februaristaking – sal santen

Sal Santen schrijft in “De B van Bemazzel” over de Februaristaking en wat eraan vooraf ging in de dagen voor de staking. Dit boek werd in 1989 uitgegeven door “De Bezige Bij”.

“Als in een spookfilm verschijnen bordjes voor de ramen van de cafés: Voor joden verboden. Het is alsof een val zich gaat sluiten zonder dat men er nog greep op heeft. Maar wij lachen erom. Niet naar een café of naar een hotel of naar een restaurant: wat kan het schelen?
En wie solidair met de Joden is, zegt: mij zien ze er ook niet meer. Steeds brutaler worden de fascisten. NSB’ers verschijnen in hun zwarte WA-uniformen in de Amsterdamse Jodenbuurt om er te provoceren. Ook daar kan men zich tegen te weer stellen. Er worden knokploegen gevormd van Joden en niet-Joden om ze op de vlucht te jagen. Daarbij wordt de WA-man Koot doodgeslagen.

Die Koot is een familielid van iemand die we heel goed kennen, en die zelf aan de goeie kant staat. Dat is het gekke. Het zijn net luizen, de fascisten, overal dringen ze door. Ook uit onze revolutionaire jeugdbeweging van voor de oorlog zijn twee leden fascist geworden.
Een van hen heeft nota bene een Joodse schoonzuster.
Je vraagt je af wat zo’n knaap bezielt. Zou hij bang zijn geworden? De ander is uit Duitsland naar Nederland gekomen toen Hitler aan de macht kwam. Zou ook hij bang zijn geworden? Wat is het raadsel van mensen, die zich voor hun karretje laten spannen? Op 13 februari wordt in de Diamantbeurs op het Weesperplein een vergadering belegd voor Joden, waarin de vorming van een Joodse Raad wordt aangekondigd.

Wat voor goeds hebben ze ermee voor?
Op 19 februari wordt een patrouille van de Grüne Polizei, die de ijssalon Koco in de Van Woustraat wil binnendringen, ontvangen met een bijtende vloeistof. De eigenaar van de salon is een Duitse emigrant, die ik van gezicht ken, vaak genoeg zijn we er een ijsje gaan kopen. Hij wordt gearresteerd. Met nauwelijks verborgen vreugde loop ik aan de overkant van de straat om de gesloten ijssalon te bewonderen en aan mijn minachting uiting te geven voor de Grüne Polizei die er patrouilleert.
Dan, op zaterdag 22 februari zitten we bij mij thuis in de Cornelis Springerstraat voor een bijeenkomst, en wachten op Ab Baruch, een lid van onze groep die maar niet komt opdagen. Later op de dag horen wij dat hij bij een razzia op het Waterlooplein met vierhonderd anderen is gearresteerd.

Ik word gewaarschuwd. De Grüne Polizei is op het adres van mijn ouders geweest met een lijst waar Maurits en ik op staan. Er was niemand thuis, en buren komen het vertellen. Maurits is bij een vriend slapen, en ook ik blijf vannacht niet thuis slapen. Ik probeer het bij een familielid in de buurt, maar zijn vrouw durft mij er niet te laten overnachten. Woedend verlaat ik het adres. Maar diezelfde nacht wordt de man gearresteerd, omdat hij lang geleden bestuurder is geweest van de revolutionaire vakbeweging, en overgebracht naar een kamp in Schoorl. Heb ik even geluk gehad. Maar Bep zegt: jij hebt altijd geluk. Juist als het lijkt alsof je pech hebt, zit er mazzel achter.

Beps moeder is bij ons, samen met Henk is ze in Amsterdam. Zij heeft Spartacus, hun illegale krant, van half februari bij ons achtergelaten, waarin ik de oproep lees: ‘De schanddaden der fascisten moeten beantwoord worden met massastakingen.’ Beps moeder is vroeger getrouwd geweest met de landelijke secretaris van de Federatie van Overheidspersoneel, de vakbond die later is ingeschrompeld omdat Colijn het ambtenarenverbod invoerde voor revolutionairen. Van Bep hoor ik dat haar moeder de vroegere bestuurders ervan opzoekt, die nog bij de gemeente werken. Het is duidelijk: er wordt actie gevoerd om tot staking over te gaan tegen de jodenvervolging. Door het Derde Front van oom Henk en door de Communistische Partij.

