hennie roos – ik heb de vrijheid van het leven het allerliefst

swaanhennyde
Henny de Swaan – Roos

door Joost Divendal (Heemstede, 9 april 1955 – Amsterdam, 21 mei 2010).

„Ik sta voor gelijkheid van alle mensen en ben wars van elke onderdrukking. Misschien komt dat wel door de invloed van mijn vader, de ervaringen in de oorlog en de sfeer van de Vrije Katheder.” Onlangs werd ze 75 jaar. ledere week geeft ze cursussen aan vrouwen. Ze is actief in Wij Vrouwen Eisen, stond aan het begin van Dolle Mina. We gaan terug naar haar jeugd, de oorlog, naar Meik de Swaan, die directeur van de Vrije Katheder werd; naar het idealisme en de teleurstellingen in de jaren vijftig, de Vietnambeweging, Provo en de vrouwenbeweging. En wat altijd is gebleven: de vriendenkring.

„Ik was zes jaar. Mijn oom en tante hadden een manifacturenwinkel. Mijn vader en ik stapten binnen en zagen op de trap een jongen van mijn leeftijd staan. Hij gooide een paar schoenen naar beneden en riep tegen het dienstmeisje: „Poets ze!” Mijn vader zei onmiddellijk: „Hoor eens, als jij zo graag je schoenen gepoetst wilt hebben, moet je het vragen en anders moet je het maar zelf doen.” Veel later is dit in mijn herinnering teruggekomen. Ik heb eruit begrepen dat dat zijn levensinstelling was: een ontzaglijk gevoel voor menswaardigheid, en dat trachtte hij op zijn kinderen over te brengen. Hij kon absoluut niet tegen onrechtvaardigheid. Direct na de Duitse bezetting kreeg mijn broer een kind. Mijn vader kon de aanblik van die baby en het geluid van de vliegtuigen die overgingen niet verdragen, werd ziek. Hij vluchtte in zijn ziekte, het was goed dat hij dood ging: als jood te moeten onderduiken of erger nog, naar Westerbork te worden gestuurd, had hij niet kunnen verwerken.”

In de leer

Henny Roos is geboren in Coevorden, vlakbij de Duitse grens. Haar moeder verzorgde drie kinderen, deed het huishouden en was de presidente van de plaatselijke Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht. Haar vader was overtuigd sociaal-democraat. Hij had een broekenfabriekje en fietste als een marskramer de boerderijen af. In de Eerste Wereldoorlog ging hij failliet. „Al zijn geld had hij in marken belegd en dat was niets meer waard, die werden op de muur geplakt als onderbehang. In 1924 verhuisden we naar Amsterdam: een oom had een firma in gordijnstoffen en bood mijn vader buitenlandse agenturen aan. Hij hoorde over een zaak in leesportefeuilles die ter overname werd aangeboden, hielp mijn moeder aan geld en zij werd directrice. Ik vond dat ontzettend knap van haar, een vrouw met geringe ontwikkeling zonder een opleiding, die deze verlopen zaak in korte tijd weer opbouwde. Ik zat op de HBS en was een goede leerling, maar toen ik in Amsterdam kwam en de mensen het onder andere over radio en film hadden, voelde ik mezelf stom en buitengesloten. Ik praatte Coevordens, met die „n” zo achter ieder werkwoord. Een vriendin leerde mij Hollands praten. Ik voelde me niet op m’n gemak, werd op school lastig gevonden en ben er na één jaar van af gegaan, „want,” zei de directeur, „Hendrina verstaat de kunst zich in zo kort mogelijke tijd zo gehaat mogelijk te maken.” Lacht: „Dat vergeet ik nooit, dat past helemaal niet bij mij, toen ook niet. Ik ging in de leer bij een boekhandel in Arnhem. Kwam op mijn zestiende in de zaak van mijn moeder. Ik vond het wel moeilijk, je bent toch de dochter van de directrice, terwijl sommige mensen er al vijftien of twintig jaar werkten. Maar ik kon prima met ze opschieten.” Ze bleef werken tot in januari 1942, toen haar eerste kind geboren werd. In 1939 had ze Meik de Swaan leren kennen, net als zijzelf goed bevriend met Lou de Jong, met wie ze op pad was toen ze Meik tegen het lijf liepen: „Het sloeg meteen aan.” Vanaf die avond bleven ze bij elkaar. „Na een jaar trouwden we. We hebben een choppe gehad, een joodse bruiloft, mijn schoonmoeder wilde dat zo graag. Meik moest er niets van hebben. Ik durfde hem op de bruiloft nauwelijks aan te raken, uit angst dat hij uit de synagoge zou lopen.”

