mirjam bolle

In februari 2012 mocht ik Mirjam Bolle in Jeruzalem interviewen. Dat interview was de basis voor gegevens over diverse artikelen op de website, onder meer het artikel over de Joodse Raad. Op 23 augustus 2016 was Mirjam in Amsterdam en vertelde haar verhaal in het nieuwe Holocaust Museum. Tijd voor een pagina over Mirjam Bolle – Levie.

leviemoritzlevieIn de buurt van de Montelbaantoren werd Mirjam Sophie Levie geboren als dochter van Sara Levie – Oesterman (Celien) en Moritz Jacob Levie.
Naast Mirjam was er in het gezin nog een dochter, Sophie Gretha (Bobby). In haar jeugd verhuisde het gezin naar het bovenhuis van de Plantage Muidergracht 29.

levieoestermanHet was een zionistisch gezin waarin Mirjam opgroeide. Het gezin at koosjer, de sjabbath werd gevierd.
Vooral vader was een zionist, voor moeder was het zionisme minder belangrijk. In die tijd deed een vrouw wat de echtgenoot wilde dus was hier niet veel discussie over.
De rest van de familie vond dat zionisme bespottelijk. “We zijn toch Hollanders?” vonden zij.
Vader werd voorzitter van het Joodsch Nationaal Fonds. Mirjam en Bobby werden lid van een zionistische religieuze jeugdbeweging, Zichron Jaakov. Mirjam leerde er Hebreeuws. Het was een goede leerschool en een leuke beweging, Mirjam heeft er goede herinneringen aan en aan het einde van de dertiger jaren zagen juist de Joodse jongeren die binnen die beweging actief waren de politieke situatie goed in.

Mozes Bolle was gehuwd met Mietje Blitz (werd Marie genoemd). Na het overlijden van Mietje hertrouwde Mozes Bolle met Elza Elzelina van Praag.  Mozes was begrafenisondernemer en het gezin woonde op de Nieuwe Keizersgracht 62.

In de jeugdbeweging leerde Mirjam Levie haar toekomstige man, Menachem (Leo) Bolle, zoon van Mozes Bolle en Keetje Blitz kennen. Ze werd zijn secretaresse tot hij in 1938 op alijah ging naar Palestina. Terugblikkend is het het beste dat hij toen kon doen. De meeste jongeren begonnen pas later, in september 1939 (na de inval van Duitsland in Polen), na te denken over een vertrek. Toen was het voor de meesten echter te laat om naar Palestina te gaan. Het was ook de bedoeling dat Mirjam later Leo achterna zou gaan en met hem in Palestina zou trouwen, maar na de invasie kon ook zij niet meer weg.

In 1938 ging Mirjam als secretaresse werken voor het Comité voor Joodsche Vluchtelingen. Dit was een hulporganisatie die in 1933 werd opgericht, na de machtsovername van Hitler, en het daarna op gang komen van de vluchtelingenstroom uit Duitsland. Mirjam werkte in naam onder David Cohen, Raphaël Henri Eitje deed het echte werk en Mirjam schreef als secretaresse brieven voor hem.

De verhalen die de Duitse Joden bij het comité vertelden waren verschrikkelijk. Mirjam vertelde deze verhalen ook thuis, de ooms zeiden dan “kom toch niet altijd met die treurige verhalen. Dat gebeurt niet in Nederland“.

Inval
Mirjam maakte de inval van de Duitsers niet mee, ze sliep op dat moment. Haar vader maakte haar wakker en vertelde haar dat het mis was.  Mirjam had nooit gedacht dat Nederland neutraal zou blijven.

Februarirazzia
De eerste razzia in Amsterdam, die van 22 en 23 februari 1941, herinnert Mirjam zich nog goed en was voor haar een van de verschrikkelijkste gebeurtenissen. Ze woonde op de Plantage Muidergracht en op sjabbes ging ze naar de ouders van haar verloofde die op de Nieuwe Keizersgracht 62 bij de Weesperstraat woonden. Toen ze er heen liep was er al veel Grüne Polizei op straat, en toen ze bij haar aanstaande schoonouders kwam, kwam de SS er ook nog bij en begonnen zij jongens en jonge mannen van straat op te pakken. De vrouwen mochten gaan, de mannen werden over straat gesleurd naar het Jonas Daniel Meijerplein. Het ging er heel hardhandig aan toe. Het was verschrikkelijk angstig. Deze 427 mannen zijn allemaal naar Kamp Schoorl gebracht en van daar naar Mauthausen. Van deze 427 mannen hebben alleen Gerrit Blom en Max Nebig de oorlog overleefd. De meesten waren voor het einde van 1941 vermoord.

