monnickendam – herinnering

J. Veltrop werd geboren in 1898 en was Monnickendammer in hart en nieren. Hij kon veel van de verhalen over Monnickendam uit zijn eigen herinnering opschrijven en besteedde ook veel aandacht aan het Joodse Monnickendam. Een bewerking van zijn observaties staat hiernaast.

Joodse School
Op Kerkstraat 60 was de Joodse School gevestigd in Monnickendam. Op dit moment (2013) is dit adres onderdeel van ene kledingzaak. Voor de oorlog kregen de Joodse kinderen daar les van een rabbijn uit Amsterdam. Naast de Joodse lessen die de Joodse kinderen op hun school volgden, zaten de meeste op de openbare school in Monnickendam.

Sjabbath in Monnickendam
De Joodse vrouwen gingen niet vaak naar Sjoel. Meestal bezochten ze de synagoge alleen tijdens de Hoge Feestdagen of bij choepa’s (huwelijken). Op de sjabbat kwam je de Joodse vrouwen in hun nette kleren tegen als ze aan het wandelen waren.

De slager
Op het Zuideinde 26 woonde slagersfamilie Leuw.Dat waren 2 broers en 3 zusters, ze waren allen ongetrouwd. Zelf was ik de zoon van de andere slager, op Zuideinde 14. Mijn vader en de familie Leuw werkte nauw samen. Beide slagers slachtten 1 koe per week. Mijn vader slachtte ook varkens en en schapen, natuurlijk slachtte slager Leuw geen varkens. Soms slachtte hij wel een paar schapen. Wanneer er schapenvlees bij Leuw te koop was gingen de twee stadsomroepers, Hartwigsen en Van der Lingen, door de stad om om te roepen dat er schapenvlees te koop was.
De slachtkoeien werden gekocht op de markt in Purmerend. Koedrijvers brachten ze naar Monnickendam. Zij deden dit werk voor een paar gulden.
Als de koeien op stal stonden kwamen eerst de commiezen. De slager moest bij de plaatselijke rijksontvanger een biljet halen waarop hij moest aangeven hoeveel voor de koe betaald was. 10% van de koopsom moest als belasting worden betaald.
Wanneer het biljet was ingevuld kwamen de commiezen langs en zij bekeken de koe en bepaalden of de aangegeven koopsom de juiste prijs was. Wanneer de prijs juist werd bevonden kreeg de koe een loodje in zijn staart, wanneer de prijs niet juist bevonden werd, werd de koe in beslag genomen. De slager kon hem dan terug kopen. Wanneer de slager dat niet deed ging de koe naar het abattoir in Amsterdam en werd daar op rijkskosten geslacht.

Ritueel slachten
Een kwartier voor de koe geslacht werd kwam de Joodse snijder in zijn burgerkleding aan. Hij had dan een leren voorschoot, een wetsteen en een groot mes bij zich. De man kleedde zich dan om, deed het voorschoot voor en sleep het mes op de wetsteen tot het vlijmscherp was.
De gebroeders De Leuw deden de koe touwen om de poten, hesen het dier op met een takel, en legden het dier op de rug op een berrie. Wanneer dit gedaan was kwam de snijder en hij sneed met één haal de hals door tot op het nekbeen en liet de koe doodbloeden.
Wanneer er geen leven meer in het dier was haalde de snijder de buikwand open met een diepe snee en hij voelde in de ingewanden van de koe. Hij moest constateren of er een long aan het middenrif was vergroeid. Wanneer dit het geval was was de koe treife. Wanneer het niet het geval was, was de koe kosher en mocht een groot deel van de koe gegeten worden.
Wanneer de koe treife bleek te zijn, dan ruilden mijn vader en slager Leuw de koeien. Dat bespaarde een tocht naar het abattoir voor een “koshere” koe.
Louis, Mozes, Saartje, Leentje en Vrouwtje Leuw waren een vertrouwd adres voor koosjer vlees. Ze hadden veel klanten, ook uit Amsterdam. De hele familie Leuw overleefde de oorlog niet.

