Joods jongensweeshuis Megadle Jethomim

De zorg voor Joodse wezen kwam in de 18e eeuw op gang. Aan de basis van het Joodse jongensweeshuis stond Simon Mozes de Boer, die in 1771 in Amsterdam geboren was. Hij stelde het bestuur van dit weeshuis financieel in staat om een pand te kopen aan de Zwanenburgerstraat, dat als weeshuis geopend werd op 14 januari 1836. Zelf was hij van 1835 tot zijn dood op 28 november 1839 regent van dit weeshuis. In 1865 betrok men een nieuw pand, op de Amstel 21.

Het doel van de vereniging was “om weezen te helpen opvoeden, om ze te voeden en te kleeden, om ze Thora te laten leeren en ze voor een ambacht op te leiden”.
De vereniging bestond langer, sinds 1738, en was opgericht door de Hoogduitse gemeente. Men had niet gelijk een weeshuis – eerst liet men de kinderen bij een eventueel overgebleven ouder of familie opvangen en ondersteunde men de wezen financieel. De zorg betrof meisjes en jongens, daar kwamen twee verschillende weeshuizen voor. Het meisjesweeshuis was op de Rapenburgerstraat gevestigd.
In 1925 werd het bestuur gevormd door vier bestuurders en vijf bijzitters – dus negen personen waarvan er vier het dagelijks bestuur vormden. De organisatie was voor de inkomsten afhankelijk van giften en legaten. De inkomsten waren niet altijd voldoende, want in het jaarverslag over 1914 – 1925 meldde de vereniging dat er (mede door de toestand rond de Eerste Wereldoorlog) sprake is van een financieel tekort en dat men zich zorgen maakt om de uitgaven waar men zich voor geplaatst ziet nu het pand 60 jaar oud is en opgeknapt moet worden. Om de financiën enigszins op peil te krijgen had het weeshuis, zoals ook het Burgerweeshuis, het privilege om een inzameling te houden “tweemaal per jaar in den middagen van het Loofhutten- en Paaschfeest soll man mit Biks (bus) arum goin“.
En dus ging in de vroege lente acht man op pad, onder leiding van de sjammes (koster), om geld in te zamelen en door de goede stemming onder de mensen vanwege het begin van de lente werd er dan ook aardig wat geld opgehaald. Hetzelfde gold voor de tweede inzameling, in de herfst. Dan wees de glimmende koperen bus op datgene dat men als Jood moet doen, de Tsedoko, het geven van een gift aan de armen.
Wezen konden worden opgenomen wanneer ze 5 jaar oud waren, maar de bovengrens voor opname was 10 jaar. Men kon in het huis blijven tot men 15 jaar werd, die leeftijd werd in 1763 tot 18 jaar verhoogd. Per maand werd er vanuit de vereniging hoogstens 6 gulden betaald voor kost- en inwoning. Daarbij woonden niet alle wezen in het weeshuis, maar ondersteunde de vereniging ook kinderen die in een gezin zaten met een grote financiële nood, wanneer bijvoorbeeld een van de ouders was overleden. De regenten van de vereniging hadden daarbij ook het recht om de kinderen uit huis te plaatsen en een ander gezin te zoeken wanneer bleek dat de overgebleven ouder niet geschikt was om voor de kinderen te zorgen. De kinderen kregen 1 keer per jaar nieuwe kleren, op de dag voor nieuwjaar (of dit 31 december is of de dag voor Rosj HaSjanah is niet bekend). Elke jongen kreeg dan: 1 hoed, 1 pantalon, 1 paar kousen en 2 hemden en om de 3 jaar een lakense mantel.

