herinneringen Frouke Dal – Abrahams

Joodse school en badhuis in de Kerkstraat. Vierde pand van links

Visventer Gerrit Abrahams en zijn vrouw Betje Wolf hadden twee dochters, Judith (1914) en Frouke (Monnickendam, 2 april 1917). Tot en met de vierde klas ging Frouke naar de openbare lagere school in Monnickendam. In de Kerkstraat was naast de mikwe (badhuis) weliswaar een Joods schooltje maar het aantal kinderen op deze school liep steeds verder terug. Dat kwam omdat veel Joodse inwoners, vanwege de crisis in de dertiger jaren, uit Monnickendam vertrokken en meestal naar Amsterdam gingen.
Toen er nog maar vier kinderen over waren werd het schooltje gesloten en kwam meneer De la Ville op woensdagmiddag les geven in de openbare lagere school. En toen er uiteindelijk nog maar twee kinderen over waren ‘moesten we elke woensdagmiddag en zondagmorgen naar Amsterdam-Noord, naar een oud Joods schooltje, waar we Joodse les kregen‘, aldus Frouke.
Vanaf de vijfde klas ging Frouke naar de Joodse lagere school ‘Kennis en Godsvrucht’ op de Tweede Boerhaavestraat 7 in Amsterdam. ‘Je keek op een brouwerij en er hing een nare bierlucht‘. De volgende stap was de Joodse MULO. Dagelijks met de bus naar Amsterdam en terug.

Gemene streek
De busreis. Elke donderdagochtend ging Hermanus Leuw, de vader van Emanuel Leuw, met een korf kippen naar Rapenburg. Een deel van Amsterdam met een Joods karakter, vanwege onder andere een synagoge en een Portugees-Israëlitisch Ziekenhuis. Op Rapenburg liet hij zijn kippen koosjer slachten. Voor het vervoer koos hij de schoolbus. Omdat de heer Leuw nogal corpulent was, had hij een hele bank nodig. Bovendien zette hij zijn mand met kippen altijd zo neer dat iedereen erover viel. De jongelui wilden hem afleren om met de schoolbus te reizen. Op een dag hadden ze de sluiting van de mand losgemaakt, waardoor bij een bocht alle kippen eruit vlogen. Een gemene streek, maar het doel was bereikt. Hermanus Leuw is daarna nooit meer met de schoolbus naar Amsterdam gegaan.

Pianoles
Net zoals haar zus Judith kreeg ook Frouke pianoles. ‘Dat pianospelen is mij nooit gelukt, ondanks dat er thuis op gelet werd dat ik mijn uren achter de piano vol maakte‘, zei ze later.

Onderwijzeres
Frouke werd onderwijzeres. In 1935 maakte ze deel uit van het onderwijzend personeel van de Jan Nieuwenhuizen Bewaarschool, destijds gevestigd aan het Noordeinde 13. Een school, ontstaan in de jaren 80 van de 19e eeuw en genoemd naar een Doopsgezinde predikant en oprichter van de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen, Ds. Jan Nieuwenhuijzen (1724 – 1806).

Echtpaar Dal – Abrahams

Huwelijk met Joop Dal
Frouke werd verliefd op een niet-Joodse man. Dat kon eigenlijk niet in die tijd, zeker niet in haar familie. Haar ouders waren heel gelovig en als Joods meisje hoorde je te trouwen met een Joodse man. Zus Judith had al twee jaar eerder het goede voorbeeld gegeven. Maar Frouke zette door en het rabbinaat gaf toestemming voor het huwelijk.
Frouke was achttien jaar toen ze midden in de crisisjaren, op donderdag 20 februari 1936 in Monnickendam trouwde met de machinebankwerker Joseph Leendert Dal, geboren in Edam op 13 december 1914.
In april 1933 behaalde hij het einddiploma van de ambachtsschool in Edam, waarna hij in 1934 zijn militaire dienst moest vervullen. Als gezegd, Joop was niet van Joodse afkomst. Zijn moeder was Hervormd, zijn vader was Remonstrants maar bij die kerk had zijn vader, met zijn zeven kinderen, zich na 1921 laten uitschrijven. De huwelijksakte vermeldt dat beide ouderparen toestemming gaven tot het huwelijk. Froukes zwager Samuel Roosnek, de man van zus Judith en ambtenaar ter secretarie Jan Conelis van den Berg uit Edam waren getuigen.

