EEN KLEINE QUEESTE DOOR AMSTERDAM, door Erica van Beek

….. Ik dacht er goed aan te doen richting Oost te gaan. De Wibautstraat in. Eerste, Tweede, Derde Oosterparkstraat langs en toen stond ik, nog onverwacht, in de Vrolikstraat. De straat waar ik de laatste jaren met mijn moeder heb doorgebracht. Het getto van toen. En vanwaar mijn eenzame onderduiktochten zijn begonnen. Voordien hadden we op verschillende plaatsen in Amsterdam gewoond en dáárvoor waren we vanwege de ‘Anschluss’ uit Wenen gevlucht. Ongelooflijk veel ervaringen voor een klein kind. En ik zal je vertellen, niemand is eenzamer dan degene die haar eenzame vroege jeugdjaren in eenzaamheid weer tegenkomt. Ik sta voor het portiek op nr. 285 huis, in wat nu nog een verloederd stukje straat is. Ik kijk om me heen, zoek aanknopingspunten met zoveel jaar geleden. Vergeefs. Alleen de portiek, de armoedige voordeur, die toegang gegeven heeft tot die gang met links een deur naar de voorkamer, die mijn speelkamer was; verderop nog een deur naar wat de huiskamer was en aan het eind van die gang de keuken. Tussen speel- en huiskamer was de alkoof, een klein kamertje dat geen daglicht kreeg en aan beide kanten deuren had naar de beide kamers. De keuken had een deur naar buiten, naar wat groots de waranda heette en met twee treetjes naar beneden in de tuin uitkwam. In mijn herinnering de meest feestelijke tijd van mijn leven tot dan toe. In werkelijkheid zal het allemaal heel klein en donker zijn geweest. Maar de openslaande deuren van de huiskamer naar ‘de waranda’ hebben echt bestaan. Hoe zou het er nu uitzien?? Ik heb een poosje voor die portiek gestaan, geprobeerd naar het verleden te duiken. Me herinnerend de namen van mensen die in mijn tijd daar ook gewoond hebben, en die ik uit het Joodsche Weekblad heb gehaald in de research voor mijn boek. Het bleven namen, ik was te klein. Kon me er geen gezichten bij bedenken. Ik heb de straat verder afgelopen, het is een allegaartje van vooroorlogse oudbouw en pogingen door nieuwbouw de straat een facelift te geven. Het begin van de straat is zelfs een beetje echte achterbuurt geworden. Ik vergiste me in de herinnering aan het huisnummer, dacht even dat het 185hs in plaats van 285hs was. En 185hs was precies één raam breed, waar een oud kleed voor hing, en een deur daarnaast die bijna uit zijn voegen sprong. Zo hebben mensen in de twintiger en dertiger jaren daar echt gewoond, misschien heb ik ze wel gekend? Maar ik heb daar niet gewoond, zag ik al gauw. Via Vrolikstraat en Iepenweg en derde Oosterparkstraat vond ik het Iepenplein, dat eveneens volkomen onherkenbaar was, maar waar ik toch gespeeld heb. Het is zo’n rare gewaarwording als ‘tijd’ ineens een tastbaar iets is geworden, waar je in- en uit stapt. Er is een Belgische schrijver die dat zo schitterend kon beschrijven, ik ben even zijn naam kwijt. Daar, in dat buurtje, ligt een klein stukje oud geluk, als goudfiligrein, dat in de drassige grond van die openliggende Vrolikstraat is gezakt. Maar het bestaat wel, heb ik met mijn hele lichaam en geest ervaren. Het bestaat, omdat het bestaan hééft en opgeroepen kon worden op mijn bevel. Heel bewust heb ik even ervaren dat mijn jeugd niet alléén verschrikking is geweest.

Door de miezerige regen ben ik de hele lange weg terug gewandeld, me bewust van het nu en van vandaag. Vroeger kon het voorkomen, dat mijn geest bij zulke ervaringen niet helemaal mee terug wilde. Hoe beschrijf ik dat nou weer?! Dan wist ik dat ik bijvoorbeeld in november 1998 in de Oosterparkbuurt liep, maar mijn gevoel bleef de ervaringen van 1940-’42 voelen. Ik kan het je niet duidelijker uitleggen dan met het volgende verhaal. Ik woonde in Nieuwegein-Centrum. En vlakbij werd een nieuw overdekt winkelcentrum gebouwd. Rotjongens vonden het leuk om midden in de nacht rotjes af te knallen in dat centrum. Ik schrok op een verschrikkelijke manier daarvan wakker; rende zo uit mijn slaap naar de telefoon, belde de Nieuwegeinse politie en riep uit: ‘Ze bombarderen het centrum, ze bombarderen het centrum’. Ik wist dus dat het (toen) 1981 was, ik kènde zó uit mijn slaap het politienummer, maar mijn geest zat in de oorlog en was volkomen in paniek omdat er gebombardeerd werd. Het duurde een kwartiertje voor de politieman doorhad, wat er aan de hand was en hij kwam persoonlijk naar mijn huis om me gerust te stellen. Dat gevoel heb ik gelukkig niet meer. Ik kan het nu, zoals ik net beschreef, wel naar believen oproepen en weer terugsturen. Al kunnen angsten uit die tijd dan nog een hele poos nasudderen. Ik doe dat dus niet zo snel, dat me laten gaan in de tijd.
Maar de wandeling zelf was goed. Die zal ik zeker nog herhalen.
Erica van Beek november 98.

*
Herfst 1999 was de Vrolikstraat voor het grootste deel gerenoveerd, de bestrating vernieuwd en vierde de straat een groot feest om dat te vieren. Daarbij was de hele straat door vlaggen, in de vorm van schoon ondergoed, versierd, volgens het motto: ‘Vrolikstraat, wàs goed, is goed’.
Ik was daar ook even aanwezig.
Erica van Beek

bron:
verhaal Erica van Beek, met vriendelijke toestemming geplaatst 4 februari 2017
Erica van Beek schreef het boek ‘Twee Vrouwen en een Jas’

illustratie:
prentbriefkaart Vrolikstraat

laatst bijgewerkt:
5 februari 2017