jerry meents

Vader Hartog Meents was Joods en moeder Louisa Volger niet-Joods, een gemengd huwelijk waarin acht kinderen zijn geboren; drie vóór 1940, vier tijdens en één kind na de Tweede Wereldoorlog.
Hartog Meents verbleef in 1943 gedurende dertien weken in een werkverschaffingskamp te Vledder, waardoor echtgenote Louisa Volger door geldgebrek gedwongen buitenshuis als schoonmaakster aan de slag moest.
Gerrit (Jerry) kreeg als oudste de verantwoording over zijn broers en op dat moment enige zus Lea, maakte het huis schoon en kookte. Ondanks hachelijke momenten, surrogaat voedsel en gebrek aan goede voeding tijdens de Hongerwinter van 1944 op 1945, overleefde het Amsterdamse gezin uit de Transvaalbuurt de Tweede Wereldoorlog.
Gerrit emigreerde in 1957 naar de Verenigde Staten en spreekt nog steeds Nederlands, maar het schrijven in het Nederlands gaat moeizamer omdat hij gedurende de oorlog de 4e klas lagere school niet kon afmaken. Dit persoonlijke verhaal is ook hier gepubliceerd, maar hier een vertaling in het Nederlands.

dewetschool
De Wetschool

Bezet Nederland
25 september 1939 was mijn 9e verjaardag en de laatste dag waarop ik naar school ging met snoep voor alle kinderen en een tweede zak snoep voor de leerkrachten. Dat was toen (en nog) een traditie en het was toen nog een fijne periode.
Op 10 mei 1940 vielen de Duitsers Nederland binnen, ondanks het feit dat Nederland neutraal was. Alle blijheid werd verruild voor 5 jaar angst en pijn. Ik werd wakker door het geschreeuw van mensen die “oorlog, oorlog, oorlog” riepen. Het zei me niet veel, maar het was wel angstaanjagend om te zien dat volwassenen zo bang waren. 5 dagen later gaf Nederland zich over, en mensen begonnen om boeken van Joodse, communistische en socialistische schrijvers te verbranden. Enkele Joodse gezinnen en Joodse mensen pleegden zelfmoord. Het was alsof je de angst kon proeven.

Brandtschool / Joodse school
Brandtschool / Joodse school

Er was een boek “Het boek van de jeugd” [1] met verhalen en spelletjes dat door de Arbeiderspers was uitgegeven. Iemand wilde dit boek verbranden maar ik haalde het uit de brandstapel. De volgende dag ontdekte mijn moeder het boek en gooide het alsnog in een van de vuren.
Toen de school weer open ging werd het leven weer normaal. Voedsel kwam op rantsoen, het luisteren naar een radiozender die niet Duits of Nederlands was was verboden. Joodse mensen mochten geen inkopen meer doen op de gewone markten en werden ontslagen wanneer ze ambtenaar waren. Eind 1940 kwamen eieren, gebak en biscuit ook op rantsoen.
In 1941 lieten de Duitse autoriteiten hun echte karakter zien. Alle Joden moesten zich registreren, Joden mochten niet meer naar bioscopen en dergelijke.
Er braken gevechten uit tussen Joden en de WA, de militaire tak van de NSB [2] in de oude Joodse buurt in Amsterdam. De WA werd verslagen en kwam de volgende dag met meer mensen terug. Toen de WA weer de Joodse buurt in probeerde te marcheren braken de gevechten opnieuw uit en een van de WA-ers, Koot [3], werd gedood. Koot werd geslagen met een ketting, en deze ketting sloeg om zijn nek heen en een andere man, met zware laarzen, trapte op zijn gezicht. Koot overleed de dag erna. Mijn vader was degene die Koot met de ketting had geslagen.
Uit wraak sloten de Duitsers de oude Joodse buurt van Amsterdam af met prikkeldraad en politie. Dit duurde maar korte, het prikkeldraad werd verwijderd en wij konden onze familie weer bezoeken die in dit gebied woonde.
Later was er weer een gevecht tussen Joden en de Grüne Polizei in een ijssalon (Koko [4]) in het zuiden van de stad en de Grüne Polizei moest rennen voor zijn leven. Uit wraak kwam er een razzia en de Duitsers namen 406 Joodse mannen mee en deporteerden hen naar Buchenwald en van daar naar Mauthausen in Oostenrijk. Van deze 406 mannen overleefde 1 persoon de oorlog, de zoon van een buurman van ons die woonden op de Danie Theronstraat 14 [5] (foto rechts). Twee maanden later kregen onze buren alsnog een brief waarin stond dat hun zoon was overleden. Ik kan de vrouw nog horen schreeuwen. Mensen konden haar huizenver horen.
Nadat het afsluiten van de oude Joodse buurt werd beëindigd kwamen daar houten borden waarop stond “Joodse Straat”, “Joodse wijk” en “Joodse Gracht”. Onze Joodse buurt en de Joodse buurt in Amsterdam-Zuid hadden deze borden niet.

