritueel gereinigd. Het wordt dan gewassen door de begrafenisonderneming, de Chewre Kadisja. Vrouwen worden door vrouwen gewassen, mannen door mannen. Het lichaam verlaat hiermee de aarde op de manier zoals de Schepper hem de aarde gegeven heeft, gaaf en rein.

Daarna wordt het lichaam gekleed en dit mogen de nabestaanden doen. Onderkleding, bovenkleding, een hoofdbedekking en sokken. Indien mogelijk van eenvoudig linnen of katoen. De mannen krijgen ook hun gebedsmantel aan (Talliet). Daarna gaat het lichaam in een eenvoudige (vurenhouten) kist en wordt de dode bestrooid met aarde uit Israël. Het liefst begraaft men zonder kist, maar dit was in Nederland tot voor kort niet toegestaan. De kist wordt bedekt met een zwarte doek en voor de begrafenis branden er twee kaarsen op de kist. Men blijft tot de begrafenis waken bij de dode.
Cremeren wordt in principe niet gedaan omdat dit wordt gezien als het uitwissen van een leven en als het ontnemen van de mogelijkheid de rustplaats van de dode te bezoeken. Bovendien vernietigt men niet datgene wat God geschapen heeft. Maar mocht de dode dit wel wensen, dan kan het cremeren wel maar is er geen sjive.
De begrafenis (lewaaje) vindt zo snel mogelijk plaats, doorgaans na de in Nederland verplichte 36 uur na het overlijden. In de aula wordt de overledene geprezen en de dood betreurd (hespeed). Daarna brengen de familieleden de overledenen naar het graf en de familie laat de kist zakken. Dan schept de familie als eerste zand op de kist. De schep wordt nooit doorgegeven, maar iedere keer teruggezet. Zo wil men voorkomen dat de indruk bestaat dat men haast heeft en hiermee dus ook het respect voor de dode tot uitdrukking brengen.

Men gaat door met het scheppen van zand op de kist tot het graf dicht is. Hierna volgt een maaltijd (brood met ei). De directe familie gaat hierna naar huis voor de sjive.

Sjive
Voordat men naar de begrafenis gaat heeft men het rouwhuis al gereed gemaakt voor de rouwweek, de sjive. Er staan lage stoeltjes of krukjes, er zijn voldoende keppeltjes en gebedenboeken aanwezig. Tientallen mensen komen elke avond naar het rouwhuis om te troosten en het avondgebed uit te spreken. De rouwperiode voor ouders duurt een jaar (Jahrzeit aan het einde van de periode), voor andere verwanten 30 dagen. De rouwenden blijven 7 dagen bij elkaar. In die periode hoeft men niet veel en wordt er veel door anderen geregeld.

Begraven in Amsterdam
Doorsnee Nederlandse graven worden na 10 of 20 jaar geruimd. Dit betekent dat het graf wordt geopend en de resten (botten) worden herbegraven in een knekelput. De Joodse riten staan dit niet toe. Het graf is er en blijft er tot de Messiah terugkeert. Moet een graf verplaatst worden, doordat er een weg moet worden aangelegd of iets dergelijks, dan mag dit alleen onder toezicht van een Rabbijn en alleen wanneer de restanten worden herbegraven. Dit is onder andere gebeurt op de Joodse begraafplaats op Zeeburg, waar een weg werd aangelegd en die graven zijn verplaatst naar Muiderberg.
De Sefardische Joden van Amsterdam begroeven hun doden sinds 1602 in Groet (gemeente Bergen). Lang duurde dat niet, in 1614 kocht de Sefardische gemeente een stuk grond in Ouderkerk aan de Amstel en vanaf dat jaar werden de Joden op Beth Haim begraven. De doden die in Groet lagen werden tussen 1616 en 1634 herbegraven in Ouderkerk.

De Asjkenazische Gemeente in Amsterdam nam in 1642 de Joodse begraafplaats in Muiderberg in gebruik. Deze begraafplaats wordt nog gebruikt. In 1714 nam deze gemeente ook de begraafplaats op Zeeburg in gebruik en deze werd gebruikt tot 1942. De begraafplaats was er vooral omdat die van Muiderberg te klein was én hij werd gebruikt voor de armere Joden, die geen grafsteen (Matseiwah) konden betalen. Tussen 1714 en 1942 werden hier zo’n 100.000 mensen begraven, wat neerkomt op 440 begrafenissen per jaar.