Edam
Het paar ging in Edam wonen, aan de Lingerzijde wijk 2 nummer 17. Daar werd op 6 oktober 1936 een zoon, Joseph (Joop) geboren, het eerste kleinkind van Gerrit Abrahams en Betje Wolf.
Economisch gezien was het een slechte tijd. Joop Dal, bankwerker van beroep, was werkeloos en het stel had nog maar net genoeg geld om van te leven. Vader en moeder Abrahams sprongen bij. Joop werd geleerd hoe hij aal moest schoonmaken. Vader Gerrit rookte die aal en daarna ging Joop, in een Volendammerpak, de markt op. Niet lang daarna ging Frouke mee, waarbij de baby bij moeder werd ondergebracht. Een fijne tijd waarin goed werd verdiend’, schreef ze later.
Dat venten met gerookte aal heeft niet erg lang geduurd, want Joop kreeg werk als monteur bij Fokker. Wekelijks, ook ’s winters, een vast loon van dfl. 25,65, wat een weelde. Maar er was oorlogsdreiging en vanwege de algemene mobilisatie op 28 augustus 1939 moest Joop weer in dienst. De verdedigers van ons land moesten worden voorbereid, stellingen verstevigden soldaten getraind. Hij kwam maar eens in de twee weken thuis.

Naar Monnickendam
Het jaar daarvoor, oktober 1938, was het gezinnetje naar Monnickendam verhuisd en ingeschreven op het adres Nieuwpoortslaan 10, een straat even buiten het oude stadsdeel in de Oranjewijk. Daar werd op woensdag 23 augustus 1939 dochter Bep geboren. Vader Dal – in uniform – deed zelf de aangifte. Frouke kreeg steun van haar ouders.
Na driekwart jaar, een paar weken voor de Duitse inval, kreeg de baby hoge koorts. Het was geen longontsteking, zoals eerst door de dokter werd gedacht, maar hersenvliesontsteking. Rond haar eerste verjaardag kwam men er achter dat het meisje doof was. Schrik alom. Met medische advies was: zo vlug mogelijk naar de dovenschool.

Amsterdam
Aldus gebeurde, waarvoor het gezin Dal in september 1941 naar Amsterdam verhuisde. Op de Muiderstraat 4a kregen ze een voor die tijd mooie flat met centrale verwarming en een douche. Wel lag de straat in de Jodenwijk, met alle beperkingen die daarbij hoorden. Maar vanaf hun huis was he maar vijf minuten lopen naar de dagschool voor dove leerlingen, waaraan een ‘voorschool’ voor kinderen vanaf drie jaar was verbonden.

Alle Joden naar Amsterdam
Op bevel van de Duitsers moesten alle Joden in de provincie naar Amsterdam verhuizen. Dat gold ook voor de ouders van Frouke. Op 18 december 1942 kregen ze onderdak in dezelfde flat waar hun dochter en schoonzoon woonden: Muiderstraat 4a, begane grond. Frouke, Joop en de twee kinderen woonden op de eerste verdieping. Een verdieping hoger woonde nog een familie, het gezin Andries Witmond. De vrouw van Andries, Berendje Wolf, was een zus van Froukes moeder Betje Wolf. De familie Witmond had eerst enkele maanden op de Sint Anthoniesbreestraat 63 gewoond.
Vader en moeder Abrahams hadden in Monnickendam alles achter moeten laten. Hun spullen werden door verhuisbedrijf Abraham Puls uit Amsterdam opgehaald en vervolgens met schepen naar Duitsland overgebracht. Over de inboedel lag een groot zeil met daarop de woorden ‘Liebesgaben aus Holland‘ Ja, ja.
Het leven in Amsterdam was bepaald niet gemakkelijk. Uit de huizen mocht geen enkel lichtstraaltje naar buiten schijnen. De Jodenster moest altijd worden gedragen en na acht uur was het verboden om op straat te zijn. Alleen Joop had een ‘Ausweis’ omdat hij in ploegendienst bij Fokker werkte, waardoor hij ook ’s avonds of ’s nachts over straat mocht. Wat ook telde: hij was niet van Joodse afkomst. Slechts een enkele, wat grotere winkel, was nog voor Joden toegankelijk. De mensen zaten feitelijk opgesloten in wat de Duitsers noemden, het ‘Judenviertel’, de Jodenwijk.