Tegen deze tijd werd het verboden voor Joden om een radio te bezitten of om naar een park te gaan of naar het zwembad. De razzia’s begonnen. De Duitse Grüne Polizei [6] zette hele straten af in de Joodse buurten en met de hulp van de Nederlandse politie werden hele families opgepakt en met de trein naar Westerbork gebracht. Westerbork was een doorgangskamp en vandaar werden de mensen naar Auschwitz en Sobibor gestuurd, hun dood tegemoet.
Mijn grootvader, Gerrit Meents, was 70 jaar oud toen hij vermoord werd in Sobibor. Neefjes van mij van 9 jaar oud werden in Sobibor vermoord. In feite werd 90% van mijn vrienden in de straat waar ik woonde in dit kamp vermoord en enkele van hen in Auschwitz. De ene dag speelden we nog samen, de volgende dag waren ze verdwenen en zag ik ze nooit meer.
Ik had een vriendinnetje (mijn eerste liefde), die aan de andere kant van de straat woonde en zij en haar familie werd meegenomen door de SD [7]. Ze werd in Sobibor vermoord, ze was 12 jaar oud.
Net voordat ik weer jarig was werd er afgekondigd dat Joodse kinderen openbare scholen moesten verlaten en uitsluitend naar Joodse scholen mochten. Dat was een probleem, want ik was volgens de Duitse wet halfjoods. Dat omdat mijn vader Joods was en mijn moeder niet. Ik had dus 2 Joodse grootouders. Ik kon dus op mijn eigen school blijven (De Wetschool). Maar alle Joodse mensen waarmee ik was opgegroeid en die me nooit hadden afgewezen gingen, en ik ging met ze mee naar de Joodse School in de President Brandstraat [8].
In 1942 werden de Joden van buiten de stad verplicht om zich in de stad te vestigen, in het bijzonder die uit de rest van Noord Holland maar ook vanuit andere plaatsen. Maar niet uit alle plaatsen, de meeste Joden uit andere plaatsen werden direct naar Westerbork gedeporteerd.
Joden mochten niet meer in een auto rijden en al de persoonsbewijzen [9] van Joden krijgen 2 J’s erin gestempeld. In mei 1942 moeten alle Joden een gele Davidsster met het woord Jood erin gedrukt dragen. Er was wat verwarring over wie er Joods was en ik droeg de ster gedurende drie maanden; ik heb hem nog steeds. Mijn moeder ontdekte dat ik het niet hoefde te dragen en zij haalde hem van mijn kleding [10]. In dit jaar werd er ook bepaald dat Joodse mensen niet meer op straat mochten na 8 uur ‘s-avonds. Mijn vader en anderen moesten zich registreren als “getrouwd met een niet-Jood”.

Danie Theronstraat
Danie Theronstraat

Toen werd het oktober 1942 en er was een grote razzia in mijn buurt. In deze razzia namen de Duitsers mijn beste vriend en zijn familie mee.
Elke Joodse persoon die getrouwd was met een niet-Jood kreeg de keuze om gesteriliseerd of gedeporteerd te worden.

