frits mannheimer

mannheimerFritz Mannheimer werd op 19 september 1890 in Stuttgart geboren. Hij overleed in Vaucresson, Frankrijk, op 9 augustus 1939 aan een hartaanval. Op 8 juli 1936 werd hij genaturaliseerd tot Nederlander en hij huwde 8 weken voor zijn dood op 1 juni 1939 met Marie Annette Reiss (geboren in 1917, overleden als Jane Engelhard op 29 februari 2004. Uit dit huwelijk werd 1 dochter geboren, Anne France Mannheimer. Zij noemt zich nu Annette de la Renta, naar de tweede echtgenoot, Oscar de la Renta.

Fritz Mannheimer kwam naar Amsterdam in 1916, toen hij door het Berlijnse bankiershuis Mendelssohn & Co en de Deutsche Reichsbank gestuurd werd om internationale valuta en effectentransacties te verrichten. Hij richtte, samen met de Nederlandsche Handelsmaatschappij en Pierson & Co, een Amsterdamse vestiging op in 1920. Mannheimer kreeg de leiding over dit filiaal, een van de grootste particuliere banken in die tijd.
De bank Mendelssohn was voor Duitsland zeer belangrijk, zo was het Tredefinakrediet een zeer groot krediet van Nederland voor het door de crisis geplaagde Duitsland.
Mannheimer had een perfect instinct voor deze handel en zorgde dat deze bank succesvol werd.
Op het persoonlijke vlak had hij mensen die hem mochten en mensen die hem verafschuwden. Zijn prestaties, charme en flair pleitten voor hem, maar zijn geringe aandacht voor sociale omgangsvormen en zijn corpulente uiterlijk, samen met zijn protserige levensstijl en uiterlijk vertoon, zorgde ervoor dat hij ook felle tegenstanders had. Zo legde hij vanaf 1921 op kosten van de bank een enorme kunstverzameling aan. Hij maakte dit voor een kleine groep belangstellenden openbaar, waardoor hij de weeldebelasting kon omzeilen. Zijn kunstverzameling was te zien in zijn huis op de Hobbemastraat 20, dat in die jaren de bijnaam “villa Protzki” kreeg.
In 1934 was de schuld bij de bank door het aankopen van deze kunstverzameling behoorlijk opgelopen. Hij zorgde voor een bijzondere constructie waarbij hij Artistic and General Securities Company Limited oprichtte. Deze organisatie werd volledig eigenaar van de verzameling, en de organisatie gaf de verzameling in bruikleen aan Mannheimer. De afspraak was dat Mannheimer zou stoppen met de aanschaf van kunst, maar dat deed hij niet. In 1939 was de schuld opgelopen tot 13 miljoen gulden. De collectie Mannheimer werd via de Dienststelle Mühlmann in 1941 door Hitler gekocht. In 1945 kwam de collectie na het Akkoord van Potsdam terug naar Nederland en sinds 1952 kwam de collectie in het Rijksmuseum. Het Rijksmuseum bezit nog de helft van de collectie, de andere helft in in 1952 verkocht.
Toch had Mannheimer ook een sociale kant. Hij was lid van het erecomité “Buitengewone steunactie voor De Joodsche Invalide” in 1937, bestuurslid van Keren HaJesod, bestuurslid van het Joods Wees- en Doorgangshuis in Leiden. Daarnaast was hij Officier in de Orde van Oranje Nassau.

In 1936 liet hij zich tot Nederlander naturaliseren. Dit ging niet zonder slag of stoot, toen in 1935 het wetsontwerp werd ingediend begon de rechts-radicale pers een hetze waarin, gebruikmakend van stereotypen die Mannheimer afschilderden als geldjood, ervoor gestreden werd om hem geen Nederlands staatsburgerschap te verlenen. Zijn levensstijl was in deze olie op het vuur, niet alleen zijn huis (Villa Protzki) maar ook het feit dat hij zich per Rolls Royce liet vervoeren.
In 1938, na de Reichskristallnacht, werd door de nazi-regering Mendelssohn & Co Berlijn gesloten (vanwege het Joodse karakter). Mendelssohn Nederland raakte onmiddellijk in een liquiditeitscrisis. Mannheimer wist dat de bank niet te redden was en reisde op 8 augustus naar Vaucresson waar hij een buitenhuis had. De dag erna overleed hij aan een hartinfarct.

Verder lezen:
over de kunstcollectie

bron:
wikipedia.
www.inghist.nl

laatst bijgewerkt:
11 april 2017