integratie of assimilatie

Het is altijd opvallend dat wanneer het onderwerp op Joods komt, iedereen altijd van verzetsstrijders afstamt, de voorouders onderduikers in huis hebben gehad gedurende de oorlog of toch minstens Joden geholpen heeft. Een deel hiervan klopt. Wanneer men in Yad Vasjem komt in Jeruzalem zijn de bomen die voor de “Righteous” gepland zijn opvallend vaak voor Nederlandse mensen. Er werd veel geholpen. Soms zelfs niet vanwege de empathie met Joden maar vanwege een rotsvast (gereformeerd?) geloof. Als “wisselgeld” werden de ondergedoken Joodse kinderen in zo’n gezin dan wel gereformeerd opgevoed….
Maar we hebben ook een erfenis van 105.000 vermoorde Joodse landgenoten. Samen met Polen hebben we percentueel de meeste slachtoffers in Europa. We hebben ook een stuk geschiedenis waarin de NSB een plaats heeft, waarbij fa. Puls geld verdiende aan het leeghalen van woningen en waarbij menigeen voor het aangeven van een ondergedoken Jood dfl 7,50 ontving, oplopend naarmate de oorlog vorderde tot dfl. 40,– (wat overigens betaald werd uit geroofde Joodse bezittingen).
De oorlogsjaren zijn dus niet zwart of wit. Niet de goeden en de slechten, begrensd door afkomst. Er waren heel goede Nederlanders en er waren verraders.

Verleden?
Wat wel interessant is, is het kijken naar de positie van de Joden in Nederland. Vlak voor de 2e Wereldoorlog waren velen geassimileerd, maar zeker niet allemaal. Hoe was de positie van de Joden in Nederland?
Nederlanders hebben een pragmatische volksaard. Een van de eerste Portugees-Joodse kooplieden die zich in Amsterdam vestigde vanuit Antwerpen was Emanuel Rodrigues Vega. Hij werd poorter van Amsterdam in 1597. Emanuel had door zijn grote familie handelscontacten in Portugal, Frankrijk, Emden, Dantzig en China. Dat was zeer welkom in het zich economisch ontwikkelende Amsterdam. In 1597 stond Amsterdam ook bekend als een plaats waar godsdienstvrijheid heerste. Rond 1600 waren er in Amsterdam zo’n 40 Marranen (In Spanje/Portugal onder dwang katholiek gedoopt, gevlucht, en nu terug naar het Jodendom). Dat klinkt allemaal positief. Maar er zijn ook andere verhalen.
Rabbi Oeri HaLevi, die uit Emden was gekomen en zich in Amsterdam vestigde, werd gearresteerd tijdens de godsdienstbeoefening rond Jom Kippoer (Grote Verzoendag) vanwege deze godsdienstviering. Nog een feit dat aangeeft dat de vrijheid niet optimaal was, was de 1e Joodse begraafplaats.

Groet
De 1e Joodse begraafplaats voor Amsterdam was in Groet. Deze begraafplaats werd in 1602 gekocht. Groet ligt bij Schoorl en hoort bij de gemeente Bergen. Volgens de Joodse riten hoort men een dode snel te begraven en dit is niet makkelijk over een afstand van 40 km in de 17e eeuw. Wanneer men een begraafplaats dichterbij had kunnen vinden, had men dit gedaan. Maar dat was niet mogelijk….
De begrafenisstoet werd ook verplicht om bij elke kerk tussen Amsterdam en Groet tol te betalen; en er waren heel wat kerken…
In 1614 kocht de Joodse gemeente een stuk land in Ouderkerk aan de Amstel. Dit lag binnen de invloed van Amsterdam en het stadsbestuur van Amsterdam heeft in 1614 en 1618 zich tot de autoriteiten van Holland gewend om te voorkomen dat hier begraven werd. Zo iets werd niet gedaan bij de talrijke niet-Joodse begraafplaatsen.
Dat iedereen welkom was is een mythe. Vaak was dit afhankelijk van de economische positie en de economische contacten. De grote groep Asjkenazische (en vaak arme) Joden die na de Sefardische Joden kwam heeft het moeilijker gehad.
Aan het einde van de 17e eeuw, na de 80-jarige oorlog, raakte Spanje in een ernstige economische crisis. Het antisemitisme nam in Spanje sterk toe en er kwam een volgende grote golf vluchtende Joden op gang. Hieronder waren veel van de grootste kooplui en bankiers. Bijzonder welgestelde families verhuisden naar Rotterdam en Amsterdam, families zoals De Pinto, Lopes Suasso en Pereira. Zij namen hun kapitaal, handelsbelangen en -contacten mee en zij waren meer dan welkom in de zich economisch ontwikkelende republiek. Al snel waren er sterke banden tussen deze Joden en de burgemeesters van Amsterdam en het Huis van Oranje. Het Joodse kapitaal was nodig!

