indonesië – hoe joods leefden de joden?

chanoekavieringbatavia1935
Chanoekaviering Batavia ca. 1935. Isidoor Abram is de man in het grijze pak, wit overhemd met stropdas, tussen twee vrouwen in zittend voor de Chanoekijot (overzijde tafel, 4e van links).

Mijn bezoek aan Indonesië in de zomer van 2014 heeft me niet losgelaten. Zeker niet vanwege mijn zoektocht ter plekke naar de Joodse geschiedenis die er moest zijn. Die was echter nauwelijks terug te vinden. En toen ik al contact kreeg met een groepering die iets moest weten bleek de toegezonden pdf in het bahasa na vertaling zeer antisemitisch te zijn. Het was toch bruikbaar, alleen al omdat de daarin gebruikte bronnen wel bruikbaar bleken en verwezen naar nuttige artikelen.
Maar toch, een jaar later, blijft de wens om meer te weten aanwezig. Juist omdat er zo goed geprobeerd is om deze geschiedenis uit te wissen. Dat geeft een extra uitdaging om achter die geschiedenis te komen.
Ik sprak erover met Ido Abram, die in Nederlands-Indië op de rand van de 2e Wereldoorlog geboren werd en later onder meer bijzonder hoogleraar Holocausteducatie werd aan de UvA.

Isidoor Abram (28 dec 1900-1986) kwam uit Amsterdam en vertrok met zijn vrouw, Wies van Rhijn (10 juli 1903-1995) uit Hoogeveen, in 1928 naar Batavia. Ze gingen er naar een kolonie van Nederland waar op het gebied van de Joodse geschiedenis grote verschillen waren met andere koloniën. In Suriname was een bloeiend Joods leven, in het veel grotere Indië was het behelpen. Alleen in Soerabaja stond een synagoge, maar in heel Nederlands-Indië was geen rabbijn.

Soerabaja was een haven- en handelsstad met een Joodse gemeenschap die deels uit het Midden-Oosten afkomstig was, Batavia was meer een ambtenarenstad.
Het was in Indië mogelijk om Joods te trouwen, Joods te worden begraven en Joodse jongetjes te besnijden, maar er werd niet koosjer geslacht, er waren geen koosjere winkels of restaurants.

In Nederlands-Indië kregen de Abrams drie kinderen, Ron in 1937, Ido in 1940 en een zoon die overleed. Buiten de oorlog was de tijd in Indië goed. Het gezin was niet rijk, vader was leraar en moeder werkte ook door Nederlandse les te geven en toch hadden zij voor de oorlog een kokkie, een werkster (de baboe), een tuinman, een nanny, en een bediende en vlak voor de oorlog ook een chauffeur.
Dat was normaal in die tijd onder de Nederlandse middenstandsgezinnen in Indië.
Er was in Indië wel wat ruimte voor het Joodse leven. De Joden zelf organiseerden diensten in verenigingsgebouwen en de seider werd eveneens daar gehouden, of bij mensen thuis.

In Nederlands-Indië was geen bloeiend Joods leven, maar er waren wel onmiskenbare Joodse sporen. En enkele daarvan werden door Isidoor Abram achter gelaten.

In 1937 of ’38 sprak Abram een kleine kring Joodse vrienden toe. Eigenlijk was het meer een conference, waarin hij zijn aanwezige vrienden liefdevol op de hak nam en onder meer iets zei over twee elkaar beconcurrerende organisaties: de Nederlands-Indische Zionistenbond (NIZB) en de Vereniging Voor Joodsche Belangen in Nederlands-Indië (VVJB).

Isidoor Abram deed alsof hij voorlas uit een artikel dat hij had geschreven voor het Nieuw Israëlietisch Weekblad in Nederland, met als titel ‘Prominente Joodsche figuren in Batavia‘. Eén van de aanwezige ‘prominenten’ was Arthur de Jong, die op het departement van Onderwijs werkte, secretaris van de VVJB was en goed kon zingen. Over De Jong staat er in de tekst: ‘Als karakteriserend feit vermelden wij nog dat hij onlangs geweigerd heeft duetten te zingen met de bloedzuivere vrouw van een zeer voorname bloedzuivere Duitscher. Deze weigering heeft aanleiding gegeven tot een felle perscampagne waarbij het aloude stokpaardje van de beheersching van het kunstleven door het Joodsche wereldimperialisme weer dapper bereden.’