Razzia mei 1943
Na ongeveer een half jaar samen in hetzelfde huis te hebben gewoond, kwam op woensdag 26 mei 1943, rond zes uur ’s morgens, via een luidspreker op een grote overvalwagen de oproep dat alle joden, gepakt en wel, klaar moesten staan om te vertrekken. De wijk was hermetisch afgesloten. Er zouden die dag ongeveer 3000 mensen in de oude Jodenbuurt worden opgepakt, zo bleek later. De ouders van Frouke hadden kunnen onderduiken, maar haar vader zei: ‘Je ontloopt je lot niet en waarom zou je al die mensen bij wie je terecht komt in gevaar brengen?’
Vader Gerrit en moeder Betje werden meegenomen, de familie Witmond had zich verstopt en vader Joop Dal maakte de Duitse soldaten duidelijk dat ze niet joods waren. De Duitsers gingen weg, en daarna kwamen er Hollanders die het huis doorzochten. Deze verraders, vermoedelijk leden van de ‘Vrijwillige hulppolitie’, vonden vier mensen: het gezin Andries Witmond. En omdat Frouke Joods was moest zij ook mee. Dat ging niet zachtzinnig. Een schop onder de bips, zoals ze zelf later vertelde en snel; de trap af. Ze had echter niets bij zich. Daarom ging een soldaat met haar mee naar boven om dekens te halen. Frouke zag de bleke en verschrikte gezichten van haar man en zoon, maar die konden niets doen.

Op Transport
Ze werd naar het Jonas Daniël Meijerplein gebracht en moest daar urenlang staan wachten. Toen ze om vier uur haar dochtertje Bep uit school zag komen (de school was aan de overkant van het plein) kwam de vraag op: zal ik dat meisje ooit nog terug zien?
Op het plein stond een grote groep Joodse mannen, vrouwen en kinderen, zonder eten en drinken en te midden van ellende. Er waren vrouwen die op straat een miskraam kregen. Toen de duisternis inviel werd de groep Joden naar een rangeerplaats in Amsterdam-Oost gebracht. Daar stond een trein klaar die hen naar Westerbork zou brengen. In de trein heeft Gerrit Abrahams een briefgeschreven, met een verzoek aan de vinder ‘om de kaart te posten, bij voorbaat mijn dank’. Hij heeft de kaart vermoedelijk uit de trein gegooid en wonder boven wonder is de briefkaart gevonden en in Monnickendam bij de geadresseerde, boekhandelaar, later gemeenteontvanger Jan Mol (Monnickendam, 1891 – 1979), getrouwd met Guurtje Schut (Warder, 1894 – Monnickendam, 1976). De kaart heeft het poststempel van Zwolle.

‘26 mei. we zitten in de trein om de reis te aanvaarden, waarheen weten we niet. We zullen ons goed houden, wij zijn flink en gezin en zijn er van overtuigd dat God ons zal helpen. Geef al onze vrienden de groeten, ook aan dominee S (de Luthers predikant Th. Scharten). Bedankt voor alles, misschien kan u nu of later nog iets voor ons doen. Daag, we hopen tot wederziens. Heel veel goeds en liefs gewenst, Ger en Beth (Abrahams-Wolf)‘.