In maart 1943 verspreidde zich het gerucht in de buurt dat Joodse mensen naar Sobibor gestuurd werden om te werken. Niemand wist toen dat Sobibor een vernietigingskamp was. Joden uit provincies als Friesland, Groningen en Drenthe werden gedeporteerd naar Westerbork; de Joden uit het zuiden van het land moesten zich melden in Vught – een van de 5 concentratiekampen in Nederland.
In mei 1943 vond de grootste razzia plaats in de oude Joodse buurt. In deze razzia werden met grootvader en zijn vrouw meegenomen, en een tante met haar man en twee kinderen. Ze had al een zoon verloren, 17 jaar oud, in 1942 in Auschwitz en een oom die ook een zoon verloren had in 1942 in Auschwitz. Een maand later werd het grootste deel van de laatste Joden in Amsterdam Oost en Zuid tijdens een razzia opgepakt. Gedurende deze razzia kwam er een agent van de Grüne Polizei een een Nederlandse agent in ons huis om te zien of daar Joden zaten. Mijn vader had zich verstopt en werd niet gevonden. De Nederlandse collaborateur keek me aan en zei: “hij is een Jood” en wilde me meenemen; allemaal omdat ik zwart haar en bruine ogen heb. Maar omdat een van mijn broers juist voor deze razzia geboren was waren mijn grootouders van mijn moeders kant op kraamvisite. Mijn opa negeerde de Nederlandse agent en sprak de Duitser aan en ze gingen zonder mij. Ik hoorde een van de mannen die werd meegenomen roepen: “het is niet mooi meer”
Drie maanden later waren praktisch alle Amsterdamse Joden gedeporteerd.
In december 1942 moeten alle Joodse mannen die met een niet-Joodse vrouw getrouwd waren zich melden voor de werkkampen. Mijn vader werd naar een werkkamp bij Vledder [11] gestuurd. Omdat er geen geld in het huishouden kwam, en mijn ouders 6 kinderen hadden, ging mijn moeder appartementen schoonmaken en ik maakte ons huis schoon en lette op de kinderen en kookte het eten. Dertien weken later kwam mijn vader thuis omdat hij een week verlof had en een paar dagen later moest hij zijn papieren inleveren en hoefde niet terug naar Vledder. Ik weet dat mijn moeder gesproken had met de dominee, onze huisarts en wie al niet meer. Ik weet niet wat zij gezegd hadden, maar mijn vader kon thuis blijven. Fruit, groente en vis waren nu ook op de bon. Op 17 september 1944 vroeg de Nederlandse regering in ballingschap de Nederlandse Spoorwegen om te gaan staken, en zij deden dit (toen de ondergrondse eenzelfde verzoek deden in 1943 om hiermee de deportatie van Joden te belemmeren weigerden zij dit [12]). Nu mocht niemand meer na 8 uur ‘s-avonds op straat. Seyss-Inquart [13] stopte alle voedseltransporten naar het westen van Holland en de hongerwinter begon. Mijn vader was in ons huis ondergedoken en in augustus 1944 werd een zusje geboren – Jetje. Mijn moeder kon dus niet meer gaan werken, ik moest iets doen om ons in leven te houden.

Het voedselrantsoen was nu verminderd tot 450 [kilo]calorieën per dag [14]. We moesten tulpenbollen eten, rauwe suikerbieten, honden, katten, alles waarmee we onze magen konden vullen. Ik ging stelen, ik stal geld, brood, bonkaarten, en alles dat ik kon verkopen of omruilen voor voedsel. Op een nacht ging ik, samen met 4 volwassenen, op pad om een bakkerij te beroven en we kwamen thuis met 13 broden. We aten ze allemaal in één avond op. Het brood was niet zoals het tegenwoordige brood, maar het vulde onze magen. Na een andere beroving kwam ik thuis het een bak aardappelstijfsel. Je kon dat in water koken. Het smaakte verschrikkelijk, maar het verdreef de honger een poosje. Er was geen verwarming of elektriciteit en als we iets moesten koken, kookten we het op een brander die gemaakt was van een blikje of iets dergelijks. Omdat er geen kolen waren gebruikten we de deurtjes van de kasten in ons huis, uit de slaapkamer en de deuren van de woonkamer. We gebruikten al het hout dat we uit de huizen van Joodse mensen die waren gedeporteerd konden slopen. Ik trok Noord Holland in met een kar om spullen voor voedsel te ruilen en om te bedelen [15].
In december 1944 stal ik een zaklantaarn van een man die in de Centrale Keukens [16] werkte achter de Hema [17] in de Linnaeusstraat [Oost-Watergraafsmeer]. De zaklantaarn was een zogenoemde ‘knijpkat’. De man had ons wat bedorven erwtensoep verkocht en ik wilde hem dat betaald zetten. Ik verkocht de knijpkat op de zwarte markt voor ongeveer 150 gulden. Daarna kocht ik eten op de zwarte markt en ik ging naar huis en zei daar: “Nu hebben we iets voor oudejaarsavond”. 20.000 mensen stierven door de honger. In mei 1945 vlogen geallieerde vliegtuigen laag over de stad en ze dropte voedselrantsoenen op Schiphol en herhaalden dit elke dag daarna, zelfs tot na de overgave door de Duitsers. Wij overleefden de hongerwinter.
Grenzen tussen goed en kwaad vervagen, althans in de hongerwinter van 1944 op 1945 . Maar nood breekt wet moet de inmiddels veertienjarige Gerrit Meents hebben gedacht en ging op strooptocht voor het negen leden tellende gezin. Met enige schroom vertelt hij zijn persoonlijke belevenissen uit die periode: “Er is nog iets dat ik niet verteld heb, en dat is het volgende:”