Code

In de meidagen van 1940 probeerden ze te vluchten, via IJmuiden. „We liepen daar met Lou de Jong en zijn vrouw. Meijer Sluijser reed ons achterop en riep: „Kom er bij, jullie kunnen nog mee!” Meik en ik stonden op de brede treeplank van die auto, totdat Meik zei: „Ik houd het niet.” Toen zijn we er af gesprongen. We liepen verder maar er stond een soldaat die ons tegenhield omdat we de code niet kenden.”
Zomer 1942. „We moesten onderduiken. Een kind meenemen was onmogelijk, we zochten een adres voor hem. Een vriendin had een kindertehuis en wilde hem nemen, een pak van mijn hart. We woonden in de Ruyschstraat op de hoek van de Weesperzijde, en toen ik uit het raam mijn vriendin met de kinderwagen, waarin ons kind, zag gaan, had ik het niet meer. Vreselijk. Ik kan er bijna nog niet over praten of ik begin te huilen, zo verschrikkelijk heb ik dat gevonden. Het was kiezen of delen, je had geen keuze, je moest, je moest.”

Ze doken onder in Oldenzaal. De man bij wie ze woonden hoorde door connecties met de politie dat er de volgende dag een razzia zou zijn. „Achter hem woonde een pastoor bij wie we terecht konden als er iets mis was, maar toen het erop aankwam gaf die niet thuis. Er was een ander adres, dat ons vijfduizend gulden zou kosten, maar Meik zei zonder aarzelen: „Als iemand ons voor vijfduizend opneemt, verraadt hij ons ook voor vijfduizend.”

Het werd een kamer boven een schoenwinkel. Als je met je voeten schuifelde, vroegen de klanten beneden: „Hebben jullie muizen?” We mochten ons niet verroeren. Dan moet je iemand als Meik kennen, die ontzettend beweeglijk is, die altijd loopt…”

Ze gingen terug naar Amsterdam, naar goede vrienden, de ontwerper Dick Elffers en de fotografe Emmy Andriessen. Daar troffen ze Joop van Santen die ze al kenden. Hij had plaats in een huis dat op zijn naam stond, waar al andere vrienden van hen zaten. Ze woonden met z’n zessen in een achterhuis, waar je via een kast in een kamertje kon komen als er gebeld werd, je bord of andere spullen nam je met je mee zodat er geen spoor te zien was. „Meik luisterde in de schuilplaats naar de radio en maakte een overzicht van het oorlogsgebeuren. Dat speelde Joop dan door naar iemand van de illegale Vrije Katheder.”

Het betekende het eerste contact met dit verzetsblad van intellectuelen, dat na de oorlog zou uitgroeien tot een podium voor communisten en niet-communisten. Rond dit blad en in bredere kring vormde zich een vriendengroep met een intens onderling contact. „De gebondenheid die we met elkaar hadden en hebben komt mede door de oorlog, je zat voortdurend in doodsangst voor elkaar en deed wat je kon om er samen levend uit te komen. Toen het gelukt was hebben we op de Dam gedanst. We waren heel erg ongerust over hen die niet terug zouden komen uit de kampen, we wisten nog niet wie het overleefd had. Het verdriet geeft een grote verbondenheid, maar het plezier ook. We hebben in de eerste jaren na de oorlog feestgevierd, gedanst bij het leven, gingen naar buiten, de zee en de zon … En ik wilde een tweede kind, ik wilde beleven wat het was om een kind te krijgen in vrijheid, er mee om te gaan zoals ik zelf wilde. Ik wilde ook dat ons eerste kind er van zou méé genieten. Hij moest zijn ouders weer leren kennen, na bijna drie jaar onderduiken. Ik wilde veel aandacht aan hem besteden, om de aanpassing voor hem zo gemakkelijk mogelijk te maken.”

