gebouwen > lloydhotel - vluchtelingen - Hannelore Grünberg-Klein
Hannelore Grünberg-Klein is nog een meisje als ze met haar vader en moeder in zomer 1939 uit Duitsland vlucht. Ze had een plaats weten te bemachtigen op de St Louis, een passagiersschip van de rederij Hapag, die met duizend Joden naar Cuba zou gaan. In Cuba werden de vluchtelingen niet toegelaten. Na weken zwerven op zee en ijdele pogingen om in Amerika toegelaten te worden, komt zij met nog zeventig andere vluchtelingen in het Lloyd Hotel terecht. Ze woont daar enkele maanden. Twee maanden na het uitbreken van de oorlog worden zij en haar familie overgeplaatst naar kamp Westerbork.

"Mijn ouders hadden te lang gewacht. Het was het laatste moment waarop wij Joden Duitsland legaal konden verlaten. Er was überhaupt geen land meer dat Joden wilde opnemen. Cuba nam nog mensen op, maar mijn ouders wisten dat dat land verschrikkelijk corrupt was, de regeringen volgden elkaar in rap tempo op. Onze visa werden niet erkend. De kapitein begreep wel dat als we teruggingen naar Duitsland, we meteen in de concentratiekampen terecht zouden komen. Hij onderhandelde met een delegatie van de passagiers over andere bestemmingen. Amerika wilde ons niet hebben. Na een week onderhandelen en telegraferen werd duidelijk dat we - opgesplitst - naar Engeland, Frankrijk, België en Nederland konden. Mijn vader had een zus in Nederland wonen die, door de werkeloosheid getroffen, met haar gezin amper kon leven. Op 18 juni kwamen we aan bij Quarantainegebouw op Heyplaat in de haven van Rotterdam. Wij werden daar als legale asielmensen in barakken achter slot en grendel gezet. De uitnodiging van Koningin Wilhelmina en met een oranje welkomstbloem op onze revers gespeld, nota bene. We wisten niet dat we onze vrijheid voor de komende zes jaar kwijt zouden zijn en dat de meesten van ons de vrijheid nooit meer zouden beleven. Een deel van de passagiers, onder wie mijn ouders en ik, kwam in de tweede helft juli 1939 naar het Lloyd hotel. De rest ging naar de Zeeburgerdijk. We kwamen het Lloyd binnen via de ingang aan de zijkant, tegenover het Ontsmettingsgebouw. Links was een klein winkeltje en rechts zat de conciërge. We werden meteen naar onze kamer gebracht. Wij, de mensen van de St Louis, kregen de zaal toegewezen aan het einde van de lange gang, op de tweede verdieping aan de westkant. De zaal was ingedeeld in verschillende kamertjes maar ik noem het hokken. De onze lag als je de zaal binnenkwam linksaf, de voorlaatste.
Ze waren ongeveer acht vierkant meter, waar langs iedere wand precies een bed paste. in het midden kon je je nog net verroeren. Van de andere hokken in die zal hoorde je alles, want er waren geen plafonds. Naast die zaal waren een washok en wc's, douches waren er niet.

Onze entree in het Lloyd Hotel stond niet in het teken van een gelukkig gesternte. Mijn moeder hielp in de keuken waar de broodmaaltijden werden bereid. Er stond een, voor die tijd vrij moderne, elektrische broodsnijmachine. Mijn moeder had al in de eerste dagen het grote ongeluk om het haar hand in die broodsnijmachine te komen. Een meegevluchte arts en verpleegster hadden een dokterskamer op de eerste verdieping, ze verleenden eerste hulp. Haar hand genas, maar ze had wel een geweldige shock gehad. Ze was net zo wezenloos als jaren later toen papa op transport naar Auschwitz ging.
Kort daarna kreeg ik ook een ongeluk. Ik wilde een van de hoge schuiframen openschuiven, dat moest een van de glas-in-loodramen in het trapportaal zijn geweest. Zulk soort ramen had ik in Duitsland nog nooit gezien. We hadden er een wijds uitzicht tot aan de Zuiderzee, over het water met vracht- en passagiersschepen die voorbijgingen.

Ik was een luchthongerig meisje. Zo klein als ik was dacht ik: Ik moet dat raam toch open kunnen krijgen, maar ik wist niet hoe. En dat hele raam viel op mijn hand die tot moes gekneusd werd. Ik werd in de dokterskamer behandeld en moest in een nat stretchverband lopen. Na weken genas ook dat.
Maar mijn herinnering aan ons verblijf in het Lloyd is zeker niet tragisch en dat geldt voor alle kinderen die ik in het Lloyd Hotel kende: Max en Alex Gruber, Martin en Judith Mendel, Suzy Levenbach, Bety Kubashka en Renate Weitmann. Mijn vriendje Alex Gruber en ik konden urenlang spelen in de leegstaande treinen op het rangeerterrein achter het Lloyd. Het maakte totaal geen nare indruk op ons, gelukkig maar. Kinderen werden overal buiten gehouden om ze te beschermen."
 
© en website: bmwd / disclaimer