De volgende dag werd ik gearresteerd en werd in de cel gezet van het politiebureau op de Linnaeusstraat. Ik zat in de cel met een man die iemand had vermoord omdat hij zijn fiets had gestolen. Deze fiets had zelfs geen banden meer, maar het was de enige manier om je te verplaatsen in die tijd. Nadat hij mij gevraagd had waarom ik gearresteerd was instrueerde hij me wat ik moest zeggen en wat ik niet moest zeggen en dat ik niets uit mezelf moest zeggen én dat ik de vragen die de politie zou stellen moest onthouden. Door de hulp van deze man kon de politie niet bewijzen dat ik de knijpkat had gestolen en ze lieten me na een paar dagen vrij. Ik stal ook nog een zwarte kat van een vriendin van mijn moeder. Maar ik kon de kat niet doden dus een buurman maakte de kat voor ons dood, hij wilde het vel om in zijn schoenen te stoppen. Wij aten de kat op. Hoewel het een grote kat was zat er niet veel vlees aan voor 7 kinderen en 2 volwassenen. Maar zelfs zonder zout smaakte de kat goed. De eigenaresse vermoedde dat ik de kat had gestolen, ik ontkende dat en heb haar nooit de waarheid verteld. Dat had ik wel moeten doen. Het volgende heb ik nog nooit verteld. In februari 1945 stal ik de portemonnee van iemand die op de Tugelaweg in Amsterdam woonde. Er zat genoeg geld in om een stuk vlees voor ons te kopen. Deze man verkocht al zijn zaken op de zwarte markt en hij had niet – zoals wij – honger. Ik had het nooit moeten doen want hij kende mijn ouders goed en als ik het me goed herinner gaf hij ons wel eens wat eten.

noten

1: Boek van de jeugd , Uitgeverij De Arbeiderspers, Amsterdam. De Arbeiderspers is opgericht door de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (SDAP) en het Nederlands Verbond van Vakverenigingen (NVV).

2. WA: Zwart geüniformeerde Weerbaarheidsafdeling van de Nationaal-Socialistische Beweging (NSB).

3. Hendrik Evert Koot , geboren Amsterdam 5 april 1898, stoker van beroep, NSB’er, actief in de Amsterdamse WA, getrouwd met Elisabeth van Groningen, geboren Amsterdam 8 augustus 1896, winkelierster in manufacturen, kinderen: Jacoba, Geertruida Luberta Johanna, Hendrik Evert, Marinus, Hans, Rudolph, Arnold (overleden in 1930) en Arnold.
’s Avonds 11 februari 1941, Waterlooplein. Een groep WA’ers is er op uit Joden in elkaar te slaan. Een gewaarschuwde communistische knokploeg schiet de Joden te hulp. Over en weer slaan de knokkende partijen op elkaar in met wapenstokken, ploertendoders en ijzeren staven. De politie treft Koot bewusteloos aan. Hij is gewapend met een zelfvervaardige ploertendoder: een met ijzer verzwaarde rubberen slang die met een lus aan zijn pols vastzit. Met zwaar hoofdletsel wordt Koot opgenomen in het Binnengasthuis, alwaar hij op 14 februari overlijdt.
Bronnen: Stadsarchief Amsterdam: Bevolkingsregister Amsterdam; Wikipedia (geraadpleegd december 2008)