Inzicht

Meik de Swaan en zijn broers handelden in jute: de firma De Swaan- Bonnist. Zijn hart ging uit naar alles wat met politiek te maken had. Zijn zakelijk inzicht kwam als geroepen, toen de Vrije Katheder een bovengronds bestaan ging leiden. Meik werd directeur en tevens lid van de redactie, waarin onder andere communisten als Joop van Santen en Theun de Vries zaten, naast niet-CPN-leden als Arie de Froe, Lucas van der Land, Willy Pos, Annie Romein-Verschoor en Henry Wiessing. Dick Elffers verzorgde de lay-out. „Haast iedereen die we kenden sloot zich aan bij de „Vrienden van De Waarheid”, wat spoedig weer de CPN zou worden. Voor zover ik me herinner was Meik nooit officieel lid van de CPN, hij sympathiseerde er sterk mee. Zelf voelde ik me eraan verwant, maar ik ben nooit lid geworden.

We wisten dat het nooit meer zou mogen gebeuren, de onderdrukking zoals in de oorlogsjaren. Ik sta voor gelijkheid van alle mensen en ben wars van elke onderdrukking. Misschien komt dat wel door de invloed van mijn vader, de ervaringen in de oorlog en de sfeer van de Vrije Katheder.”

De Kring

De CPN oefende druk uit op de rek in het politieke debat dat in de Vrije Katheder werd gevoerd, over Oost en West, knelpunten bij linkse samenwerking, de verhouding tussen intellectuelen en arbeidersbeweging. Angst om door intellectuelen overvleugeld te worden en angst voor concurrentie voor het eigen blad Politiek & Cultuur deden de partijleiding dwarsliggen. „De redactie was emotioneel zo nauw verbonden met de CPN, dat de inhoud van de Vrije Katheder altijd werd voorgelegd aan een van de bestuursleden van de partij. Er was toen geen soepelheid in de CPN. De verwantschap van de mensen van de Vrije Katheder met de idealen die de CPN beoogde was zo groot dat zij geen tijdschrift wilden laten verschijnen waardoor verwante groeperingen elkaar zouden bestrijden. De avond dat het gebeurde vergeet ik nooit. We kwamen in die tijd veel op De Kring, zaten daar te wachten op Meik die als afgevaardigde van de redactie naar ik meen Harry Verhey was gegaan. Hij kwam terug met zó’n gezicht: „Hoe erg ik het ook vind, we stoppen.” Dit was van te voren in de redactie doorgesproken, maar desondanks waren we dieptreurig.” In 1950 verscheen de Vrije Katheder voor het laatst. De verschillende verklaringen nadien van communisten respectievelijk niet-communisten binnen de redactie stonden voortzetting van de vriendschap niet in de weg. De redactie kwam nog regelmatig bijeen, totdat drie jaar later ook daar een einde aan zou komen.

De vriendenkring bleef bestaan. „De één was hierbij betrokken, de ander daarbij, ik kookte vrijwel elke zondagavond voor een aantal mensen, dat was vanzelfsprekend: we gaan bij Henny eten. De uren waarin over politiek werd gepraat tot diep in de nacht zijn niet te tellen. We waren betrokken bij alles. Meik was een man die heel geëmotioneerd kon zijn en trilde dan van de zenuwen. De oorlog en onze diepe, diepe teleurstelling daarna kwamen op zon moment naar boven.” Vooral de berichten over de Sowjet- Unie kwamen hard aan. „Die hele affaire van Stalin wilde je in het begin niet geloven, je idealisme kreeg een oplazer. Je kon het niet geloven, dat né de oorlog, met zoveel ellende en zoveel angst…” Langzaam: „Die angst is een angst voor gevoel van lijfsbehoud, van leven of dood, dicht bij je eigen lijf, de kans om zelf gepakt te worden, dat gaat diep in je wezen… Ik heb de vrijheid van het leven het allerliefst. Ik vind dat je daar recht op hebt. Als dat niet zo is, is je leven bedreigd, vanaf dat je opstaat tot je gaat slapen en in je slaap. Dat is ook onder Stalin gebeurd en dat is afgrijselijk.”

