kokadorus door n. polak

N Polak uit Huizen was familie van Kokadorus, Meijer Linnewiel. Hij kende hem, woonde in dezelfde stad, en hij schreef op 31 maart 1967 in het NIW een reactie op een artikel over Kokadorus.

In uw laatste nummer trof mij bijzonder het artikel over wijlen de heer Meyer Linnewiel alias prof. Kokadorus. Hij was een neef van wijlen mijn vader, alleen circa drie jaar ouder. Het was volgens overlevering in 1870 dat verschillende joodse families n Leeuwarden, waaronder ook mijn grootouders besloten de armoede daar te ontvluchten en naar Amsterdam te trekken waar de Kaapse tijd nog hoogtij vierde. Mijn grootmoeder had de meeste haast want nauwelijks aangekomen in Amsterdam en gevestigd Ververstraat 1, waar ze bijna 50 jaar bleef wonen, werd mijn vader geboren.

Toen mijn vader de leeftijd had bereikt, circa 11 jaar, kwam hij als leerling bij ’t Vak (diamantslijpen) en volgens hem had Meyer Linnewiel ook enkele jaren achter de molen gezeten, zoals dat heette maar de Kaapse tijd was toen al legende en het diamantvak als eb en vloed van de zee.

Persoonlijk zie ik Linnewiel zoals hij op Sabbat, met hoge hoed, tallis onder de arm, rijk onder de rijken, arm onder de armen, uit zijn woning kwam op de Jodenbreestraat, naar ik meen boven de beddenwinkel van Van Maarssen. Op dat moment ging ik dan dikwijls met een Portugees vriendje mee naar de snoge, het was van ons jeugd gewoonte om afwisselend verschillende sjoelen te bezoeken. Met wijlen mijn vader waren we enkele malen bij hem op visite op Sabbat en de herinnering aan die intieme warme joodse sfeer blijft onvergetelijk. Grote zorg de gehele week maar op Sjabbat alles vergeten, zeker bij de jongeren.

Toen ik op maandagmorgen eenmaal, met pakjes beladen als jongen van 12 voor de zaak, waar ik toen werkte, even bleef staan op het Amstelveld, herkende de professor mij direct. Of ik net zo’n slampamper wou worden als al die kerels, die daar stonden te wachten tot hij ze de laatste cent uit hun zak smoesde of dat ik een flinke jongen wou worden, dan moest ik maar gauw doorlopen. Of het door zijn raad was weet ik niet, ik werk thans — nu 55 jaar — nog in dezelfde zaak, wel wat belangrijker geworden – nu als mede-eigenaar en directeur.

Meyer Linnewiel heb ik nooit horen vloeken of woorden horen gebruiken welke de kritiek van het fatsoen niet konden doorstaan. Wij hebben ons losgeworteld uit poelen van armoede en onwetendheid maar aan onze fundering hebben onze ouders en figuren als wijlen Meyer Linnewiel en zijn tijdgenoten in hoge mate medegewerkt.

bron:
Nieuw Israëlietisch Weekblad, 31 maart 1967, Kokadorus

laatst bijgewerkt:
31 oktober 2015