Westerbork
Aangekomen in Westerbork gaf Frouke bij de administratie aan, dat ze tot een gemengd huwelijk behoorde. Het betekende een stempel in haar persoonsbewijs, waardoor ze niet direct op transport werd gezet. Wel moest ze, net als alle anderen in dat kamp, uren in de rij staan en werd toen naar barak 59 gebracht. Door toeval kwam ze erachter dat haar ouders er naast, in barak 58 waren ondergebracht. Ze ging er naar toe en ja, daar waren ze. Moeder had eten voor Frouke bewaard. Tussen de bagage had ze geprobeerd het in een schaaltje warm te houden. Het was de lievelingsgroente van Frouke, raapjes. Na de gebeurtenissen in Westerbork heeft ze die nooit meer willen eten, zo vertelde ze later.
Een paar dagen later werden de namen opgenoemd van de mensen die op transport zouden gaan. Frouke was ‘gesperrt’ door haar Arische huwelijk, maar vader en moeder Abrahams werden wel genoemd.
Moeder was flink als altijd en strijdvaardig en vader dacht dat zijn geloof hem de kracht zou geven om dit te overleven. ‘We zijn nog niet oud kind, en we zijn gezond. We hopen terug te komen, wees goed voor je kinderen‘. Het waren de laatste woorden van haar moeder Betje.

Alleen
De beestenwagons stonden klaar. De bovenste planken waren eruit gehaald, zodat er nog wat lucht in kon. Een laatste hand in de hoogte als groet, terwijl de trein zich in beweging zette. Met het transport van 1 juni 1943 werden 3006 personen naar Sobibor vervoerd. Frouke zou haar ouders nooit meer terugzien. Toen ze terugliep naar haar barak 59 ontmoette ze drie bekende artiesten, de ‘Zwaapies’. Deze muzikanten wisten wie ze voor het laatst gezien had en zongen haar het lied toe ‘Aan de rand van de Zuiderzee’. Lief bedoeld om me er even uit te halen, maar ik klim op mijn birts, lig tweehoog, pak mijn kussen en bijt er in: ‘vooruit Frouk, we moeten door’.

Frouke mocht in Westerbork blijven omdat ze getrouwd was met een niet-Jood. Maar het verblijf in het kamp was erg zwaar. Ze werkte bij de afdeling transport. Dat was de reden dat ze haar eigen ouders op de trein had moeten zetten. Elke week vertrokken er 1600 Joden naar Polen. ‘Als de Duitsers mensen tekort kwamen dat pakten ze iedereen die hen voor de voeten liep. Dus was het zaak ervoor te zorgen dat je uit het zicht van deze moordenaars bleef‘, zou Frouke later vertellen.

Nog een briefje
Vanuit Westerbork, een paar dagen voor het vertrek naar Polen, schreef haar moeder Betje Abrahams – Wolf nog een kaart, die opnieuw in Monnickendam is bezorgd bij de eerder genoemde Jan Mol. De kaart draagt het poststempel Assen, 1.6.1943.

Westerbork 29 mei 1943. Vrijdag vier uur (moet een zaterdag geweest zijn). We zitten hier met ons drie, Gerrit, Frouk en ik. Gaat nogal hier, ’t is erg mooi weer en ik heb binnendienst. We denken wel dat we dinsdag op reis gaan. ‘k Heb Cor ook geschreven, ik schrijf op mijn knie, dag beste mensen heel veel liefs, goeds, tot weerziens. We zullen flink zijn en hopen dat jullie allen het ook zijn, hopen elkaar in gezondheid weer te zien, geef deze kaart aan alle vrienden te lezen. Heel veel hartelijke groeten van jullie toegenegen Ger en Beth. Gerrit Abrahams, barak 58, Westerbork, Hooghalen.

Het was het laatste levensteken wat Frouke nadien van haar ouders had. Pas ene jaar of twee na de oorlog kwam het officiële bericht dat haar vader en moeder, samen met vele anderen, in Sobibor was vermoord. Veertig familieleden, zoals ze later had ontdekt.