Na 1834 kregen kinderen die vertrokken ook nog kledingstukken mee, een douceur van dfl. 10,– en een getuigschift van goed gedrag. Men kon niet alle Joodse wezen in de stad opnemen, in eerste instantie alleen kinderen van leden. Daarbij beperkte men zich ook zodat de uitgaven voor de wezen niet tweederde van de inkomsten te boven gingen. De rest van het geld werd gebruikt voor kapitaalvorming en men belegde het geld ook. Zo kon in 1747 het Busschenschuthofje worden aangeschaft.
Door de financiën op peil te krijgen konden er in 1762 maximaal 26 wezen opgenomen worden.
In de Franse tijd waren de gegevens openbaar en waren de uitgaven per jaar gemiddeld dfl. 4493,–, de uitgaven dfl. 4540,– en kon men 23 wezen ondersteunen. In diezelfde tijd, op 29 juni 1808, bepaalde Napoleon Bonaparte dat per 4 november 1811 6000 jongens boven de 15 jaar uit de Godshuizen en gestichten van Weldadigheid geleverd moesten worden voor de opleiding tot militaire dienst. Ook het weeshuis moest 8 jongens leveren. Jonas Daniël Meijer wist dit te voorkomen, door 7 van de 8 aan te wijzen als theologiestudenten en een moeder aan hen te koppelen die het kind nodig had voor haar levensonderhoud, de 8e liet hij ziek verklaren. Uit dank maakte het weeshuis Jonas en zijn vrouw tot ereleden.

De oorlog
Het aantal weeskinderen liep in de oorlog op tot 100. Hierbij waren veel vluchtelingen uit Duitsland. De kinderen werden opgeroepen voor deportatie, maar doordat er een kind roodvonk had kon de huisarts dit zo lang mogelijk uitstellen. Op 10 februari 1943 (andere bronnen: 5 maart 1943) werd het weeshuis echter toch ontruimd waarbij alle kinderen en 3 verzorgers (waaronder directrice Saartje Hamburger) direct op transport gesteld werden naar Sobibor. Twee kinderen konden ontsnappen uit de trein, en werd werden kinderen uit de trein gesmokkeld door de Joodse Raad en adjunct-directeur Koos Caneel.
De bewoners van dit weeshuis in de oorlog waren:

