joodsch symphonie orkest (jso)

Oprichting

jso1

In 1941 liet de bezetter alle Joodse orkestmusici ontslaan. Dat was een onderdeel van de arisering van de maatschappij. De Joodse musici gingen echter niet thuis zitten, maar het Joodsche Symphonie Orkest werd opgericht met 73 musici onder leiding van dirigent Albert van Raalte. Het orkest speelde 8 maanden, het eerste concert was op 16 november 1941. Van de musici overleefde de helft de oorlog.
jso2Twee weken voor het eerste concert verscheen in het Joodsche Weekblad van eind oktober 1941 een verslag van de repetitie, dat hiernaast wordt weergegeven. De foto’s zijn van fotograaf Wim Loopuit, fotograaf van het NIW voor de oorlog en het Joodsche Weekblad in de oorlog.

Het J.S.O. reperteert
Eigenlijk was het voor een gewoon mensch heel vreemd. In een zaal, waar, op concerten en tooneel- of operette-uitvoeringen, hoogstens 300 toehoorders en -schouwers netjes naast elkaar op lange rijen stoelen kunnen worden geplakt, zat nu “de muziek”. Daar zaten, in de zaal, bijna zeventig heeren plus een paar dames terwijl een heer-in-hemdsmouwen op een verhooginkje met een lessenaar voor zich en een steuntje in zijn rug, stond. De heer was de dirigent. En deze dirigent met zijn zeventig strijkers en blazers, plus slagwerkers en de eene tokkelaarster vulden de zaal.

jso3Zij vulden de zaal werkelijk, want een bas met een strijkstok beaaien, kun je niet als je knieën tegen de rugleuning van je voorbuurman drukt en zelfs een violist of een fluitist heeft meer ruimte noodig, dan een gewone toehoorder, die toch nooit een lessenaar gebruikt op ongeveer één meter afstand voor zich, als hij alleen maar komt kijken en luisteren naar tooneel of operette.
Enfin de muziek zat in de zaal en het publiek, dat was ik, slungelde rond in de buurt van het toneel. Zoodat ik maar zeggen wil, dat ik een repetitie van het Joodsche Symphonie Orkest der Van Leerstichting heb meegemaakt.
Bij elk concert, dat ik tot dusver bijgewoond heb, ben ik altijd een tikje jaloersch op den dirigent geweest. Hij mag het laatste van alle spelers binnenkomen. Hij heeft meestal de best zittende rok aan en hij hoeft niet te spelen. Hij slaat alleen maar de maat, neemt elegante standen aan en dankt voor het applaus. En het orkest speelt maar. Dat gaat blijkbaar vanzelf.
jso4Op zoo’n repetitie zijn de rollen omgekeerd. Daar is de dirigent de hardst werkende, ploeterende man. Hij duikt, zwaait, buigt zich diep voorover, maakt kniebuigingen, leunt levensgevaarlijk achterover, laat zijn grijzende haren naar links, naar rechts, naar voren en naar achteren wapperen en telkens onderbreekt hij zijn ingewikkelde gymnastische oefeningen en spreekt tot zijn muziekmakers.

Zoolang hij zich in bochten wringt, en op andere manieren steeds maar weer zijn evenwicht poogt te verliezen -daarbij steeds in zijn notenboek kijkend en zijn tooverrietje zwaaiend- spelen zijn muziekmakers.

jso5Maar blijft hij plotseling als een standbeeld staan, dan verstarren de 24 violisten en de vijf contrabassisten en de vijf cello’s en de acht alten en al het koper en het hout en de eene harpiste achter haar gouden instrument ook.
En dan begint de dirigent te spreken.
En hij zegt soms rare dingen.
“Slinkt u die noot nu in” sprak hij met nadruk tot een serie blazers of strijkers, dat weet ik niet meer. En de heeren waren niet zoo goed of ze moesten de noot inslikken. Het heele orkest moest hen daarbij helpen. Het orkest nam een aanloop, maar de groep had niet goed geslikt. Nog eens over. En waarlijk bij de tweede keer, werd de noot totaal ingeslikt. Maar iedereen had er ook aan meegeholpen.

Het ging weer een tijdje gewoon. Toen keek Albert van Raalte weer even op en bleef stokstijf staan. De muziek zweeg. En de heer Van Raalte sprak: “Trombones, u moet ons tot het crescendo verleiden, dat is Uw taak.” De trombones, althans hun bespelers, knikten en direct begonnen zij, nadat de dirigent het sein tot den aanval had gegeven, hun verleiderstaak. Het klopte.
jso6En toen waren het plotseling de eerste violisten, die iets misdreven hadden. En dat zijn niet de eersten de besten. Dus zei de dirigent beleefd maar nadrukkelijk: Heeren, hierm,ee kan ik geen genoegen nemen. En ze deden het weer anders. En toen hoorden we het geheel nog eens en nu ging het zonder stopplaatsen en de dirigent, die het nog wel erg druk had met dirigeeren, kon toch nog gauw een sigaret opsteken en als-ie zijn beide handen noodig had, de sigarettenrook uit zijn neus laten ontsnappen. Wat hij met welbehagen deed. En toen was het elf uur en zei de baas , dat het pauze was. Van welke gelegenheid iedereen gebruik maakte om bij de koffie een deel der broodbonnen op de eten. Ook de groep, die een noot ingeslikt had, deed dat. Het was blijkbaar toch maar een heel klein nootje geweest.
Chajiem.

Bij de foto’s
Tijdens de repetities van het Joodsche Symphonie Orkest, dat binnenkort zijn eerste concert zal geven, heeft onze fotograaf, de op deze pagina afgedrukte snapshots gemaakt. bij (1) verraste tijd tijdens een korte pauze den dirigent Albert van Raalte in een gemoedelijke bespreking met beide concertmeesters Sam Swaap en Leon Rudelsheim. Op (2) is hij weer in volle actie: dringend wendt hij zich tot de tweede violen, waarvan men een deel van de twaalf op de foto (4) ziet. Op foto (3) ziet men den dirigent echt pauzeren: hij rust een oogenblik zittende op zijn dirigeerstoel, een sigaretje rookend. Foto (5) werd gemaakt tijdens de pauze om even elf uur in den ochtend, waaruit men zien kan, dat strijken en blazen ook hongerig maken. Foto (6) een batterij van het welvoorziene koper.