Fokkerfabriek 1936

Ontsnapt uit Westerbork
Eind 1943 is Frouke uit kamp Westerbork ontsnapt. Bij het schoonmaken van een wagon is ze er, via de schuifdeur aan de andere kant, uitgesprongen. Vervolgens heeft ze kans gezien om onopgemerkt het kamp te verlaten. In de Muiderstraat in Amsterdam werd ze herenigd met haar man en kinderen. Blijkbaar is er niet naar haar gezocht.
Vader Joop werkte nog steeds bij de Fokker-fabriek, die door de bezetter was overgenomen. Joop junior werd in september 1944, samen met andere kinderen, naar Friesland gebracht en bleef daar tot juni 1945. Hij woonde er bij de familie van een schoolhoofd.

Na de oorlog
toen de oorlog voorbij was ging Frouke en haar gezin terug naar haar ouderlijk huis in Monnickendam. Van de buurvrouw kreeg ze een broche die haar moeder daar in bewaring had gegeven. Frouke droeg de broche als een kostbare herinnering. Maar toen ze op een dag in een winkel stond hoorde ze achter zich fluisteren: “Zie je dat, ze zijn nog niet terug of ze hebben alweer goud“. Die opmerking werd haar teveel en was mede aanleiding om te vertrekken, hoewel dat nog wel even zou duren.

Nederlands-Indië
Vader Joop Dal moest na de bevrijding weer enige tijd in dienst. Een per veertien dagen kwam hij een weekend thuis Dat was geen ideale toestand en daarom bedachten ze een oplossing: opnieuw beginnen in een land waar je niets van weet en waar je volledig op elkaar bent aangewezen. Op 15 augustus 1945 had Japen de capitulatie getekend en was dat deel van de wereld onder het juk van de Japanners uitgekomen. Toen er mensen werden gevraagd voor de wederopbouw van het land emigreerde Joop Dal in december 1948 naar het toenmalige Nederlands-Indië. Daar werkte hij als technicus bij een onderneming die zich bezig hield met het herstel van thee- en rubberplantages, de Nederlandse Culturele Maatschappij. Werk was er genoeg, er was in de oorlog veel verwoest.
Een half jaar later konden ook Frouke en de kinderen overkomen. De reis werd gemaakt op de ‘Johan van Oldenbarneveldt’. Dochter Bep, inmiddels tien jaar en slechthorend, werd echter onder toezicht van een stewardess naar Nederland teruggestuurd, vanwege de taal. Ze kwam terecht op een instituut voor slechthorenden in Groningen. Joop junior ging eerst naar het lyceum in Bandoeng, maar moest, om een niet nader te noemen reden, terug naar Nederland. Hij werd ondergebracht bij een familie in Purmerend, waar hij nog enkele jaren de HBS volgde en slaagde voor zijn eindexamen. In 1958 werkte hij voor de ABN in Bangladesh om later naar Zuid-Duitsland te verhuizen, waar hij nog steeds woont. Mogelijk heeft de familie een half jaar verlof gehad, want vader Dal werd op 22 september 1953 ingeschreven op adres Voorhaven 87 te Edam. In april 1954 woonden Joop en Frouke weer in Indonesië.

Strijd voor de onafhankelijkheid
Het verblijf in Nederlands-Indië was geen prettige tijd. Dit had alles te maken met de Indonesische strijd voor onafhankelijkheid. Ons land verzette zich daartegen en stuurde militairen om de rust te herstellen. De militaire acties van Nederland en de reacties van de inheemse bevolking zorgden voor een gevaarlijke toestand. De kogels vlogen soms door het huis. Een angstige tijd.
in het begin van de jaren vijftig werd Joop Dal, bij één van de overvallen van een roversbende, in zijn buik geschoten. Dat gebeurde tijdens een geldtransport. De politiemensen sneuvelden. Hij zelf werd gered, omdat de kogel afketste op de gesp van zijn riem, waardoor deze minder krachtig in zijn buik drong. Hij heeft wel een tijd in het ziekenhuis moeten doorbrengen.

De beruchte ‘politionele acties’ vielen internationaal niet in goede aarde. Door druk van vooral de VS accepteerde Nederland op 27 december 1949 de Indonesische onafhankelijkheid, met uitzondering van de helft van Nieuw Guinea.