Saartje Hamburger (Utrecht, 21 juni 1900 – Sobibor, 5 maart 1943) directrice,
Ella Rebekka Bing (Groningen, 15 november 1906 – Sobibor, 5 maart 1943) hoofd in de huishouding,
Naatje van Tijn (Amsterdam, 14 augustus 1919 – Auschwitz, 22 oktober 1943),
Jo Veerman (Hilversum, 28 juni 1922 – Auschwitz, 31 jan 1944),
David Ritmeester (Amsterdam, 6 nov 1922 – Auschwitz, 30 september 1942),
Juda Elsas (Amsterdam, 1 juli 1923 – Blechhammer, 31 maart 1944),
Abraham Blitz (Amsterdam, 17 augustus 1923 – Auschwitz, 30 september 1942),
David Wolf de Lange (Amsterdam, 17 september 1923 – Auschwitz, 31 maart 1943),
Nathan Pels (Amsterdam, 9 oktober 1923 – Sobibor, 28 mei 1943),
Oskar Glaser (Darmstadt, 2 december 1923 – Auschwitz, 30 april 1943) Oskar was inwoner van het weeshuis maar werd in Nijmegen door de Nederlandse politie opgepakt en overgebracht naar Westerbork.
Frederik Hekster (Amsterdam, 23 februari 1924 – Auschwitz, 30 september 1942),
Izak Linhardt (Nadworna, 4 april 1924 – Sobibor, 28 mei 1943),
Philip Ritmeester (Amsterdam, 2 mei 1924 – Auschwitz, 30 september 1942),
Juda Lomaz (Amsterdam, 9 februari 1925 – Auschwitz, 30 september 1942),
Werner Katz (Langenholzhausen, 28 februari 1925 – Bergen-Belsen, 31 mei 1945),
Hermann Grünthal (Frankfurt a d Oder, 11 mei 1925 – Auschwitz, 30 sep 1942),
Josna Kurt Goldschmidt (Hersfeld, 30 juni 1925 – Auschwitz, 30 september 1942, Josna kwam in 1939 naar Nederland met zijn broer Karl Nathan. Hun ouders werden in mei 1942 naar Majdanek gedeporteerd en daar vermoord,
Karl Nathan Goldschmidt (Hersfeld, 9 november 1926 – Auschwitz, 30 september 1942),
Alexander Friedler (Oberhausen, 3 juli 1925 – Auschwitz, 30 september 1942),
Elias Jozeph Groen (Amsterdam, 16 juli 1925 – Auschwitz, 30 september 1942),
Ludwig Neustädter (Hamburg, 16 augustus 1925 – Auschwitz, 30 september 1942),
Isaac Aluin (Amsterdam, 23 oktober 1925 – Auschwitz, 30 september 1942),
Max Rechtschaffen (Homberg, 21 november 1925 – Sobibor, 28 mei 1943),
Friedrich Jakob Kahn (Bingen, 28 februari 1926 – Auschwitz, 30 september 1942),
Felix Linhardt (Nadworna, 3 april 1926 – Sobibor, 4 juni 1943),
Jacob Dasberg (Amsterdam, 25 april 1926 – Auschwitz, 30 september 1942),
David Dankfried Mechlowitz (Hannover, 25 mei 1926 – Auschwitz, 30 september 1942), David wordt ook genoemd als bewoner van Werkdorp Wieringermeer,
Theodor Werthan (Rotenberg-Fulda, 14 juni 1926 – Auschwitz, 30 september 1942),
Nathan Salomons (Winschoten, 2 september 1926 – Auschwitz, 31 oktober 1944). Zijn vader was Heiman Salomons, handelaar in oud ijzer (1887-1932), zijn moeder Jetta Cohen (1890 Frankfurt am Main, 1942 Auschwitz),
Fritz Markowicz (Hamborn, 21 november 1926 – Sobibor, 28 mei 1943),
Emanuel Polak (Amsterdam, 26 februari 1927 – Auschwitz, 17 september 1943),
Bernard Ahrend (Frankfurt am Main, 28 mei 1927 – Sobibor, 5 maart 1943),
Manfred Jakob Grünebaum (Salmünster, 30 mei 1927 – Sobibor, 21 mei 1943),
Nathan Cohen (Hilversum, 18 juni 1927 – Sobibor, 9 juli 1943),
Maurits Abram Roger van Herpen (Amsterdam, 20 maart 1928 – Sobibor, 21 mei 1943), Maurits ging naar school op de 1e Montessorischool in Amsterdam. Toen woonde hij bij zijn moeder, Rosa Nathalie Weill,
David Gaarkeuken (Amsterdam, 16 april 1928 – Sobibor, 16 april 1943),
Mozes Aardewerk (Amsterdam, 1 augustus 1928 – Sobibor, 16 april 1943),
Louis Vreeland (Amsterdam, 22 september 1928 – Sobibor, 5 maart 1943),