Manu Leuw
Manu Leuw overleefde de oorlog wel. Hij was de zoon van Herman Leuw. Herman werd ook wel Herman de Vlijt genoemd, naar zijn winkel aan het Noordeinde 60. Hij verkocht daar antiek en manufacturen. Het gezin van Herman bestond uit vader Hermanus, moeder Bertha Leuw – Emanuel en de zonen Salomon, Emanuel (Manu) en Maurits.
De familie Leuw was gespecialiseerd in Marker klederdracht en stoffen en trok naar Marken om dat te verkopen. Nadat vader en moeder overleden waren zette Manu de zaak voort. Hij trok eerst met paard en wagen door Waterland om de goederen aan de man te brengen, later per auto.
Manu overleefde de oorlog dankzij een aantal Monnickendammers die hem hielpen onderduiken. Zo heeft Manu jarenlang bij Gerrit Boonstoppel in Overleek gewoond.
De familie Leuw was vooral bekend bij de karpervissers. Een delicatesse in Huize Leuw was de karper (gefillte fisch!) en menig sportvisser verdiende wat bijmet de vangst. Vader Herman was een verwoed zwemmer en hij fietse dagelijks naar Edam om bij het Strandbad een frisse duik te nemen.

Kerkstraat 12
Leo Hordijk hield in de oorlog in dit pand 5 Joodse mensen verborgen. Er woonden eerste twee broers en een zus met de naam Monnickendam. Het waren Mozes en Sander en hun zus en ze hadden er een manufacturenzaak. Moos was een grote zware man en zeer gelovig. Hij was voorzanger in de sjoel.
Moos ventte net zoals de familie Leuw op Marken. Hij was daar een vertrouweling en adviseerde vele Markers, ook op geldgebied. De Monnickendammers waren in goede doen en konden er een niet-Joods dienstmeisje op na houden. Ze overleden voor de oorlog.

Jacob en Moos Nol woonden aan de Oude Zijds Burgwal. Eén van hen was getrouwd. Moos had een galanteriehandel en kreeg de bijnaam “Moos Kop en Bakkie”. Ook hij ventte op Marken.
De getrouwde broer had een zoon Leeman. Leeman sportte bij de gymnastiekvereniging Brinio en was daar ook voorzitter. Jacob en Moos overleden ver voor de oorlog, wat er met Leeman gebeurd is, is me niet bekend.

Witmond
Er woonden twee Joodse families Witmond in Monnickendam. Of ze familiebanden hadden is niet bekend. De ene familie woonde op de hoek bij de Speeltoren en werd dan ook “De Jood van de toren genoemd”. Ze kregen een zoontje met rood haar, die de bijnaam Rooie Sammie kreeg. Deze familie verhuisde naar Amsterdam.
De andere familie Witmond woonde eerst op het Noordeinde en verhuisde later naar de hoek van de toren. Hij was ook manufacturier, had een ansjoviszouterij en was een snijder – hij slachtte de koeien op een rituele wijze. Naast vader en moeder waren er de kinderen David, Moos en Andries en Saar en Beth. Andries was degene die de zaak bij de Toren overnam.

Groote Noord
Aan de Groote Noord woonde de weduwe Abrahams, die Joden Jetje genoemd werd. Zij ging met een juk en twee manden naar Marken om daar galanterieën te verkopen. Ze had 3 zonen, Eli, Gerrit en Abraham.
Gerrit woonde op Noordeinde 108. Hij was visventer en had twee dochters, Judith en Vrouwke. Alleen Vrouwke overleefde de oorlog, ze was met een niet-Jood getrouwd.
Abraham was zo ongeveer de enige Jood van Monnickendam die niet in de handel zat. Hij was huisschilder en had de bijnaam Abraham Prikkie. Abraham vertrok naar Amsterdam.