Brazilië
Een grote verbetering in de positie van de Joden in de Nederlandse samenleving kwam er na de verovering van Brazilië, waar niet alleen veel Joden aan deelnamen, maar wat ook voor een behoorlijk deel gefinancierd werd door Joodse mensen. Voor dit project werd aan Prins Willem III tot 2 miljoen gulden uitgeleend, een gigantisch bedrag in die tijd. Na de golf van veroveringen zocht men in Amsterdam naar andere investeringsmogelijkheden en de beurs begon zich te ontwikkelen. De geldhandel groeide snel; de Portugese Joden waren onder de eerste en belangrijkste deelnemers. Deze handel ging goed tot de crisis van 1763. In 1 jaar tijd gingen toen 10 Joodse maatschappijen in deze handel failliet. Toen de Engelse Oost-Indische Compagnie failliet ging in 1773 volgde een tweede crisis.
Hier moet ook worden aangetekend dat het voornamelijk de Portugese Joden waren die in deze handel floreerden. Zij hadden economisch een heel andere positie dan de Hoogduitse.
De Hoogduitse Joden vonden werk in industrieën waar geen gilde voor bestond – ze mochten namelijk geen lid van een gilde worden en wanneer een gilde voor een beroep bestond mocht je dat beroep alleen uitoefenen wanneer je lid van dat gilde was. Dus de Joden werden actief in de zijdespinnerijen, suikerraffinage, de diamant- en tabaksverwerking.
Wanneer een nieuwe industrie economisch te belangrijk werd richtte men een gilde op, waardoor de Joden weer uitgesloten waren van dat beroep. Dit gebeurde zo bij de suikerraffinage en in 1765 met de oprichting van een gilde voor de zijde-industrie.

In 1748 probeerden christelijke diamantwerkers de Joden ook van dit beroep uit te sluiten maar zij vonden geen gehoor bij het stadsbestuur van Amsterdam, dat meldde dat men moeilijk Joden kon uitsluiten van een beroep dat ze zelf naar Amsterdam hadden gehaald: “De Jooden de Negotie van de Diamante hier ter Stede opgeregt“.
Daarnaast was de diamantindustrie inmiddels economisch zeer belangrijk voor de stad geworden, Amsterdam zou wel gek geweest zijn om beperkingen voor deze goede vaklui in te voeren.
Voor wat betreft de gilden – het duurde tot 1809 voordat de gilden werden afgeschaft.

Franse Tijd
In 1795 begon de Franse Tijd, die tot 1813 duurde. Ons land heette toen de Bataafse Republiek en was een satellietstaat van Frankrijk. Het motto van de Franse Revolutie was Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap en het was de vraag of die Gelijkheid – die hier vertaald kan worden als burgerrechten – nu ook voor de Joodse bevolking zou gaan gelden. Na ernstige rellen in de Joodse wijk in 1795 kregen bij de verkiezingen van de Nationale Vergadering de Joden stemrecht. Daarna kreeg op 2 september 1796 iedere Jood, die aan de eisen voldeed die ook voor andere inwoners van de Republiek golden, volledige burgerrechten. Wanneer een bevolkingsgroep gelijkberechtigd wordt is het makkelijker om tot integratie te komen. Maar de Franse Tijd duurde maar 18 jaar.

