joodse slaveneigenaren

indexsusannaasdaalDeze website gaat over de Joodse geschiedenis van Amsterdam en Rotterdam. Amsterdam heeft nog meer gezichten. Zo wordt de Gouden Eeuw en de invloed van de Joodse bevolking op die periode vaak belicht maar ook de slaverij heeft sporen achtergelaten in Amsterdam en ook bij de Joodse bevolking zijn slaveneigenaren te vinden.

De Amsterdamse Joden speelden een belangrijke rol in Brazilië; in Suriname herinnert de plaats Jodensavanne aan de Joodse geschiedenis en er is dus geen reden om aan te nemen dat er onder de Amsterdamse Joden geen slaveneigenaren geweest zouden zijn.

Docent geschiedenis Dienke Hondius, van de Vrije Universiteit van Amsterdam, heeft in juni 2012 een kaart gepresenteerd met zo’n 80 namen en adressen van Amsterdamse slaveneigenaren ten tijde van de afschaffing van de slavernij op 1 juli 1863 (Keti-Koti).
Omdat de eigenaren in 1863 een financiële compensatie kregen (de slaven zelf kregen niets) zijn hun gegevens bewaard gebleven in de archieven. Deze 80 mensen waren heel verschillend, van rijke Amsterdammers tot een keukenmeid. Een groot deel van hen was eigenaar maar had nog nooit een voet gezet in Suriname. Ze lieten hun zaken regelen door vertegenwoordigers. Slaven kon men zelfs krijgen via een erfenis….

Onder deze 80 mensen waren er ook enkele Joden. In de 19e eeuw was 10% van de Amsterdammers van Joodse afkomst, en er waren 9 Joodse slaveneigenaren in Amsterdam, waarvan het grootste deel dat werd door één erfenis.

Overigens was de slavernij in de 19e eeuw al op zijn retour. Het was al duidelijk dat de afschaffing eraan zou komen en er werden al beduidend minder slaven gehouden dan in de eeuwen ervoor.

Nieuwe Keizersgracht 13
Rebecca de Miranda (22 dec 1846)
Rebecca de Miranda was net zoals Abraham Robles erfgenaam van Samuel Henriquez Moron, en daardoor ook mede-eigenaar van plantage Susanna’s Daal in Waycoribo. Ze was de dochter van Mozes Salomon de Miranda en Rachel Nahar en was gehuwd met David H Arrias. Ze overleed waarschijnlijk op 21 jan 1866, 19 jaar oud.

Weesperstraat 46
Jeudith da Costa (21 juli 1847)
Jeudith da Costa was erfgenaam van Josua Aron da Costa. De plantage was Etablissement Bergerac in Boven Commewijne. Ze was gehuwd met Abraham Nunes Monsanto, die op die plantage divisieheelmeester was. Zij krijgen op 12 maart 1869 een dochter, Louise Grace Monsanto, en al eerder nog een dochter, Rebecca Henriette en een zoon, Arthur Jules. Louise trouwt op 24 dec 1889 in Paramaribo met Maurice Nassy (Paramaribo, 1 nov 1856 – Den Haag, 28 nov 1930). Zij krijgen 2 zoons, Henri George en Willem Cornelis.

Weesperstraat 87
Rebecca Nunes
Rebecca Nunes was erfgenaam van de hier al vaker genoemde Samuel Henriques Moron. Daardoor bezat ze enkele slaven, maar ook doordat ze erfgenaam was van Joseph Nunes. Vanwege Moron was ze ook mede-eigenaar van plantage Susanna’s Daal in Waycaribo.

Nieuwe Kerkstraat 91
Sara de Meza
Sara de Meza is gehuwd met Bernard Emanuels. Ze was de dochter van Samuel David de Meza en Deborah d’Fonseca. Ze erfde de slaven van haar vader. Ze heeft een tijd in Suriname gewoond want ze bevalt op 14 maart 1863 in Suriname (volgens Surinaamsche Courant).

Nieuwe Kerkstraat 93
Abraham Robles (1802)
Abraham Robles was erfgenaam van Samuel Henriques Moron. Naast slaven was hij tevens mede-eigenaar van plantage Susanna’s Daal in Waycoribo. Waarschijnlijk betreft het hier Abraham Robles van 17 juli 1802. Hij huwde op 1 feb 1799 met Reijnalda Raphael Montesinos en samen kregen ze 12 kinderen. Nu staat er in hun stamboom zo’n 580 nakomelingen.