Terug in Nederland
Inde strijd moest de familie Dal zien te overleven. Het harde leven daar, gekoppeld aan diverse familieomstandigheden, was uiteindelijk de reden om terug te gaan naar Nederland. Met MS ‘Willem Ruys’ bracht hen naar ‘huis’.
Op 14 december 1957 werden ze weer in Nederland ingeschreven, in de Valeriusstraat 170hs te Amsterdam, om in mei 1958 te verhuizen naar de Weesperzijde 5-2. Twee maanden later volgde de verhuizing naar de Emile Knappertstraat 8hs.
Tijdens hun verblijf in Amsterdam ging het de familie maatschappelijk en financieel goed. Ze konden het zich veroorloven om met Ajax mee te gaan naar het buitenland als de club in Europees verband moest spelen. Vanwege daar wonende kleinkinderen ging de reis zo nu en dan richting Israël. En tijdens een bezoek van enkele weken aan Indonesië bezochten zij hun oude onderneming.

Naar Monnickendam
Toen in 1976 het voormalige ouderlijk huis aan het Noordeinde 108, inclusief de rokerij, vrij kwam omdat de bewoner was overleden, keerde het echtpaar Dal – Abrahams terug naar Monnickendam. Het pand werd gerenoveerd en met Pasen 1977 trokken zijn er in. Het huis stond vol met spullen uit de Indonesiëtijd, zoals een theestel, gemaakt van kokosnoten, kalebassen die als een soort thermosfles gebruikt werden en als herinnering een kaart aan de muur met daarop de plantages waar vader Dal jarenlang had gewerkt. Als er thee werd geschonken was dat natuurlijk thee uit ‘hun’ land.

Reizen
Tijdens het hernieuwde verblijf in de stad kwamen er heel wat herinneringen boven, vooral ’s nachts. Hoe het voor de oorlog in Monnickendam was, het gemis van de familie en het verdriet om kinderen en kleinkinderen. Maar het leven ging door. Er volgden reizen in en om Europa, naar Rusland en Amerika. In 1986 werd het vijftigjarig huwelijk gevierd. Ook ‘zus’ Elly uit Israël (Elly Matz – Frank, zie onder) kwam er voor over.
In juni 1988 was in Duitsland het EK-voetbal. Het Nederlandse elftal versloeg tijdens de halve finale in München Duitsland en in de finale Rusland. Joop en Frouke waren er bij!

Ziekte en overlijden
Op een dag bleek dat Frouke een pacemaker nodig had. Ze werd afgekeurd voor haar werk, maar kon op vrijwillige basis aan de slag bij de bibliotheek. Joop ging met pensioen en vulde zijn tijd met biljarten.  Veel mensen van vroeger kwamen over de vloer en dat betekende terugkijken en herinneringen ophalen. De gezondheid van Joop werd minder. Hij ging hoesten, kreeg longontstekingen en enkele hartinfarcten, waardoor een bypassoperatie nodig was. Thuis aan een zuurstofapparaat, maar ’s nachts was hij erg benauwd. Hij overleed op 21 augustus 1990 in het ziekenhuis in Purmerend.

Niet vergeten!
Toen Frouke in Monnickendam terug was vertelde zij aan iedereen die het wilde horen over haar lotgevallen en die van haar volk. Vooral de jeugd moest weten wat er gebeurd was. Ze waarschuwde ‘zie wat er gebeurt als mensen geen hand uitsteken en hun vooroordelen blijven koesteren‘. Frouke pleitte voor het aanbrengen van een gedenkteken bij de voormalige synagoge in de Havenstraat, nu een horecagelegenheid.
Op 1 mei 1992, precies vijftig jaar na het wegvoeren van de Joodse families uit Monnickendam, onthulde ze in de Nieuwe Steeg een bordje ter herinnering aan deze gebeurtenis. Ze vond het geweldig dat ze die dag en dat moment mocht meemaken. ‘Ik hoop dat de kinderen door zo’n bordje aan hun ouders zullen vragen wat het te betekenen heeft. Dan zal men moeten doorvertellen en niet vergeten kunnen en daar gaat het om.’
De onthulling werd door de heer Rob Wurms (1943 – 2011) besloten met een passage uit het kaddisj:

Laat de grootheid en de heiligheid van Zijn grote Naam vermeld worden in de wereld die Hij geschapen heeft volgens Zijn wil en moge Hij Zijn koningschap vestigen tijdens uw leven en tijdens het leven van heel het huis Israël, spoedig en binnenkort. Zegt nu: Amen.