Cohen
De familie Cohen heb ik ook goed gekend. Moos Cohen kwam uit Amsterdam als “voddenjood”. Hij huurde aan de Koemarkt een oude opslagplaats en later ging hij naar het Kalversteegje. Hij ging met een handkar langs de straten terwijl hij riep: “vodden, benen en oud ijzer”. Elke dag ging hij met de stoomtram naar Amsterdam. Hij deed goede zaken want hij kon een kapitaal pand laten bouwen aan de Fluwelen Burgwal 16. Het echtpaar had een dochter, Jopie. De dochter trouwde met een Amsterdamse Joodse jongen en ze kregen een baby. Ze zijn kort daarna opgepakt.

monnickendamsynagogeDe Sjoel
Sam (Samuel) Nol woonde met zijn vrouw, Duifje Blok, twee zonen en twee dochters in de Sjoel (gebouwd 1894) op Haven 11. Hij was daar de huisbewaarder en zijn kinderen Andries, Jacob, Dela (Edel) en Bettie groeiden in dit pand op. In het voorste gedeelte van het pand was een slagerswinkeltje waar vlees werd klaargemaakt voor zowel de Monnickendammer als Marker klanten. Sam ventte, zoals zoveel middenstanders, ook op Marken.
Andries werd onderwijzer en vertrok naar Nederlands Indië. Daar overleed hij in een Jappenkamp. Dela werd in Auschwitz vermoord. Jacob en Bettie overleefden de oorlog. Bettie overleed na de oorlog in bad in Amsterdam aan een hartaanval. De ouders waren voor de oorlog al overleden. De laatste dienst in de sjoel was in 1934.

Aanvulling nov 2013
Het gebouw Haven 11 – nu Havenstraat 1, staat op dit moment bekend als “De Koperen Vis” en vanaf 1894 was in het achterste deel van het gebouw de sjoel gevestigd. Dit was het tweede gebouw met deze functie, want al in 1814 werd aan de achterzijde van het gebouw (aan de Nieuwe Steeg) de synagoge gevestigd en deze ging op 27 maart 1894 door brand verloren. De herbouw was door architect E M Rood. Slager Abraham Emanuel Leuw legde op 7 juni 1894 de eerste steen en op 26 sep 1894 werd de synagoge ingewijd. In het voorste deel aan de Havenstraat was een kosjere slagerij gevestigd.

Berlijn
De dames Berlijn woonden niet in Monnickendam maar in Edam. Ze kwamen vaak naar Monninckendam om staatsloten te verkopen.

Gemengde huwelijken
In de oorlogsjaren hadden de gemengde huwelijken het niet makkelijk. Dokter Scholten, de plaatselijke huisarts, mocht zijn praktijk niet meer uitoefenen en de directeur van het distributiekantoor moest ontslag nemen.

Amsterdamse Joden
Op Marken waren goede zaken te doen en ook veel Amsterdamse Joden gingen via Monnickendam naar het eiland.
Zo had Nathan Bremer op Zuideinde 58 een pakhuis. Hijn handelde in vodden en oude metalen. Hij reisde iedere dag op en neer naar Amsterdam. Later werd zijn nering overgenomen door Moos Cohen.
Louis Leman kocht bij de slagers huiden en vellen op. Ook konijnen- en mollenhuidjes kocht hij op en zelfs huiden van clandestien doodgemaakte dakhazen (katten). Op Marken verkocht hij oude, blauwe, soldatenjassen waar door de Marker vrouwen voeten van gemaakt werden die werden vastgezet onder de kousen zodat die langer gebruikt konden worden.
Japie en Rosie waren fruitventers die appelen, peren en appelesienen verkochten.

Feestdagen
De Joodse feestdagen waren een belevenis. De familie Leuw had een loofhut achter op het erf tijdens Soekot. Het was een eer als je ‘s-avonds werd uitgenodigd om het feest bij te wonen. Dan werd er wijn gedronken en genasjt (gesnoept). Vooral studentenhaver was er en boterkiksen.
Op Joods Nieuwjaar werd er niet gewerkt, op Grote Verzoendag was het een dag van vasten en bidden.
Was er een sterfgeval, dan lieten de mannen hun baard staan.
Al deze feesten herinner ik me nog zeer goed. Deze Joodse gemeenschap paste in de Monnickendammer gemeenschap en hoorde er thuis. Ze werden geaccepteerd. De gemeenschap groeide en bloeide. Helaas komt dit stuk Monnickendammer historie nooit meer terug.

bron:
herinneringen aan Monnickendam door J Veltrop (1898).
joodsmonument.nl
communityjoodsmonument.nl
wikipedia (bezocht 3 nov 2013)
stadsgidsen Monnickendam