joodsche invalide

Joodse-Invalide_1920webHet begin
Voor de oorlog werden er grote inzamelingsacties op de radio én loterijen gehouden om een tehuis voor Joodse invaliden te stichten.
Voor deze groep werd door Rabbijn Meyer de Hond al in februari 1911 een vereniging opgericht, “De Joodse Invalide”.
De reden tot de oprichting van deze organisatie was dat de groep een beetje tussen de wal en het schip dreigde te geraken. Er waren Joodse instellingen voor zieken, mensen in geestelijke nood werden goed opgevangen, maar de bejaarde en chronisch invalide Joden werden, vanwege ruimtegebruik in het Nederlands Israëlitische Ziekenhuis (NIZ) aan de Nieuwe Keizersgracht, “opgeborgen” in het stedelijk Werkhuis aan de Roetersstraat.
Nu werd het in dit werkhuis wel rekening gehouden met de Joodse bewoners. Het NIZ verzorgde drie keer daags een koosjere maaltijd voor de bewoners, en er was een zaaltje op de Roetersstraat waar men kon samenkomen op sjabbat en tijdens de feestdagen. Maar het was zeker geen eigen plek en de rabbijn schreef in 1911 een brochure, genaamd “Een Joods hart klopt aan uw deur”.

De rabbijn beschreef in de brochure de omstandigheden in het werkhuis. Zo schreef hij: “Wat aan lichaam en moraal in onze hoofdstad versleten is, wat verliederlijkt en vervuild uit walg-vieze pest-stinkende krotten gelucht wordt, wat drank-verzwijnd van straten geraapt, of smerig-ziek, bedelend van pleinen, bruggen en grachten geveegd wordt, komt achter dit poortje onder dak. Maar behalve dezen bevinden zich in de inrichting een groot, zeer groot aantal brave mannen en vrouwen, die in hun leven als fatsoenlijke, eerlijke mensen gezwoegd en gezweet hebben, om tenslotte, omdat zij toevallig arm, of invalide, zijn en geen familie of kerkgenootschap hun lot aantrekt, gedwongen zijn hun laaste dagen onder en met de straks geschetsten, zij dragen dezelfde kleeren, krijgen hetzelfde voedsel, slapen op dezelfde zaal, staan onder hetzelfde regime”.

steenlegging Joodsche Invalide Mr. Maurits LevieBinnen een maand had de vereniging 4000 leden, een jaar later, op 10 december 1912, werd een tehuis geopend op de Nieuwe Keizersgracht 70. Het pand was geschonken door Jacques Deen. Er was hier plaats voor 10 mannen en vrouwen er was een huissynagoge in het pand gevestigd. Het pand werd al snel te klein en aan de overzijde, op 31, werd in 1919 een tweede pand betrokken en kon men in totaal 66 bewoners huisvesten.
Inmiddels was Dr S I Norden voorzitter van de vereniging. Norden overleed op 20 november 1923 en werd opgevolgd door I. Gans, die uit de diamantwerkersbond kwam.
Al ras groeide de wachtlijst weer en in 1924 werd de eerste steen gelegd voor een nieuw gebouw aan de Nieuwe Achtergracht 98 onder architectuur van Jan Frederik Staal en Harry Elte. Een jaar later kon dit gebouw betrokken worden (prentbriefkaart 1920)
Maar nadat vanaf 1933 de Joodse vluchtelingen uit Duitsland kwamen was ook dit nieuwe gebouw te klein en moest er weer een nieuw gebouw komen. Iets verder, op de hoek met het Weesperplein, stond de voormalige diamantbeurs Concordia en dit terrein werd aangekocht. Deze diamantbeurs was in 1910 gebouwd in opdracht van Vereeniging Diamantclub Concordia en in 1926 werd deze beurs opgeheven.
De eerste steen voor de uitbreiding van de Joodsche Invalide werd in 1936 gelegd, in 1937, op 19 september, werd het gebouw ingewijd. De legging van de eerste steen is te zien in het tweede filmpje. Het eerste filmpje is het bioscoopjournaal van 22 juni 1924 over de bouwloterij voor de Joodsche Invalide.

De architecten van dit deel waren Jan Frederik Staal en Oesterman. Zij gebruikten veel glas en baksteen en lieten zich inspireren door een stijl die in Amsterdam populair was, de Amsterdamse School.

invalideModern
Honderden Joodse ouderen, invalide of niet, sleten er hun oude dag. Men liet de ouderen doen wat ze konden. Wie aardappels kon schillen, hielp daar mee, wie alleen nog maar tot 10 kon tellen, maakte stapels van de handdoeken. Bewoners hielpen actief mee aan hun bestaan en hun onderhoud. De opzet van deze instelling was heel vooruitstrevend. De patiënten werden geen patiënten maar mensen genoemd en er werd zoveel mogelijk gezocht naar vervangend werk voor invalide geworden mensen.

Ontruiming
Het gebouw kwam in 1937 tot stand en 6 jaar later, op 1 maart 1943, werden de de laatste 236 inwoners en personeel door de bezetter op transport gesteld. Dit ging met veel geweld gepaard. Lou de Jong schrijft hierover: “Kisch zag hoe bejaarde patiënten de trappen afgesmeten werden”.

Na de oorlog
Na de oorlog is de Joodse Invalide blijven bestaan. De Joodse bevolking was voor een groot deel uitgemoord. Dat was dan ook de reden dat de financiën sterk terugliepen en het bestuur de bekostiging van het onderhoud niet meer kon opbrengen. In 1948 gingen diverse Joodse instellingen op het gebied van de bejaardenzorg samenwerken en kwam een legaat vrij. In 1951 werd de overkoepelende organisatie JOLIN opgericht waarbij verschillende tehuizen in het hele land waren aangesloten. In hetzelfde jaar verhuisde men naar Henri Polaklaan 6-10, het pand op de Nieuwe Achtergracht / Weesperplein was te groot geworden.
Dit pand bleef wel een bestemming houden binnen de zorg, nu is de Amsterdamse GGD er gevestigd.

joodseinvalidebusje1web joodsinvalidefoto2web

bron:
wikipedia,
stadsarchief amsterdam,
Algemeen Handelsblad, 21 nov 1923, rouwadvertentie
informatie concordia nai.nl,
Röst, Annet, Herinneringen aan de Joodsche Invalide in Nieuw Israëlietisch Weekblad, 12 september 2014.

 

 

Illustraties:
foto: de legging van de 1e steen van de Joodse Invalide door Mr. Maurits Levie.
foto’s busje met dank aan Elsje Prins,
filmpje met dank aan Anneke Levie.


Laatst bijgewerkt:

10 juni 2016.