Joodsche Raad
Het Comité van Joodsche Vluchtelingen werd door de Duitsers in 1941 omgezet in de Joodsche Raad. Overal in Europa werden er Joodse Raden opgezet, dat weten we sinds na de oorlog. En overal werden deze raden op dezelfde manier gebruikt en misbruikt. Ze moesten meewerken, er was geen keuze. In het begin werd er flink tegengestribbeld door de Joodsche Raad in Amsterdam. En er werden successen geboekt. De Joodsche Raad kon toen nog verzet bieden. Naarmate de oorlog vorderde had het verzet geen zin meer. Het werd een beleid waarbij men dacht dat men “erger kon voorkomen“, maar wat dat erger dan was, wist niemand.
In het begin verdedigde Mirjam de Joodsche Raad ook tegenover haar familie en de mensen om haar heen die er kritiek op hadden. Door haar werk als secretaresse bij de Joodsche Raad had ze een Sperre en hoefde ze niet op transport. En door haar werk kregen ook haar vader, moeder en zus een Sperre.

Toen de deportaties in 1942 begonnen kwam er een run op de Joodsche Raad. Iedereen probeerde een Sperre te krijgen en iedereen probeerde daarvoor te pleiten op het hoofdkantoor op de Nieuwe Keizersgracht 58. Doordat Joden niet meer met openbaar vervoer mochten, geen fiets mochten hebben of eigen vervoer, liepen mensen urenlang naar het hoofdkantoor. Duizenden stonden voor die deur om er achter te komen dat men daar nauwelijks iets kon doen. De Joodsche Raad probeerde wel te helpen. Er waren bijvoorbeeld maar weinig organisaties met zoveel personeel. Personeel had een Sperre, en hoefde je “bis auf Weiteres” niet op transport. Mirjam kon in het begin als secretaresse met name Duitse vluchtelingen helpen. Met haar brieven kon ze regelen dat hun illegale status werd omgezet in een legale status.

Hollandsche Schouwburg
Mirjam moest als secretaresse bij de Joodsche Raad af en toe ook in de Hollandsche Schouwburg gaan werken. Ze had daar een tafeltje en een schrijfmachine. Er werden ook mensen met een Sperre opgepakt en naar de Schouwburg gebracht. Door voor hen een brief te schrijven lukte het Mirjam vaak deze mensen weer vrij te krijgen. Het was het enige dat ze er kon doen.
In de Schouwburg was het een grote chaos. Veel huilende mensen, veel te weinig wc’s voor deze grote groep mensen. Aus der Fünten, die leiding gaf aan de Jodenvervolging, was meestal dronken. Wanneer er een verzoek kwam om iemand vrij te stellen was hij volkomen willekeurig. De een kreeg een vrijstelling, de ander niet. Er was geen pijl op te trekken.

Plantage
Wanneer er niet genoeg mensen voor een transport waren, werd het aantal aangevuld met Joodse mensen uit deze buurt. Zo is ook Mirjam, die daar immers woonde, met haar vader naar de Zentralstelle gebracht maar door haar werk voor de Joodsche Raad kreeg ze een vrijstelling.
Mirjam kan zich herinneren hoe bij het oppakken van mensen de oudere mensen, die niet snel genoeg de overvalwagen in konden klimmen, door soldaten werden opgepakt en de wagen werden ingesmeten. Mensen zaten er te huilen en kregen er zenuwinzinkingen. Bij de razzia van 25 mei was een deel van de Plantagebuurt afgezet.