Leo Schwarz (Amsterdam, 24 oktober 1928 – Sobibor, 9 april 1943),
Hans Meyer (Osnabrück, 30 december 1928 – Auschwitz, 19 november 1943),
Barend Korper (Amsterdam, 24 augustus 1929, Sobibor, 21 mei 1943), Barend woonde vanaf april 1943 bij zijn moeder, de weduwe Sophia Korper-Vreeland op Vrolikstraat 68-II. Niemand van dit gezin (Sophia, Izak, Judith, Rebecca, Barend en Jans) overleefde de oorlog,
Jonas Scheffer (Amsterdam, 30 januari 1929 – Sobibor, 9 april 1943),
Alfred Nathan (Keulen, 26 februai 1929 – Sobibor, 5 maart 1943),
Levie Jacob Kets de Vries (Amsterdam, 19 november 1943 – Auschwitz, 19 november 1943),
Arie Mendels (Amsterdam, 27 mei 1929 – Sobibor, 5 maart 1943),
Gerd Rolef (Euskirchen, 12 juli 1929 – Sobibor, 28 mei 1943), Gerd vluchtte met zijn 2 zusjes in de jaren 30 naar Nederland. Gerd woonde in het jongensweeshuis, zijn zusjes in het meisjesweeshuis. De ouders, die nog in Duitsland woonden, zijn gedeporteerd en vermoord evenals de kinderen.
Josef Bohrer (Chemnitz, 9 oktober 1929 – Sobibor, 7 mei 1943), Joseph was ondergedoken op 1e Helmersstraat 287hs,
David Pach (Amsterdam, 22 oktober 1929 – Sobibor, 11 juni 1943). David werd met het kindertransport uit Vught via Westerbork naar Sobibor gedeporteerd,
Benjamin Ahrend (Frankfurt am Main, 6 januari 1930 – Sobibor, 5 maart 1943),
Andries Simon Springer (Amsterdam, 16 maart 1930 – Auschwitz, 11 februri 1944),
Maxje Konijn (Amsterdam, 9 april 1930 – Sobibor, 2 juli 1943),
Salomon Vreeland (Amsterdam, 14 juni 1930 – Sobibo, 5 maart 1943),
Victor Emanuel Wittenburg (Amsterdam, 1 augustus 1930 – Auschwitz, 2 augustus 1942),
Marcus Maurits Kets de Vries (Amsterdam, 19 september 1930 – Auschwitz, 19 november 1943),
Wener Moritz Schuster (Ober-Seemen, 20 oktober 1930, Sobibor, 5 maart 1943),
Elias Peeper (Amsterdam, 10 mei 1931 – Sobibor, 5 maart 1943),
Gottlieb Frank (Düsseldorf, 21 juni 1931 – Sobibor, 5 maart 1943),
Louis Lakmaker (Amsterdam, 23 september 1931 – Sobibor, 21 mei 1943),
Zacharias Polak (Amsterdam, 20 januari 1932 – Sobibor, 28 mei 1943),
Elkan Lion Joosten (Amsterdam, 22 augustus 1932 – Sobibor, 21 mei 1943),
Hessel Joosten (Amsterdam, 22 augustus 1932 – Sobibor, 21 mei 1943),
Eliazer Aandagt (Amsterdam, 27 oktober 1932 – Auschwitz, 7 september 1942) en zijn broer
Hartog Aandagt (Amsterdam, 19 april 1934 – Sobibor, 21 mei 1943). De vader van Eliazer en Hartog was overleden, moeder leefde nog.
Hartog Brandon (Rotterdam, 23 mei 1933 – Sobibor, 16 april 1943),
Alfred Wertheim (Amsterdam, 7 juni 1933 – Sobibor, 13 maart 1943),
Leon Gaarkeuken (Amsterdam, 13 juni 1934 – Sobibor, 5 maart 1943),
Abraham Segal (Amsterdam, 24 mei 1934 – Sobibor, 16 april 1943),
Samuel Kops (Amsterdam, – Sobibor, , zie ook hier.

Oud-werknemer:
Vlak voor de oorlog werkte Esther Appel (Amsterdam, 22 mei 1918 – Bergen Belsen 12 april 1945) hier en ze was verzorgster. Ze ontmoette Barend Scheffer er en trouwde met hem. Esther woonde op de Nieuwe Prinsengracht 52-3. Ze woonde dus niet meer tijdens de ontruiming van het weeshuis op deze locatie. Zie ook hier.

foto’s van de sloop van het weeshuis (met dank aan I Salomons).

 

 

bron:
jhm,
Algemeen Dagblad, 28 april 1917

nrc 9 juni 1925,
www.joodsmonument.nl (geraadpleegd 12 oktober 2017)
Over Samuel Kops in J.H. Coppenhagen, Anafiem Gedoe‘iem. Overleden joodse artsen uit Nederland 1940-1945 (Rotterdam 2000) 110

Illustraties:
met dank aan I Salomons

Laatst bijgewerkt:
22 mei 2018