Prominente figuren
De NSB had toen al in Indië wortel geschoten en had er percentueel meer aanhangers dan in het moederland.

Louis Levie was één van de andere aanwezigen. Hij had zich via de Landbouwhogeschool van Wageningen voorbereid op Palestina. Hij was een vrijzinnig orthodox man.
Dat knelde wel eens met de gewoonten en gebruiken van de -in zijn ogen – vele posjem [zondaren] onder de Indische Joden, maar hij wist dit te respecteren. Hij was voorzitter van de NIZB en had Indië aan zich verplicht door als submohl [assistent-besnijder] te fungeren.

Na Indië ging Louis Levie met zijn gezin op alija . Hij had de speech bewaard en schreef in 1981 vanuit Israël aan Isidoor Abram: ‘Jouw karakterisering van mijn religieuze niet religieuze houding is over de jaren nog steeds hetzelfde gebleven en dat geldt ook voor mijn aanwezigheid in de sjoel mishna cursus en andere orthodoxe aangelegenheden’.

2e Wereldoorlog
Gedurende de 2e Wereldoorlog kreeg de Joodse bevolking een aparte status. Dit was pas nadat de nazis een gezant stuurden naar de Japanse heerser. Deze gezant maakte de Japanners duidelijk dat de Joden flink aangepakt moesten worden.

Isidoor Abram werd op 25 juni 1942 geïnterneerd in het concentratiekamp Adek bij Batavia. Joden werden in dit kamp in een apart blok gezet dat ze spottend ‘het getto’ noemden.
Onder het toeziend oog van de Japanners kregen NSB’ers er de leiding. Toen Abram en andere gettobewoners het plan opvatten een schooltje te beginnen, werd dat verboden: Joden waren volgens de NSB immers geen echte Nederlanders en daarom was het ongewenst dat Joden aan niet-Joden les zouden geven.
Later lukte het organiseren van onderwijs wel in een ander kamp, Tjikoeda-pateu bij Bandoeng.

Het geven van onderwijs was er niet makkelijk en aan alles was een tekort. Bij gebrek aan papier maakten de leerlingen aantekeningen op de achterkant van emaille etensborden of op tegels die ze vonden.
Ondanks dat werden in het kamp zelfs eindexamens afgenomen en de resultaten werden na de oorlog in Nederland en Indonesië erkend.
In de kampen kon er soms aandacht zijn voor het Joods-zijn. Zo werd er in het kamp een Jom Kippoer gehouden. Vader Abram kende de gebeden en hij leidde de dienst.

Na de oorlog
In september 1948 kwam een Israëlische fondsenwerver naar Batavia om bij de Joden aldaar geld in te zamelen. Eind 1949 werd Nederlands-Indië onafhankelijk en Indonesië werd naar aantal inwoners het grootste islamitische land ter wereld. Sinds 1948 wordt er door de Indonesische overheid een anti-Israël politiek gevoerd.

Isidoor Abram was in 1948 voorzitter van de NIZB. Bij het handjevol Joden in Indonesië werd een bedrag van 100.000 gulden opgehaald, dat alleen via het kantoor van Islamitische Zaken naar ‘Palestina’ kon worden overgemaakt. Zou dit lukken, zou het kantoor willen meewerken? Iemand van het kantoor kwam op bezoek bij Abram thuis en daar gebeurde iets verrassends. De islamitische afgevaardigde begon het gesprek met ‘Goeiemiddag, ik zou ook kunnen zeggen: gut sjabbes‘. Hij bleek een tot de islam bekeerde Jood te zijn, gemengd gehuwd, met volle sympathie voor de Joodse zaak. Het geld kwam in Israël terecht.

Het gezin Abram bleef in Indonesië tot 1951.

bron:
Abram, Ido, Hoe Joods leefden de Joden in Nederlands-Indië (Joods Nu, 2014)
www.jodeninnederlandsindie.nl, lemma Ido Abram (geraadpleegd 28 april 2015)
stadsarchief Amsterdam, gezinskaart Isidore Abram.

illustratie
Chanoekaviering Batavia ca 1935, collectie Ido Abram

Laatste aanpassing:
3 mei 2015.