eduard jacobs

Eduard Jacobs werd op 2 april 1868 geboren als zoon van Hyman Jacobs, musicus, en Judik Hamburger. Hij had nog een broer, Jacob, en een zus, Ester. Ester en vader overleden in 1872 en de jeugd van Eduard werd gekenmerkt door armoede. Zijn moeder stelde alles in het werk, samen met een oom van Eduard, om haar zoons een goede opleiding te geven. Hoewel het toen Eduard 15 was al duidelijk werd dat hij talent had op muzikaal gebied gaven moeder en oom er de voorkeur aan dat Eduard een solide vak zou leren en dus werkte hij tot 1890 in de diamantindustrie bij het diamantslijpersatelier Van Wezel.

Het werken bij Van Wezel heeft grote invloed gehad op Jacobs. Hij leerde daar Henri Polak, Herman Kuyper, Jan van Zutphen, Franc van der Goes en A S de Levita kennen, allen personen die in de socialistische beweging van groot belang zijn geworden.
Eduard was 22 toen hij de trein nam naar Parijs en hij verdiende daar 4 jaar zijn brood als pianist. Eerst op een dansschool, later in het variété in de Moulin Rouge.
Deze 4 Franse jaren waren essentieel voor Eduard. Hij kwam hier ook in contact met het kleinschalige cabaret in de kroeg, het cabaret-artistique en met name met Aristide Bruant.
In 1894 keerde hij terug naar Nederland en hij hoopte deze cabaretvorm ook in Nederland te introduceren. Dat lukte niet voor de zomer van 1895 toen hij op de begane grond van Quellijnstraat 64 ging werken voor 2,50 gulden per avond en 50% van de recette-opbrengst. Eduard Jacobs was de eerste cabaretier in ons land. Koos Speenhoff werkte nog in Krimpen aan de Lek, Jean-Louis Pisuisse was 15 en woonde in Middelburg, Louis Davids was 12 en woonde in Rotterdam.
Jacobs bracht de sfeer van Parijs naar de Quellijnstraat. De buurt van deze straat, buurt YY – de Pijp in de volksmond – had een zelfde sfeer als het Parijse Montmartre – een uit de grond gestampte buurt (tussen 1870 – 1895), met een onderwereld en een welig tierende prostitutie. Jacobs heeft hier 10 jaar gewerkt en hij probeerde de sociale misstanden aan de kaak te stellen binnen zijn cabaret, maar bleef ook hangen in dubbelzinnigheden, smart en kleinburgerlijke lol als “tararaboemdié.

In 1904 was het afgelopen met het cabaret. Het Amsterdamse publiek was nog niet rijp voor echt sociaal geëngageerd cabaret. Tot 1912 probeerde Eduard nog aan de bak te komen, onder meer in Cabaret De Sphinx in de Warmoesstraat. Zo is hij hierboven nog te horen naar aanleiding van de zedelijkheidswetten van Kuyper. Echt lukte het niet, dus zocht hij zijn toevlucht tot de amusementssector die hij altijd probeerde te mijden. Zo werkte hij ook bij Nap de la Mar.
Eduard Jacobs kreeg veel waardering van Speenhoff en Pisuisse, maar zijn manier van cabaret kwam pas 50 jaar later van de grond, door Sieto Hoving.
Eduard Jacobs overleed in Amsterdam op 6 december 1914 na zijn terugkomst uit de Oost. Hij ging daar voor een tournee in 1912 heen, ondanks zijn zwakke gezondheid, en kwam als een wrak terug.