Nieuwe Kerkstraat 131
Esther Levie Machielse
Op dit adres was vanaf 1833 het Nederlands Israëlitisch Oude Mannen- en Vrouwenhuis gevestigd. Esther kreeg 7 slaven uit een erfenis van weduwe Lyon Gideon Machielse (geb 1790 in NL – Paramaribo, 17 sep 1821), Malka Haim Heijmans (1781 – ?). Het echtpaar had 4 kinderen, Haim (? – 1819), Gideon (1813 – 1875), Esther (1814 – ?) en Bilha (1817 – 1822). Esther kwam in het Oude Mannen- en Vrouwenhuis terecht.

Rapenburgerstraat 86
Abraham Nunes (9 juni 1835)
Abraham Nunes was erfgenaam van Samuel Henriques Moron en van Joseph Nunes. Door de erfenis van Moron was hij mede-eigenaar van plantage Susanna’s Daal.
Joseph Nunes is een Joodse makelaar in suiker in Recife (Brazilië), zo blijkt uit een inventarisatie uit 1835.

Rapenburgerstraat 110
Joseph de Vries
Joseph de Vries was eigenaar van 4 slaven in Suriname. Hij was commissionair en graveur van beroep.

Valkenburgerstraat 71
Rachel Eliazer Gomperts (30 maart 1822)
Rachel woonde op de Steenwerfsgang / Valkenburgerstraat. Niet een rijk deel van de stad, en ze erfde één slaaf uit de erfenis van E. Gomperts – Salomons (waarschijnlijk Esther Gomperts- Salomons, geboren te Paramaribo op 22 nov 1813 en overleden te Paramaribo op 27 aug 1854).

Susanna’s Daal (litho boven)
Een aantal van de hiernaast genoemde personen hebben hun slaven via een erfenis en de slaven wonen op een en dezelfde plantage. De koffieplantage Susannaasdaal ligt stroomafwaarts aan de rechteroever van de Surinamerivier. De plantage is een samenvoeging van de originele plantage met de plantage Clevia . De volksnaam luidt: “Moeserisi”.
Mr: Hendrik Nicolas Herbert, advocaat, was de aanlegger van de plantage Susannaasdaal. Hij verkreeg de volmacht in 1754. Hij noemde de plantage naar zijn echtgenote, Susanna Nepveu. Herbert overleed in 1756. Het huwelijk is waarschijnlijk kinderloos gebleven, want bij latere inventarissen worden geen kinderen Herbert genoemd. Susanna hertrouwde in 1757 met J. P. H. Mutselius, die onder Herbert de “jongste pracktisijn” van de advocatenfirma was geweest. Vanaf die tijd wordt Muzelius als de eigenaar genoemd, hoewel de plantage feitelijk aan zijn vrouw behoorde. Door de eeuwen heen komt de plantage in verschillende handen en ten tijde van de afschaffing van de slavernij wonen er 209 slaven op de plantage. Hoofdeigenaar is dan Joshua Lyon.

Elieser
Buiten deze gegevens is er het verhaal over slaaf Elieser. Hij kwam in 1610 naar Nederland (was hier geen slaaf meer, was hier verboden), werd Joods zoals zijn eigenaar Paul de Pina en overleed op 27 maart 1629. Hij werd begraven op de Joodse begraafplaats Beth Haim in Ouderkerk. Zijn maitseiwah (grafsteen) werd daar in 2002 ontdekt en heeft de tekst “Graf van de goede bediende Eliezer”.
Paul de Pina was een van de oprichters van de begraafplaats Beth Haim. Naast het graf van Elieser ligt overigens Jacob Israel Belmonte begraven (Madeira, 1570). Belmonte overleed in december 1629 en was een van de rijkste kooplieden van de Sefardiem. Hij haalde uit Angola slaven, die hij verhandelde in West-Indië.

bron:
gahetna.nl,
googlemaps – Dienke Hondius,
nljewgen.org,
genealogieonline.nl,
geneanet.org