Ik ga naar dokter De Widt voor de analyse. Daar wordt mij verteld dat ook hij op het Waterlooplein is gearresteerd. Hoe moet het nu verder? Kom morgen weer om deze tijd, er wordt alles aan gedaan om hem vrij te krijgen. Een vroegere patiënt van dokter Van Bomas is later NSB’er geworden. Het is een waanzinnige toestand, maar je kan geen onnodige scrupules hebben als de mogelijkheid bestaat iemand uit de poten van de nazi’s los te krijgen. Het wordt in elk geval geprobeerd.

De volgende dag, 25 februari, lopen mensen op straat te hoop: er is een algemene staking uitgebroken tegen de Jodenvervolging. Ik haast mij naar de schoenmakerij van vader om het hem te vertellen. Hij aarzelt geen ogenblik, zegt tegen Maurits en mij dat er vandaag niet wordt gewerkt, trekt zijn jas aan, en doet het houten luik voor de buitendeur van de winkel om aan te geven dat de zaak gesloten is. Met Evert, een lid van onze groep, gaan wij langs bedrijven waar nog gewerkt wordt om te vertellen van de staking. En wij hollen en juichen mee met de menigte die zich door de stad beweegt. Ik durf nog niet thuis te slapen, en ga ’s avonds naar oom Piet en tante Riek in de Pastelstraat, het adres waar Beps moeder altijd slaapt als zij in Amsterdam is.

Daar tref ik Henk Sneevliet, Ab Menist en andere bestuurders van het Derde Front. Verlegen zeg ik ze goededag. Hoe vaak heb ik ze niet bekritiseerd, en hoe armzalig is de activiteit van onze eigen groep niet tegenover de hunne. In Spartacus van begin maart lees ik: ‘Het woord van het Derde Front is in de laatste weken op directe wijze tot de arbeiders gesproken. Parolen zijn uitgegeven.’
En trots wordt eraan toegevoegd: ‘Wij hebben tot taak, ons te beperken tot een zo beknopt mogelijk overzicht der gebeurtenissen. Onnodig te vermelden, dat dit zeer onvolledig zal zijn en ten dele ook moet zijn. Indien wij b.v. zouden vermelden hoe, waar en op welke wijze de actie is ontstaan, zouden extra-maatregelen voor de ‘bacildragers van het verzet’ wellicht niet uitblijven.’

Weer meld ik mij voor de psychoanalyse, om tot mijn grote blijdschap dokter De Widt te treffen. Zijn gezicht vertoont rode vlekken, maar hij is helemaal in orde. Toen hij door de Grüne Polizei werd aangehouden, heeft hij op de vraag of hij Jude was, met ja geantwoord.
Hij begrijpt het nog steeds niet, en zou zijn leven lang geanalyseerd moeten worden om daarachter te komen. Maar hij wil er verder niet over spreken. Ja, dokter De Widt is net zo goed in analyse als ik. In ‘leeranalyse’ noemt hij het, bij dokter Landauer, een beroemd Duits psychiater die naar Nederland is gevlucht toen Hitler aan de macht kwam.

De februaristaking heeft mij een heleboel geleerd. Het is mooi om je principieel voor de Vierde Internationale uit te spreken, maar wat koop je ervoor als je groep nauwelijks actief is ?
Daarom besluiten Wil en ik, samen met een aantal andere leden, en met Herman Peters uit Rotterdam, ons aan te sluiten bij het Derde Front van oom Henk.

Ik vertel het aan de moeder van Bep. Nog geen week later komt Henk Sneevliet naar Amsterdam, speciaal om er met mij over te spreken. Hij was altijd blij met de stukjes die ik voor de Nieuwe Fakkel van de RSAP schreef, nu vraagt hij om mijn medewerking aan Spartacus.
Een formele beslissing over onze aansluiting zal het bestuur moeten nemen. Daar horen we nog van.”

bron:
“B van Bemazzel” Sal Santen 1989