Joods gedenkteken is bij de synagoge gewenst
aldus Frouke Dal – Abrahams tijdens een interview in 1994. Haar strijd zien we ook terug in ene krantenbericht: ‘De oude synagoge moet weer herkenbaar worden als een voormalig Joods godshuis.’ Ze zou graag bij de entree aan de Havenstraat een herkenbaar plekje creëren als eerbetoon aan hen die eens deel uitmaakten van de Joodse gemeenschap in Monnickendam. Frouke dacht aan een gedenkplaats, een soort kapelletje met een devotielampje dat altijd brandt. Ook de Davidsster zou weer zichtbaar moeten worden. De voormalige synagoge had voor mevrouw Dal meer dan een religieuze waarde. Haar grootmoeder Judith Abrahams – van Thijn had er gewoond en haar ouders en haar zus waren in het pand getrouwd.

Laatste fase
Frouke werd ziek, ernstig ziek. Chemotherapie bleek noodzakelijk. Het ging niet meer. Op woensdag 3 mei 1995 belde ze haar zoon Joop om te zeggen dat ze afscheid wilde nemen, omdat ze zou sterven. Ze wilde perse op 4 mei dood gaan. ‘Dan gedenken de mensen mijn familieleden en kunnen ze mij er ook meteen mooi bij nemen.’ Het is er net niet van gekomen. Op 3 mei, om tien voor twaalf ’s avonds, stierf Frouke. Ze werd 78 jaar.

Ds. Dekker in het Monnickendammer kerkblad
Ds Gert Dekker schreef daarover enkele dagen later in het kerkblad: ‘Mw. Dal is overleden. Veel Monnickendammers al dit feit ontgaan zijn. Ze was geen lid van een van de Samen-op-Weg kerken. Ze was de weduwe van een christelijke man, maar ze was zelf Joods. Eigenlijk was ze de laatste Monnickendamse die hier was geboren en getogen.
Dinsdag jl. werd ze gecremeerd. Niet begraven, zoals de Joodse traditie voorschrijft, maar verbrand. ‘We hebben een eigen Joodse begraafplaats‘ wierp ik tegen, maar daar wilde ze niet van weten. ‘Mijn eigen ouders, mijn zuster en heel veel familieleden werden gecremeerd, na vermoord te zijn in de kampen‘, zei ze, ‘Ik wil in hun lot delen‘.

Persoonlijk gruw ik van dit gebruik maar toch waren we er in het crematorium en overdachten er haar leven. Ik heb een keppeltje opgedaan en heb die woorden gezegd die de overwinning van het leven vertolken, voor Jood en voor heiden, door dood en leiden heen:

‘Laat de grootheid en de heiligheid van Zijn grote Naam vermeld worden in de wereld die Hij in de toekomst zal vernieuwen en waarin Hij de doden zal doen herleven en hen tot een eeuwig leven zal verheffen…’

Eigenlijk is dat veel belangrijker dan onze naam in steen gegrift. Gods grote Naam vermeld in de wereld die toekomst heeft en opstanding der doden en eeuwig leven. Dat deed mevrouw Dal op eigen wijze, en als zij sprak over de overmacht van God, over haar verzet tegen de haat. En daar maak ik op deze plaats ook melding van. Om zo toch een klein symbolisch steentje voor haar op te richten. Kan ik het niet laten omdat ik de zoon van een steenhouwer ben? Nee, omdat er in ons hart ook een plaats is om te herdenken. Haar gedachtenis zij tot zegen.’