Mei 1943
In mei 1943 moest de Joodsche Raad 7000 van haar medewerkers op transport stellen. Dat was de opdracht van de nazi’s. De Joodsche Raad heeft de lijsten gemaakt. Dat hadden de voorzitters (Asscher en Cohen) niet moeten doen, hoewel dat ook niets had uitgemaakt. Maar dan hadden wij dat niet gedaan.
Het aantal van 7000 werd niet gehaald. Sommige medewerkers stonden op meer plekken ingeschreven bij de Joodsche Raad en als ze op één plek geschrapt werden, bleven ze omdat ze op een andere plek nog stonden.
Wat er een keuze om niet mee te werken?  Theoretisch wel. Maar het had niets uitgemaakt. En met name Cohen bleef geloven in het mantra “om erger te voorkomen“.

Natuurlijk werkte ook Mirjam voor deze organisatie. Maar dat werk bracht haar geld waarmee ze kon bijdragen in de kosten van het gezin én de begeerde Sperren. En er was in die tijd geen ander betaald werk voor Joden. Joodse bedrijven mochten er niet meer zijn en Joden mochten niet meer in dienst zijn van een niet-Joods bedrijf. Natuurlijk was er ook binnen de Joodsche Raad discussie over hun werk. De enige die bij de Joodsche Raad stopte was Mr. Kisch en hij ging toen hij dat deed snel in de onderduik.

Ook Mirjam heeft aan de onderduik gedacht, maar vond zichzelf niet geschikt daarvoor.
Vader en haar zus werden opgepakt bij de razzia van mei 1943. Mirjam ontsnapte en moeder lag in het ziekenhuis aan de Nieuwe Keizersgracht. Mirjam ging naar het ziekenhuis maar juist toen werd haar moeder geopereerd. Ze besloot om naar haar werk te lopen en een SS-er zag haar, nam haar mee en doordat ze met die SS-er op straat liep werd ze tijdens de razzia niet opgepakt.
Haar vader en haar zus zaten na deze razzia in Westerbork.

Bij de razzia van 20 juni 1943 werd Mirjam wel opgepakt. Ze liep op straat weg, een Duitser nam haar bij de arm en zei “mit”. Ze kon niet meer naar huis.

Westerbork
Vader en Bobby waren nog in Westerbork toen Mirjam daar kwam.  Ook haar moeder en schoonouders kwamen daar.
Westerbork was geen zomerverblijf. Vooral de dinsdagen, de dag van de meeste transporten, waren verschrikkelijk. In Westerbork kreeg het gezin een speciale status doordat ze een visum hadden voor Palestina. Die mensen hadden de Duitsers nodig, maar dat zou later blijken.

Bergen-Belsen
Na Westerbork kwam het gezin Levie in concentratiekamp Bergen-Belsen terecht. Ze kwamen er met de trein aan. Er stonden SS-ers met honden bij de trein. “Raus, raus“, klonk het. Er stonden overal uitgemergelde gevangenen. De barak van Mirjam zat propvol. “Het waren er sadisten, we stonden urenlang doelloos op appel“.

Mirjam werd er assistent-barakkenleidster. Iedereen sprak Mirjam aan en iedereen sprak alleen maar over eten. Mirjam moest dat ook uitdelen en mensen maakten ruzie met haar of ze niet iets meer aan een ander gegeven had. Mirjams’ zus Bobby werkte in de keuken.

Brieven aan Leo
In de tijd in Amsterdam had Mirjam brieven geschreven aan Leo. Brieven die nooit verstuurd konden worden want er was geen postverbinding tussen Nederland (bezet Duits gebied) en Palestina (Engels mandaatgebied). De brieven had ze in Amsterdam verstopt.  Ook in Westerbork was ze blijven schrijven en nu ook in Bergen-Belsen.  Dat mocht niet en was gevaarlijk, maar deed ze wel. En de brieven uit Westerbork en Bergen-Belsen heeft ze steeds kunnen meesmokkelen.
Mirjam was er niet altijd van overtuigd dat ze er levend uit zou komen, maar gelukkig is dat wel gebeurd.