Troost

Meik de Swaan liep nog altijd met plannen rond om een soortgelijk blad als de Vrije Katheder in het leven te roepen. Hij wilde er met Lucas van der Land aan gaan werken, Bert Bakker zou het uitgeven. „Meik is een hele gespleten man. Aan de ene kant is hij zakenman, aan de andere kant intellectueel. Hij las elke letter die gedrukt was, was uitstekend op de hoogte van de politiek. Hij ging voor De Swaan-Bonnist naar de Leipziger Messe en toen hij terug kwam, zei hij dat het hele zaken doen hem de keel uithing. Dat had hij af en toe, dat is dat tweedelige in hem. Ik zei: „Je wilt toch zo graag dat tijdschrift, dan ga je je toch daar op toeleggen, dan ga je maar uit De Swaan-Bonnist. Het is belangrijker dat je iets doet wat je fijn vindt, het geld dat komt wel terecht. De volgende dag vertrok hij per vliegtuig en verongelukte.” Bij de begrafenis van Lucas van der Land vorige maand heb ik gememoreerd dat het moment dat Meik overleed voor mij en de kinderen vreselijk was, maar ook voor Lucas, omdat Meik de trouwste vriend in zijn leven was. De dood van Meik was een drama voor onszelf en alle mensen om me heen. De vrienden zochten troost bij mij en de kinderen en bij elkaar. Ze bleven bij ons komen. Mede daardoor is het gelukt een vrouw te worden die niet het slachtoffer van haar verdriet werd.” Het was belangrijk in die jaren, dat het leven in het huis aan de Keizersgracht beïnvloed werd door een komen en gaan van musici. De hoboïst Han de Vries was al jarenlang de pleegzoon. Ook de pianist Reinbert de Leeuw zocht een dak boven zijn hoofd en trok met zijn vleugel in de kelder.

Thuis

Begin ’60 schonk de regering een ton aan het Aid Fund voor Zuid-Afrika. Renate Rubinstein en Aad Nuis organiseerden een kunstveiling om een extra ton rond te krijgen en vroegen haar medewerking. „Dat is een karwei van maanden geweest. De veiling in het Stedelijk was een succes, we haalden meer dan de ton erop.” Niet veel later kwamen er steeds meer ellendige berichten over de oorlog in Vietnam. „Ik liep op een avond in huis rond en besloot iets te gaan ondernemen. De volgende dag las ik in de krant dat Piet Nak een oproep deed voor een comité, ik heb hem meteen gebeld.” Daarna werd ook het Medisch Comité Nederland-Vietnam opgericht, „een van de betrouwbaarste organisaties die er bestaan.” Vanaf het begin was ze erbij betrokken, steunt nog steeds, ook nu Vietnam in een strijd in Cambodja verwikkeld is, „om te voorkomen dat de Rode Khmer opnieuw de bevolking uitroeit.” De Vietnamese onderhandelaars destijds in Parijs hebben nog een paar dagen in haar huis gelogeerd, „die vonden het heerlijk om hier te eten, aan het ontbijt met elkaar te praten. Ze hadden het gevoel thuis te zijn.” De Vietnambeweging, waarin ook vrienden actief waren, was niet zozeer een democratiseringsbeweging, maar „puur verzet tegen onderdrukking van het Vietnamese volk door het grootkapitaal in de wereld, de Amerikanen voorop.”