Koninkrijk der Nederlanden 1813 – 1870
Het einde van de Franse Tijd ging met rellen gepaard. Deze rellen werden gesteund door de Joodse Nederlanders, want zij waren fervent aanhanger van het Huis van Oranje en wilde graag de terugkeer van dit Huis. Op 30 november 1813 was het zover, de prins kwam terug en werd gekroond tot Koning Willem I van het Verenigd Koninkrijk van Nederland en België. Men was hier in Joods Nederland zeer blij mee, maar al snel veranderde er veel tijdens het daadkrachtige bewind van Koning Willem I. De structuur van de Joodse gemeenten werd aangepakt en deze moest worden goedgekeurd door het Ministerie van Erediensten. Koninklijke Besluiten regelden vele zaken, zoals onderwijs (1817), verkiezing van de Opperrabbijnen (1815), het Kerkelijk Huwelijk (1817), taken van het kerkbestuur (1821), examen/toelatingseisen rabbijnen (1825), reglement rabbinaal seminarium (1836/1839). Het doel van dit reguleren was de integratie van de Joden in de Nederlandse staat, de invoering van het Nederlands en de uitbanning van het Jiddisch. Pas in 1848, toen de scheiding van kerk en staat werd doorgevoerd, verviel de controle door het Ministerie van Erediensten. Niet iedereen was het hiermee eens. Hoewel tegenwoordig zoveel overheidsbemoeienis niet geaccepteerd zou worden is de integratie wellicht toch bevorderd door deze maatregelen
.

Koninkrijk der Nederlanden 1870 – 1918.
Rond 1870 herkreeg Amsterdam de positie van een economisch en cultureel centrum. De bevolking groeide en de stad breidde zich snel uit. Binnen al deze activiteiten vonden ook de Hoogduitse Joden hun economische plaats. Dit werd vooral ingegeven door de diamantindustrie, die buitengewoon sterk groeide.
Net zoals de stad groeide, groeide ook het aantal Joden in de stad. In 1849 waren er bij de Volkstelling 25.156 Joden, in 1889 waren er 54.479 Joden. Dit kwam deels door grote gezinnen, maar voor een belangrijker deel door de leegloop van de kleine dorpen en steden. In 1869 woonde 44 % van de Nederlandse Joden in Amsterdam, in 1889 56 %. In Amsterdam was 10 % van de bevolking Joods (tegenover 2,15 % van de gehele Nederlandse bevolking). Amsterdam was dus een stad met een Joods karakter. Deze goede periode laat zich ook zien in het verminderen van de mensen die steun nodig hadden en het vrijmaken van geld voor instellingen zoals een bejaardentehuis en een van de beste ziekenhuizen van de stad, het Nieuw Israëlitisch Ziekenhuis op de Nieuwe Keizersgracht en de Joodse Invalide(1937). Deze periode kenmerkt zich ook in een veranderende positie van de Joden. De Portugese Joden wilden deels maatschappelijk integreren, een deel van de Hoogduitse Joden de eigen identiteit behouden (de beter gesitueerden); ook het socialisme had, zeker in de beginfase, veel aansluiting onder Joden, met name onder het Joodse proletariaat. De Joden hadden zelfs sleutelposities in de partij en de vakbonden.
Binnen de kunst werd het Joodse aandeel belangrijk. In deze periode zijn er schrijvers als Herman Heijermans, Israël Querido, Aletrino, Carry van Bruggen en Jacob Israël de Haan en toneelspelers als Esther de Boer – van Rijk en Louis de Vries.

