Het verloren transport

Het verloren transport is de benaming geworden van de tocht van drie treinen, waarmee de nazi’s in concentratiekamp Bergen-Belsen aan het einde van de Tweede Wereldoorlog, onder druk van de naderende geallieerde troepen, de evacuatie van gevangen probeerden te bewerkstelligen. Tussen 6 en 11 april 1945 werden 6800 ‘Austauschjuden‘ geselecteerd en op transport gesteld. Volgens de nazitop zouden de treinen naar Theresienstadt gaan. In de laatste van de drie treinen zaten 2500 gevangen, eenderde van hen was Nederlander. Deze laatste trein is het langst onderweg geweest, ruim tien dagen, en strandde uiteindelijk bij Tröbitz, een mijnwerkersplaatsje met zo’n 700 inwoners, bij kilometerpaal 106,7.

De gevangen die deze tocht (zonder voedsel) overleefd hadden werden op 23 april 1945 bevrijd door het Rode Leger. 700 van de overlevenden werden in Tröbitz ondergebracht voor de eerste medische zorg. In de trein waren al 200 mensen overleden, zij werden naast het spoor begraven. Er brak na de bevrijding onder de gevangenen een vlektyfus-epidemie uit, 320 mensen overleden hier aan. Mensen overleden ook door het plotselinge aanwezige voedsel, waar hun lichaam na de maandenlange hongersnood niet meer tegen bestand bleek. De laatste Nederlandse dode van het transport was Klara Miller. Zij overleed op 21 juni 1945 en werd begraven op de provisorisch aangelegde Joodse begraafplaats in Tröbitz, aan het einde van de Schulstrasse.

Austauschjuden
De groep van Austauschjuden waaruit de 6800 mensen geselecteerd werden, werden door de nazi’s ‘achter de hand’ gehouden om uit te wisselen tegen Duitse krijgsgevangenen.  Zij waren vaak mensen die een bijzondere plek in de Nederlandse samenleving bekleden.  Onder hen waren:
Abel Herzberg (1893 – 1989), jurist en publicist
Ischa Meijer, was een peuter in die periode
Jona Oberski (1938), kernfysicus
Renate Laqueur (1919 – 2011) taalwetenschapper
Louis Tas (1920 – 2011) psychiater
Hans Krieg (koordirigent)
In verschillende verhalen op deze site en www.joodserfgoedrotterdam.nl komt naar voren dat deze mensen ook in deze trein zaten. Het verhaal van een van hen is het verhaal van Ab Schuster.

Ab Schuster
Op 29 april 2017 verscheen in “De Telegraaf” een interview met Ab Schuster. Hij werd op 14 augustus 1937 geboren en zat in een van de treinen van dit transport en herinnert het zich nog steeds. In 1942 werd de familie bij een grote razzia opgepakt. Daarvan herinnert hij zich een dikke Duitse soldaat met rode wangen die zijn geweer als een boodschappenmandje aan zijn arm liet bengelen en daarachter een Nederlander in een zwart uniform, ook met een geweer. Ze kwamen het huis in stommelen en de kleine Ab was in blinde paniek en klemde zich gillend aan de trapleuning vast, hij wilde niet mee met deze mannen. De betreffende trap heeft hij in maart 2017 voor het eerst terug gezien. Hij liep met een vriend langs zijn ouderlijk huis op Plantage Kerklaan 35-2. Hij mocht de trap daar zien.
In 1942 lag zijn kleine zusje Shulamit, die dat jaar geboren was (12 juni 1942), in haar ledikantje. De militairen waar Ab zo bang voor is hebben dat niet door. Vader Aron Schuster lukt het om een buurvrouw in te seinen en vraagt haar voor zijn zusje te zorgen. De baby komt via de illegaliteit terecht in Apeldoorn, bij een verzetsstrijder en werd na de oorlog met het gezin herenigd. Ab, zijn vader en moeder Eva Packter (6 februari 1905 – 15 november 1969) gaan naar Westerbork. Ze werden daar op 1 augustus 1943 ingeschreven. In Westerbork is ook zijn lievelingsnichtje Betty, ze vindt het heerlijk om de hand van Ab vast te houden en hij zwaait haar uit wanneer ze op transport gaat.  Betty (Bertha Elburg; Lochem, 20 mei 1935 – Auschwitz, 22 oktober 1943) zal hij nooit meer terug zien.