Zoon Joop gaf in 2005 een typering van zijn moeder: ‘Het mooiste van mijn moeder vind ik nog dat ze na de oorlog helemaal geen haat koesterde jegens Duitsland of Duitsers, zoals zoveel andere mensen. Ik ben getrouwd met een Duitse, die door mijn moeder volledig was geaccepteerd. Zij sprak Duits, had Duitse vrienden en ging naar Duitsland op vakantie. Dat geeft aan wat voor vrouw het was.’

Gevelsteen
Op 1 mei 2005 werd in de Nieuwe Steeg een gevelsteen onthuld, gemaakt door beeldhouwer en kunstenaar Herman van Elteren. Ter nagedachtenis aan de zestien Joodse stadsgenoten die, op last van de bezetter, werden weggevoerd en waren omgekomen in Sobibor en Auschwitz. Deze gevelsteen verving het bordje dat Frouke Dal-Abrahams op 1 mei 1992 had onthuld.
De steen nie onthuld werd door Froukes zoon, Joop Dal uit Garmisch-Partenkirchen, is een menora, de zevenarmige kandelaar, sinds oude tijden het symbool voor het Jodendom, verbonden met een ander symbool, de levensboom. Als er in de synagoge voorgelezen is uit de Thora, klinken de woorden:

‘Mijn Thora, verlaat haar niet. Zij is een boom des levens voor hen die zich aan haar vasthouden; wie op haar vertrouwt, is gelukkig. Haar wegen zijn aangenaam al haar paden zijn vredig.’

Op de steen is het jaar van de deportatie vermeld, zowel in de algemene als de Joodse jaartelling. Die gevelsteen is niet zo maar een gedenksteen, het is vooral een ‘nadenksteen’. Met de woorden van Ds. Dekker: ‘Mensen die gedenken zijn gewaarschuwd, weerbare mensen‘.

Sterke vrouwen
Joop Dal was op 13 oktober 2005 opnieuw in Monnickendam om een beeldje in ontvangst te nemen. Het was de emancipatieprijs, dt jaar door het Algemeen Vrouwen Overleg Waterland (AVOW) postuum toegekend aan de moeder van Joop. Het thema van de prijsuitreiking was: ‘Sterke vrouwen uit de vorige eeuw’. Zoon Joop sprak een dankwoord, waarin hij verwoordde dat hij trots was op zijn moeder en de manier waarop zij haar leven had geleid. De omschrijving ‘sterke vrouw’ was volgens hem volledig van toepassing op deze Monnickendamse, Joodse vrouw die de oorlog had overleefd.

Slot
Ds. Gert Dekker, predikant te Monnickendam van 1990 – 1995 had tijdens zijn verblijf regelmatig contact met Frouke. Aan hem heeft ze veel uit en over haar leven verteld. ‘Het was een vrouw met een eigen mening. Ronduit en rechtstreeks, hartelijk en humoristisch‘, aldus Ds. Dekker. Frouke heeft ook veel uit haar leven opgeschreven. Stukjes ervan zijn in dit levensverhaal verwerkt. Ze vertelde hoe verbijsterd ze was op de dag van de wegvoering van haar Joodse medeburgers, ‘Iedereen stond te kijken, maar niemand deed iets‘. ‘Dat beeld van passiviteit en machteloosheid stempelt nog de herinnering van veel Monnickendammers‘, aldus Ds Dekker in 2005. Frouke kon het ook niet bevatten dat overal in Nederland, via de route van een keurige bevolkingsadministratie en meewerkende overheid, inclusief de diensten van de politie en de Nederlandse Spoorwegen en vele andere instanties, duizenden Nederlanders vrijwel geruisloos uit de samenleving werden verwijderd. Maar het gebeurde.

Bron:
Ds C A E Groot, Joodse overlevenden van de oorlog (III), Frouke Dal-Abrahams in Jaarboek 2015 van de Vereniging Oud-Monnickendam met vriendelijke toestemming van Ds C A E Groot (email 12 juli 2017)

illustraties:
Fokkerfabriek op http://www.geschiedenisdc.nl/index.php/36-fokker
overig met dank aan Ds C A E Groot (email 13 juli 2017)

laatst bijgewerkt:
13 juli 2017