4. IJssalon Koco in de Van Woustraat 149 was in eigendom van de uit Duitsland gevluchte joodse compagnons Ernst Cahn en Alfred Kohn en was de thuisbasis van joodse knokploegen. De verzetsgroep die vanuit Koco opereerde werd verraden. Op 19 februari viel De Grüne Polizei (en niet de WA) de ijssalon binnen ondanks het verzet waarbij een van de eigenaren met ammoniak [koelvloeistof] spoot. Cahn en Kohn vluchtten, maar werden later die dag alsnog gearresteerd.
Op 3 maart 1941 werd Ernst Cahn op de Waalsdorpervlakte (Scheveningen) gefusilleerd. Echtgenote Ursula Adolfine Theresia (roepnaam Lina) Hoffmann en hun dochters Ingeborg (1915) en Helga (1919) overleefden de oorlog. Lina Cahn-Hoffmann emigreerde in 1951 naar Israël, Haifa. Van 1924 tot 1928 woonde Ernst Cahn met zijn gezin te Amsterdam, maar keerde terug naar Duitsland en vestigde zich in Cahns geboortestad Keulen. Vanwege de jodenvervolging vluchtte het gezin in 1936 naar Nederland, vestigde zich te Huizen en verhuisde in 1938 naar Naarden.
Alfred Kohn werd veroordeeld tot tien jaar gevangenisstraf en overleed omstreeks april 1945 te Auschwitz. Kort na zijn scheiding in 1933 in Duitsland vluchtte hij vanuit geboortestad Berlijn naar Amsterdam. Alfred Kohn hertrouwde niet en woonde boven de ijssalon bij Van Straten. Bronnen: www.joodsmonument.nl; Stadsarchief Amsterdam: Bevolkingsregister Amsterdam.

5. Vanaf 1936 verhuisde het gezin van Hartog Meents en Louisa Volger verschillende keren in de Danie Theronstraat . Bij het uitbreken van de oorlog woonde het vijfkoppige gezin op de begane grond op huisnummer 18 . Vele gezinnen om hen heen overleefden de Holocaust niet, waaronder hun naaste buren (tussen haken het aantal slachtoffers):
16 2 hoog : Het gezin van Samuel Wittenburg en Marianna Agsteribbe (5), één kind overleefde de oorlog, van andere gezinsleden kon niet worden vastgesteld of zij de oorlog al of niet hebben overleefd; 18 1hoog : het gezin van Isaäc Peper en Esther de Hond (3); 18 2hoog : het gezin van Louis Knegje en Clara Vleeschhouwer (3); 18 2hoog : het gezin van Barend Knegje en Fanny Biet (4); 18 3 hoog : het gezin van Hijman van Thijn en Regina Kok (3); 20 begane grond : het gezin van ijsventer David de Vries en Selma Wijngaard (3); 20 1hoog : het gezin van Elkan van Sys en Rachel Vrachtdoender (8); 20 2hoog : het gezin van Abraham Bierman en Rika Sarphatie (4); 20 2hoog : het gezin van Isaäc Waterman en Mietje van Linda ((4); 20 3hoog : het gezin van Louis van Naarden en Henriëtte Kroet ((3), één verwant overleefde de oorlog. Bronnen: www.joodsmonument.nl ; Stadsarchief Amsterdam: Bevolkingsregister Amsterdam; Gerrit Meents.

6. Grüne Polizei: Duitse ordepolitie, te herkennen aan hun groene uniform.

7 SD: Sicherheitsdienst, Duitse inlichtingen- en spionageorganisatie.

8. Joodse School nr. 8, van oktober 1941 tot september 1943 gevestigd in de President Brandstraat 9.

9. Persoonsbewijs. Alle Joden waren verplicht tot het bij zich dragen van een identiteitsbewijs. Op het persoonsbewijs van vader Hartog Meents zal een G, van ‘gemengd’, zijn gedrukt.

10. Op 29 april 1942 werd het, zichtbaar op de kleding, dragen van de gele Davidster voor alle joden vanaf zesjarige leeftijd verplicht gesteld. Dat gold alleen voor Joden die voor de Neurenberger rassenwetten vol-Jood waren. Personen met drie of vier joodse grootouders werden als vol-Jood beschouwd. Half-Joden zoals Gerrit Meents – met twee joodse grootouders – waren uitgezonderd van het dragen van dit teken.

11. Werkverschaffingskamp voor joodse dwangarbeiders, gelegen aan de zandweg van Vledder naar Vledderveen. Naast het ontginnen van de heide moesten de Joden ook onderhoud plegen aan de zandweg, in de volksmond Jodenweg genoemd. In de nacht van 2 op 3 oktober 1942 is kamp Vledder ontruimd, de joodse dwangarbeiders werden overgebracht naar kamp Westerbork. Gezien de opzending van Gerrits vader in 1943 heeft het kamp na deze ontruiming ook nog gediend als werkverschaffingskamp. Met het door de gemeente Vledder in 1986 geplaatste straatnaambord kreeg de Jodenweg een officiële status. In 1996 ontstond commotie toen een inwoner van Vledder voorstelde de straatnaam te veranderen in Jodenstraatweg, omdat Jodenweg uitgelegd kan worden als “Weg met de joden!” Tevergeefs. B&W weigerde, daarin gesteund door de Anne Frank Stichting en het Herinneringscentrum kamp Westerbork. Bron: Herinneringscentrum kamp Westerbork.