Ab herinnert zich Bergen-Belsen ook. Dan vooral het eten, of liever het gebrek aan eten.  Bergen-Belsen heeft geen gaskamers maar de gevangenen krijgen zo weinig te eten dat overleven lastig is. In de twee jaar dat het gezin in Bergen-Belsen zat kregen ze één keer een pakje van het Rode Kruis, met twee kleine stukjes spek en een hompje kaas. Sporadisch kregen ze een beker soep met aardappelschillen er in. Ab likte van de bodem van de gamellen de witte drab om maar iets van eten binnen te krijgen. Heel soms kregen ze een stukje koolraap, een feest.

Ab ziet de gebeurtenissen nog voor zich, hoewel ze vervagen. In dromen komen ze terug, de executies, het op appél staan, de martelingen en het geschreeuw. De broodmagere mensen die zo erg leden. Ab was een levendig mannetje en rende van hot naar her door het kamp. Allerlei ziekten, zoals vlektyfus, hadden geen vat op hem.  Hij kreeg het wel, het duurde een dag. De lethargische kinderen redden het meestal niet.

In april 1945 wordt het duidelijk dat de oorlog op zijn einde loopt. Het vijftig kilometer verderop gelegen Hannover wordt al gebombardeerd. De geallieerden rukken op naar het kamp waar nog duizenden Joden zitten. De nazi’s willen ze niet in de handen van de geallieerden laten vallen en zetten ze op transport. Met drie treinen worden ze het kamp uitgestuurd. De laatste trein, met 2500 passagiers, vertrekt op 9 of 10 april. Als eindbestemming wordt door historici Theresienstadt aangehouden, bij Praag. Het spoorwegnet is zwaar aangetast door de aanvallen van de geallieerden en de trein met de veewagons rijdt kris-kras door Duitsland. Over de rails en als die weggebombardeerd blijkt weer achteruit. De twee eerste treinen worden binnen een paar dagen bevrijd,maar de laatste trein lijkt van de aardbodem verdwenen, vandaar de aanduiding ‘Verdwenen transport’. De trein wordt met onverminderd fanatisme bewaakt door de SS. ‘Ze reden mee op de treeplanken, als je je hoofd buiten het raampje stak werd er op je geschoten‘, vertelt Ab. Er werd een vrouw geraakt, ze werd van de trein afgegooid. In de trein was de honger verschrikkelijk. Mijnheer Auerbach, die na de oorlog een belangrijk lid werd van het kerkbestuur van de Joodse Gemeente, maakte een kommetje met brouwsel, Ab rende het omver. Als de trein wanneer het donker werd langzamer reed probeerden de mensen planten langs de spoorbaan te pakken te krijgen om op te eten. Ze aten bietjes en brandnetels, wat er maar was. Velen stierven van de honger.

Na twee weken stond de trein plotseling stil. Opeens hoorde Ab schreeuwen, de Russen, de Russen komen er aan. Er kwamen kleine mannetjes aan op woeste paarden, zij hadden de trein tot stoppen gedwongen. Het was het Kozakken-regiment van maarschalk Zjoekov. “We stroomden de trein uit, joelend en schreeuwend, naar een dorpje dichtbij; Tröbitz“. Ab zag dat een van de dorpsbewoners op de knieen ging en vader smeekte: “Bitte, bitte, tun Sie uns nichts!”  Vader zei: “Nein, wir sind kein Mörder.”  We betrokken met een Tsjechisch gezin een huis. Vader leidde heel vaak de begrafenisstoet. Na jaren van hongersnood vraten velen zich letterlijk te barsten en overleefden dat niet. Na ongeveer een maand werden ze op Amerikaanse trucks richting Nederland gezet. Ab kreeg chocolade en snoepgoed, witbrood en echte boter. De vrouwelijke chauffeur ontweek alle obstakels op de weg. Uiteindelijk kwamen ze in Nederland terecht, bij kasteel Oost in Valkenburg. Ab zat bij een open dekzeil en hoorde een marechaussee tegen een kompaan zeggen: “O, daar heb je ze weer. Hadden ze ze niet allemaal kunnen vergassen?”

Ab’s vader, Aron Schuster (Amsterdam, 8 augustus 1907 – Jeruzalem, 7 september 1994) werd na de oorlog opperrabbijn van Amsterdam.
Een foto van Bertha Elburg is hier te zien.

Bron:
Olof van Joolen, Ab Schuster (80) rende als jongen door Bergen-Belsen in De Telegraaf, 29 april 2017
Stadsarchief Amsterdam, gezinskaart Aron Schuster
www.maxvandam.info, lemma Bertha Elburg (geraadpleegd 30 april 2017)
wikipedia, lemma Verloren Transport
www.gemeinde-troebitz.de, lemma “Het Verloren Transport”.

laatst bijgewerkt:
30 april 2017