Spui

Provo, dat was een soort revolutie, daar wilde ik deel van zijn, ik wilde zien wat er gebeurde. Ruzie maken met politieagenten die een hond op je afsturen…” Vrolijk: „Ik zie me nog een keer hand in hand met Eddie Hoornik over het Spui hollen! En dan de bezetting van het Maagdenhuis. Ik stond de halve dag op het Spui, terwijl mijn zoon en dochter binnen zaten. Mies Bouhuys en ik verzamelden geld om eten en spullen voor de mensen in het Maagdenhuis te kopen. Uit de Maagdenhuisbezetting is Dolle Mina min of meer ontstaan. De vrouwen die wel deelnamen aan de vergaderingen maar niet de onderhandelingen met de autoriteiten voerden, besloten na de bezetting dat er iets gedaan moest worden aan het zelfvertrouwen van de vrouw. Ik las over de ludieke acties van Dolle Mina en ging er op af. Het was een fantastische tijd. Ik deed aan alles mee. Na enige acties kwamen we in de aula van de universiteit bijeen. Hier bespraken we de onderwerpen waar we concreet zouden aan wilden gaan werken. De groep die zich met de strijd voor abortus ging bezighouden, bestond uit ongeveer twintig vrouwen. Eén vertelde over een gynaecologencongres. We besloten er naar toe gaan. Toen zei een andere vrouw: „We moeten duidelijk maken dat we vechten voor baas in eigen buik. En toen zei wéér een ander: dat schrijven we op onze buik.” Enthousiast: „Zo ging het altijd in Dolle Mina, ik heb dat nooit meer zo meegemaakt, iemand kreeg een idee en dat werd metéén opgepakt. Ik ging ook, maar ontblootte niet mijn buik: ik doe aan alles mee, maar nooit aan iets waardoor ik me in mijn eigen ogen, niet in die van anderen, belachelijk maak.” Ze vertelt over de abortuspraktijk van toen, „alleen met geld was abortus te doen.” Abortus was verboden en strafbaar, zowel voor de vrouw die het onderging als voor de arts die het uitvoerde. „In de oorlog had ik abortus van nabij meegemaakt, toevallig niet van mezelf maar van andere vrouwen om me heen. Het is de grootste onvrijheid van een vrouw om niet zelf te beslissen over het wel of niet krijgen van een kind. Zoals Dolle Mina zei: „Een ongewenst kind is een kind van de rekening.” Ze vertelt detail voor detail over de eerste chartervlucht van de NVSH naar Engeland waar abortus vrij was, over de begeleiding door haarzelf en anderen van vrouwen in de Oosterparkkliniek van dokter Wong, de veranderingen in het denken van de medische staf van het WG, de juridische navorsingen van professor Enschedé. „We publiceerden „Dolle Mina klaagt aan”. In dit boekje vertellen vrouwen over haar onmenselijke ervaringen met het vinden van iemand die bereid was haar ongewenste zwangerschap af te breken. Ook nu nog kan ik het boekje niet zonder tranen lezen. Had ik je maar gekend, dacht ik steeds, dan had ik je in huis genomen en had je het niet alleen hoeven te beleven…” Ze is nog steeds actief in Wij Vrouwen Eisen. De verloren strijd tot twee keer toe in het parlement „maakte ons razend. Ik heb nu wel hoop dat de Ziekenfondsraad besluit ook abortus in de klinieken te vergoeden.” We hebben het over het Vrouwenhuis, waar ze zich van het begin af aan voor inzette, evenals voor de VOScursussen, „Vrouwen Oriënteren zich op de Samenleving”. Al weer heel wat jaren geeft ze zelf VOS-cursussen, thans twee keer per week. Over de ideologie van deze regering, met het huwelijk als hoeksteen van de samenleving, is ze kort. „We moeten er ons met hand en tand tegen verzetten, duidelijk maken dat we op ons qui-vive zijn. Ik zou het jammer vinden als de vrouwenbeweging daarvan het slachtoffer werd, zich haar verworven rechten liet ontnemen. Maar ik ben er niet echt bang voor. Ik heb bewondering voor wat vrouwen nu aan de kaak stellen, zoals het verzet tegen seksueel geweld, tégen de betutteling van bijstandsvrouwen om een vriend te ontvangen.”

Oud en nieuw

„We hebben wel veel over de oorlog gepraat, maar ik leef nu.” Rustig: „Ik wil geen boek lezen over de oorlog, wil me er niet in verdiepen, wil geen wonden openrijten die ik denk gedicht te hebben. Ik wil nu leven met alles wat er is. Er gebeurt al meer dan genoeg wat je beangstigt, wat je beroert en tot huilens toe verontwaardigt.” Wat uit de oorlog is overgebleven, dat is de vriendenkring. „Het begon in de nacht van oud op nieuw van 40-’41, toen je van de Duitsers na twaalven nog even op straat mocht. Wij waren bij Emmy Andriesse en Dick Elffers uitgenodigd, kwamen bij hen binnen en zagen een heleboel mensen. God, dacht ik, nou moet ik hier tot vier uur blijven, eerder mochten we niet over straat. Maar de volgende ochtend om acht uur was ik er nog en ik ben er eigenlijk nooit meer weggegaan.”

bron en illustratie:
“Oud en nieuw”. “De waarheid“. Amsterdam, 24-12-1984. Geraadpleegd op Delpher op 24-09-2016, http://resolver.kb.nl/resolve?urn=ddd:010378801:mpeg21:a0143

geplaatst:
23 september 2016