Lau Mazirel

laumazirelLau Mazirel heeft een zeer belangrijke rol gespeeld in het verzet in Amsterdam. Er zijn nog steeds sporen van haar te vinden, zo heet de brug over de Nieuwe Keizersgracht bij de Roetersstraat de Lau Mazirelbrug.

Laura Carola werd geboren op 29 november 1907 in Gennep als Laura Carola Mazirel en werd tweetalig opgevoed. Lau sprak ook vloeiend Duits, wat later nog goed van pas kwam.
Het gezin was zeer pacifistisch ingesteld en deze opvoeding had zijn invloed op Lau. Tijdens de 1e Wereldoorlog hielpen haar ouders vluchtelingen en landverhuizers. Ze gaven voedsel, onderdak en onderwijs; moeder Mazirel was onderwijzeres.
In 1917 verhuisde het gezin naar Utrecht. Vader werkte bij de Nederlandse Spoorwegen en Utrecht was zijn nieuwe standplaats nu de zuidelijke spoorwegen samengaan met de andere maatschappijen. Haar vader overleed echter vroegtijdig en haar moeder – met wie Lau niet goed overweg kon – begon dan een Fröbelschool (soort kleuterschool) om geld voor haar gezin bijeen te krijgen. Lau leerde toen al voor zichzelf opkomen en trok veel rond in de omgeving van Utrecht.
Ze ging rechten en filosofie studeren en werd actief in de Sociaal Democratische Studentenclub.
Ze vertrok in 1929 naar Amsterdam. Deels om uit de buurt van haar moeder te komen, deels om dichter bij haar liefde Leo Waterman, Joods filosoof en KNO-arts, te komen. Ze ging wonen in een socialistische commune op de Marco Polostraat 223. Deze commune stond onder leiding van Irene Vorrink.
Lau studeerde in 1930 af en ging werken als juridisch adviseur bij het Medisch Opvoedkundig Bureau, en ze hielp vluchtelingen die door het opkomende nazi-regime steeds meer naar Nederland komen.
In 1937 begon Lau haar eigen advocatenpraktijk en richtte zich op vluchtelingen- en vreemdelingenzaken én homoseksuelen die op grond van artikel 248bis WVS (contact tussen personen van hetzelfde geslacht waarvan 1 meerderjarig en 1 minderjarig is) vervolgd werden.
Naast haar werk was Lau ook reisleidster en ging zo in 1937 naar de Wereldtentoonstelling in Parijs waar ze de Guernica ziet van Picasso. Daarnaast kwam ze in Duitsland op lezingen waar ze de wetenschappelijke theorieën hoort over de rassenleer.
In deze tijd zijn er al concentratiekampen in Duitsland en door haar contacten daar bezoekt ze deze “ontluizingskampen”, fotografeert ze en ze krijgt van de omwonenden informatie. Zo doorziet ze de ware aard van deze kampen en merkt ze ook dat hier de SS-ers werden opgeleid.
Terug in Nederland probeerde ze tevergeefs de regering en Joodse instanties ervan te overtuigen dat het belangrijk is om alle verwijzingen omtrent etnische achtergrond en religie te verwijderen uit de bevolkingsregisters. Dat werd niet gedaan en later maakt de bezetter gebruik van de registratie van de Joodse achtergrond van personen die af te lezen was in het bevolkingsregister. Inmiddels hebben Leo en Lau eind jaren dertig twee kinderen, Leo en Wolf Waterman.

De oorlog wordt voor haar een zeer intensieve periode uit haar leven. Haar praktijk zet ze voort maar het werk vermindert. Ze mag niet pleiten voor Duitse rechtbanken en nog maar weinig Nederlandse rechtbanken functioneren nog. Haar kantoor op de Prinsengracht is echter de uitgelezen plek om, naast een legaal, ook een illegaal netwerk op te zetten en zo wordt haar kantoor een ontmoetingsplaats van het verzet en heeft ze onderduikers in huis. Gelijktijdig kan Lau veel voor elkaar krijgen bij hoge Duitse officieren, en haar perfecte beheersing van het Duits speelt daarbij een grote rol. Zo heeft ze intensief contact met SS-Hauptsturmführer Aus der Fünten.
In 1942 was Lau er al van overtuigd dat de transporten van mensen uit Westerbork niet voor de Arbeitseinsatz was, maar voor de vernietiging en ze kon tot haar grote spijt hier op 11 juni 1942 voorzitter Asscher van de Joodse Raad niet van overtuigen. Zelfs haar uitspraak, dat ze de informatie van Aus der Fünten zelf had gekregen, hielp niet. Kort daarna, in de nacht van 14 op 15 juni, vond de eerste deportatie plaats; 4000 mensen die zich hadden aangemeld voor de “Arbeitseinsatz”.
Haar kinderen, halfjoods, moeten onderduiken en kwamen in Groningen terecht, en ook haar Joodse man duikt in 1942 onder.
Lau gaat door in het verzet. Ze is een van de bedenkers van de aanslag op het bevolkingsregister in Amsterdam, maar Gerrit van der Veen vond het niet goed dat ze meeging aangezien ze te klein van gestalte is. Ze zou niet overtuigend overkomen als een Duits militair in de nagemaakte uniformen.
In de periode ’43 tot ’45 volgen er drie invallen in haar praktijk waarbij bij de tweede en derde inval de onderduikers worden opgepakt en weggevoerd. Verder is ze nauw betrokken met het redden van kinderen uit de Hollandse Schouwburg en loopt op het station rond om bluffend mensen uit de deportatie te krijgen. Wanneer kinderen gedeporteerd worden springt ze op de trein om bij Station Rietlanden er samen met kinderen uit te springen, en ze zorgt dat onderduikers voedselbonnen krijgen. Hieronder is ook de familie Frank.
Lau werd eind 1944 gearresteerd en kwam in de gevangenis aan de Weteringschans terecht. Daar werd ze na zes weken vrijgelaten; haar dossier was zoekgeraakt en niemand weet nog waarom ze daar zit.
Na de oorlog gaat Lau weer werken in de advocatuur (tot 1956) en krijgt haar derde zoon, Henri, op 17 mei 1951. Lau neemt deel van de commissie die later het Dagboek van Anne Frank heeft laten uitgeven. Verder zet ze zich in voor homoseksuelen, werd raadsvrouw van het COC, verdedigde abortus-arts Wim Storms en bedenkt met haar tweede man de term “homofiel” om de seksuele connotatie van homoseksueel te verminderen.

Lau blijft actief in Nederland maar vertrekt wel in de zestiger jaren naar Frankrijk. Haar gezondheid ging achteruit, maar in 1971 komt ze nog een keer naar Nederland in verband met de door haar bekritiseerde volkstelling. Ze wijst op de gevaren van de registratie van persoonsgegevens.
In 1972 verongelukt haar zoon Henri en op 20 november 1974 overlijdt Lau in Frankrijk
.

bron:
www.omzien.nl

laatst bijgewerkt:
14 januari 2018