Na 1918
De periode na 1918 en voor 1945 noemen we het interbellum. Inter betekent tussen en Bellum komt van oorlogen. Het was een periode waarin veel gebeurde als opmaat tot de 2e Wereldoorlog. De twintiger jaren (roaring twenties) worden gezien als een gelukkige periode voor veel mensen. Europa ontspant zich, industrie versterkt zich en de mensen krijgen meer welvaart. Maar niet overal. Duitsland wordt door het Verdrag van Versailles, gesloten na de 1e Wereldoorlog, veroordeeld tot het betalen van waanzinnige bedragen aan herstelbetalingen. De welvaart die groeit, groeit niet in Duitsland.
In de dertiger jaren werkt de beurskrach van 1929 (aandelen werden toen in een heel korte tijd zeer weinig waard) door en de bevolking verarmt. Dat gebeurt wereldwijd, maar in Duitsland, geconfronteerd met de herstelbetalingen die nu deels niet meer kunnen worden voldaan, slaat deze crisis keihard toe en een mega-inflatie maakt de bevolking straatarm en ontevreden.
Een perfecte voedingsbodem voor de Nationaal Socialistische Duitse Arbeiderspartij in Duitsland, maar ook voor de fascisten in Italië. De ideeën van de NSDAP, het vinden van een zondebok (de Joden), het opkomen van een volksmenner (Hitler) die in zijn redevoeringen het geloof in het Duitse volk probeert te herstellen, het zoeken naar meer grondgebied (Lebensraum), alles komt in een korte tijd samen en is de opmaat voor de 2e Wereldoorlog.
Nederland ervaart de crisis ook en heftig, maar minder heftig dan Duitsland. De Joodse bevolking voelt zich vooral Nederlander en de discriminatie zoals in Duitsland vindt hier niet plaats. Dat vanaf 1933 Joodse vluchtelingen hierheen komen wordt niet gezien als een voorteken van een naderend Europees onheil, maar als een Duits probleem.

Voor de oorlog
Langzamerhand was de Joodse bevolking één geheel geworden met de niet-Joodse bevolking in Nederland. Voor het merendeel van de niet-Joden was de afkomst van iemand niet van belang. Een groot deel van de Joden zag hun afkomst als een gegeven en niet meer dan dat. De beroemde actrice Enny Mols – de Leeuwe zegt in haar biografie: ‘Mijn vader heeft me vrij opgevoed. Ik geloof dat ik daardoor mijn eigen godje heb, mijn eigen innerlijk leven. Zeker niet alleen de Joodse God. Mijn Joods bloed ben ik me pas bewust geworden, toen Hitler aan de macht kwam’ (Wierenga). En zo was het voor zovelen. Veel van de mensen die zich geheel Nederlands voelden waren zeer verbaasd toen ook zij de Jodenster moesten gaan dragen.
Nog iemand die het gevoel van Enny Mols – de Leeuwe onderschrijft: “Een Jood die in Oost-Europa woonde en die tot een nationale minderheid behoorde, ging zich verdiepen in de Joodse geschiedenis, de Joodse literatuur, de Joodse waarden.
Bij een deel van de Amsterdamse Jood was er een zeer grote vervlakking. Het grootste deel van al die burger-Joden die bij de liberale “Vrijheidsbond” waren, waren principieel tegen bijzonder scholen, dus ook tegen Joodse scholen. Waarom zou een Jood bijzonder scholen hebben? Je moest gelijkheid hebben.” Toch zijn er ook voorbeelden van frictie tussen bevolkingsgroepen. Zo werd in 1929 in de Barndesteeg het Trenshuis (Ohel HaJeladiem) opgericht, een kleuterschool die een eind moest maken aan de christelijke zendingsdrang onder Joodse kleuters. Dit Trenshuis ging in 1932 naar de Keizersstraat en bestond tot in de 2e Wereldoorlog.

bron:
Van Amerongen, Eduard,  Herinneringen aan Joods Amsterdam, De Bezige Bij, pag 208
Blankevoort, Van Montelbaanstoren naar het Minervaplein, pag 29.