Tempeliers
In Palestina woonden voor de oorlog, onder andere in Jeruzalem, Duitse Tempeliers.  Dit was een christelijke sekte die vond dat ze in het Heilige Land moest wonen. In de oorlog ontpopten deze mensen zich als fervente nazi’s. De Duitsers wilden ze terug hebben, maar Palestina was Brits Mandaatgebied. De Britten stemden toe in een uitwisseling. De mensen die in aanmerking kwamen waren voor een deel Joden uit Palestina die in Europa waren toen de oorlog uitbrak, en niet meer terug konden. Maar van deze groep waren er ook mensen vermoord en de lijst werd aangevuld met zionisten. Het hele gezin Levie, behalve Mirjam, kwam op de lijst. Mirjam wist dat de Duitsers gezinnen bijeen wilden houden en zei dat ze niet op de lijst stond, toch kon ze mee met het transport uit Bergen-Belsen. Een transport van ca. 222 mensen, dat nu bekend staat als Transport 222.

De trein ging via Wenen en de Bosporus naar Palestina en kwam bij Rosj Haniqrah het land binnen. In Palestina wist men van het transport. Het was groot nieuws en ze werden opgewacht. Leo was er niet. Doordat Mirjam eerst niet op de lijst stond dacht hij dat ze niet in het transport zat. Toen hij door een man van het Jewish Agency verteld werd dat ze er wel was reisde Leo snel naar Atlit (waar het opvangkamp was). Na drie dagen kwam Mirjam vrij en ze trouwde met Leo.

Palestina
De eerste jaren in Palestina waren zwaar. Iedereen was armoedig, er was maar weinig. Leo en Mirjam spraken zelden over de oorlog, de brieven aan Leo lagen opgeborgen. Jarenlang dacht Mirjam niet aan de brieven, Bobby sprak wel over de oorlog. Ze vertelde steeds weer over pesach in Bergen-Belsen en Westerbork. Rond het jaar 2000 besloot Mirjam de brieven naar het NIOD te sturen. Ze had niet het idee dat ze een boek zouden worden, ze had de brieven daar niet voor geschreven maar om Leo te vertellen wat er gebeurde. Het NIOD zorgde ervoor dat de brieven werden uitgegeven. Het werd het boek “Ik zal je beschrijven hoe een dag er hier uitziet“. Het boek bleek een goede inkijk te geven in de Joodse Raad, het leven in Amsterdam, Westerbork, Bergen-Belsen en Transport 222. Het boek is inmiddels in vele talen vertaald, waaronder Duits, Engels en Hebreeuws.

2016
Mirjam vertelt haar verhaal nog steeds. Ook zoals nu in het Holocaust-museum waar haar verhaal op video werd vastgelegd. Dit verslag is tijdens dit interview opgetekend, aangevuld met gegevens die ik tijdens het interview in februari 2012 bij Mirjam thuis mocht optekenen.
Het boek “Ik zal je beschrijven doe een dag er hier uitziet” is (alleen nog tweedehands) te bestellen via de boekenpagina.

bron:
interview Esther Gobel met Mirjam Bolle-Levie d.d. 23 augustus 2016 in het Holocaust-museum te Amsterdam,

“Nederlandsche burgers, die op 10 Juli 1944 met het exchangetransport uit Bergen Beisen in Palestina zijn gearriveerd.”. “Nieuw Israelietisch weekblad“. Amsterdam, 25-05-1945. Geraadpleegd op Delpher op 23-08-2016, http://resolver.kb.nl/resolve?urn=ddd:010858252:mpeg21:a0009
www.wikipedia.nl, lemma Comité voor Joodsche Vluchtelingen (geraadpleegd 23 augustus 2016)
ibidem, lemma Februaristaking (geraadpleegd 24 augustus 2016)
www.jnf.nl, lemma historie (geraadpleegd 27 augustus 2016)
stadsarchief Amsterdam, gezinskaart Moritz Jacob Levie
http://www.jodeninnederland.nl/id/P-157 (geraadpleegd 27 augustus 2016)
met dank aan Mirjam Bolle, 11 september 2016.

illustratie:
“Familiebericht”. “Provinciale Overijsselsche en Zwolsche courant“. Zwolle, 06-08-1889. Geraadpleegd op Delpher op 23-08-2016, http://resolver.kb.nl/resolve?urn=MMHCO01:000072114:mpeg21:a0014

laatst bijgewerkt:
11 september 2016