12. Die frustratie zullen velen met Gerrit Meents delen en gedeeld hebben. De directie van de Nederlandse Spoorwegen volhardde echter in het sinds 1941 gevoerde beleid. Wat hield het beleid van de NS in? In 1941 aanvaardde de NS het onderhoud aan materiaal van de Reichsbahn (locomotieven en wagons) uit te voeren in haar werkplaatsen. Daar stond tegen over dat de werknemers van NS niet in Duitsland te werk werden gesteld. Vanwege de daardoor ontstane werkdruk gelastte de Duitse bezetter op 11 augustus 1941 de werkweek te verlengen van 48 naar 54 uur. Er werd met deze overeenkomst een betere arbeidsprestatie verwacht.
De politiek van de directie van de NS (lees president-directeur dr. ir. W. Hupkes) was er op gericht werknemers niet naar Duitsland te laten sturen. Zij beriep zich daarbij steeds op een in juni 1940 gesloten overeenkomst: de NS werden bestuurd volgens de bestaande voorschriften waaronder het Reglement Dienstvoorwaarden (RD). Het RD behelsde dat het personeel slechts binnen de grenzen te werk kon worden gesteld. Daar stond wel een prijs tegen over:
– vervoer grondstoffen voor en producten van Duitse industrie;
– transport naar Duitsland van te werk gestelden;
– kolentransport;
– transport Joden, politieke gevangenen en
– groenten naar Duitsland.
Het personeel had daarmee een aparte status ten opzichte van andere werknemers die onder de arbeidsbureaus en Soziale Verwaltung een veel slechtere positie hadden. Niet meer dan 374 van de uiteindelijk in 1943 2.500 ‘uitverkorenen’ werden in Duitsland te werk gesteld. Het bleef bij dit lage aantal door het standvastige karakter van de directie die
– dreigde met aftreden;
– zei niet in te kunnen staan voor de goede gang van zaken;
– het onderhoud aanvaardde van de Reichsbahn en personeel inzetten op grensoverschrijdend verkeer.
Bron: Dr. A.J.C. Rüter, RIJDEN EN STAKEN, DE NEDERLANDSE SPOORWEGEN IN OORLOGSTIJD , Martinus Nijhoff, ‘s-Gravenhage, 1960.

13. Arthur Seyss-Inquart: Rijkscommissaris, van 1940 tot 1945 de hoogste niet-militaire gezagsdrager in Nederland.

14. De gemiddelde dagelijkse behoefte is in de huidige tijd 2000 kilocalorieën voor vrouwen en 2500 kilocalorieën voor mannen. Voor de vuist weg: een dagrantsoen van 450 kilocalorieën staat gelijk aan een portie dik gesneden gebakken frites met mayonaise of drie tot vier oliebollen.

15. Hoewel katholiek gedoopt was moeder Louisa Volger geen kerkganger. De nood was echter zo hoog dat zij om voedsel bedelde bij kapelaan Groene van de katholieke kerk in de Meer nabij de Middenweg.

16. Voedsel was zo schaars dat de overheid zich gedwongen zag het nog aanwezige voedsel zo eerlijk mogelijk te verdelen met voedselbonnen en gaarkeukens.

17. HEMA: tot op de dag van vandaag een populaire winkelketen. Op 4 november 1926 gaan de deuren open van de eerste winkel van de Hollandsche Eenheidsprijzen Maatschappij Amsterdam in de Kalverstraat in Amsterdam. Een warenhuis voor de gewone man en vrouw met een kleine beurs. De artikelen, van huishoudelijke apparaten, chocola, dames- en herenkleding tot ‘lekkere luchtjes’, werden verkocht tegen eenheidsprijzen van 10, 25 en 50 cent. De keuze was echter beperkt, van elk product werd slechts één uitvoering verkocht.

bron:
bezet Nederland, een persoonlijk verhaal van Gerrit Meents,
(gedeeltelijke) vertaling uit het Engels door Rob Snijders, originele versie via deze link.
Met vriendelijke toestemming van Henk Werk.

Foto’s
scholen en straat d.d. 14 nov 2009 © joodsamsterdam.nl