rode leeuwengang

rodeleeuwengangkaartDe Rode Leeuwengang was een zijsteeg van de Valkenburgerstraat bij nummer 195. Door een nauw poortje kwam men in deze steeg met een hofje en meer dan 300 mensen woonden hier in 39 éénkamerwoningen. De éénkamerwoningen waren uiterst primitief. Sanitair was er niet, men gebruikte een emmer die bij de Boldootwagen geleegd kon worden. Op de foto het poortje onder het witte uithangbord, onder een gevelsteen (ook onder).

De Rode Leeuwengang was een van de vele stegen en sloppen van de Valkenburgerstraat én een van de bekendste. Op de kaart hierboven, naar de situatie in 1883 is te zien hoeveel er van dat soort stegen in deze buurt waren.
De Rode Leeuwengang wordt in de bronnen voor het eerst genoemd in de Amsterdamse Courant van 29 maart 1763. Gerard Rebel en Barend van Bellekom, makelaars, verkochten op maandag 11 april in het Oude Heerenlogement onder andere “een huis, staande op Marken naast de Roo Leeuwengang”.

valkenburgerstr195derooleeuBurenruzie
Burenruzie in de Rode Leeuwengang kon zo heftig zijn, dat de krant gehaald werd. In het Bataviaans Nieuwsblad van 13 jan 1923 stond een verslag van ene gebeurtenis van 8 juni 1922:

boldootwagen
boldootwagen

Geheibel in de Roode Leeuwengang
De Roode Leeuwengang in de Valkenburgerstraat was op Donderdagavond 8 juni het tooneel eener heftige burenruzie. Een werkster moest dien avond de Jodenkerk aan de Valkenburgerstraat gaan schoonmaken. “Ga jij eens kijken of ik kan beginnen”, zei ze tegen haar dochtertje. Het kind keerde terug met de mededeeling: “De menschen zijn nog aan ’t lezen”.
De moeder, die met een andere buurvrouw in gesprek stond, wist niet dat een harer kinderen slag geleverd had met den spruit van weer een andere buurvrouw. Als een koud bad viel dus de aanval dezer buurvrouw haar op ’t lijf. Die buurvrouw krijschte en giftigde.
“Mensch, wat ben je onverdraagzaam; ga weg, je spuwt me in ’t gezicht!” riep de werkster, maar in plaats van een bedarende uitwerking, hadden die woorden een uitbarsting van woede ten gevolge.
De buurvrouw – een weduwe – greep de werkster bij de haren, beet haar in den arm en de dochter der buurvrouw bonsde haar op den rug. Wat wonder, dat de aangevallen werkster de beenen nam en in haar woning vluchtte.

rodeleeuwengangMet dien “smadelijken aftocht” was de buur-vrouw-weduwe echter niet tevreden. Zij nam een steen op – de gang werd juist bestraat en de steenen lagen dus voor het grijpen – en gooide met dien steen een ruit bij haar tegenpartij in. Maar ook dat had haar woede niet gestild. Een tweede steen moest het vernielingswerk voltooien. Dfl. 7,50 als we goed verstaan hebben, moest de arme werkster uit eigen zak besteden om de kapotte ruit weer door een heele te laten vervangen.

De lezing der werkster wordt bevestigd door twee getuigen, buurtgenoten. Beiden getuigen, dat de beklaagde de persoon is, van wie de aanval is uitgegaan. Toch houdt de beklaagde staande: “Wat de juffrouw zegt, is allemaal gelogen. De juffrouw legt een valschen eed af! En om haar verhaal schijn van waarschijnlijkheid bij te zetten, beweert ze:
“Edelachtbare, zij heeft mijn jongetje met water gegooid en toen ik daar wat van zei heeft ze me in het gezicht gespogen. Toen nam ik een steen op, die door de ruit ging, omdat de juffrouw het raam naar de laagte schoof. Ik wou echter niet de ruit ingooien, maar de vrouw gooien.
“Mr. S.: Dat was nog veel erger dan een steen door de ruiten gooien.
Bekl.: Zij heeft me gespogen
Mr S.: Waarom heeft ze u gespogen?
Bekl.: “Omdat de twee kinderen gevochten hadden. We kwamen allebei op voor onze kinderen.
Mr S.: Ik kan me nog begrijpen, dat toen u een steen opnam om de vrouw te gooien toevallig het raam naar beneden geschoven werd, zoodat de steen het raam trof, in plaats van de juffrouw, maar u hebt twee stenen geworpen”.
Het O.M. mr. Van Lier, eischt met het oog op bekl. blanco strafregister dfl. 25,- boete of 10 dagen hechtenis.
Bekl.: 10 dagen en dfl 25,- boete? Ik ben onmachtig om de boete te betalen.
Mr.S.: De mishandeling en de vernieling acht ik bewezen, maar ik geloof toch, dat we wel met een geldboete kunnen volstaan. Ik wil wel gelooven, dat ’t u moeite kost om de boete te betalen, maar niet alleen is bewezen de mishandeling, maar u hebt ook de ruiten stuk gegooid. Ik leg u dfl. 25,- boete of 10 dagen hechtenis op.
Bekl.: Dank u wel.

Nb.: dfl 25,- in 1922 heeft een koopkracht van € 175,- in 2015.

Levie de Langerodeleeuwengang2 werd in 1904 geboren in deze slop. Hij vertelt dat er 36 families woonden waarvan hij een aantal van de namen nog weet: Visraper, Papegaai, Haringman, Soep, Van der Bijl, Zwart, Van der Kar enz. In deze slop werd Levie in contact gebracht met de Jiddische volksgein. Iedereen had het erg moeilijk en bezat daardoor meer spot en galgenhumor dan andere Joden.

In “Het Volk” van 8 april 1916 werd de situatie rond deze steeg ook besproken “vooral in de Roode Leeuwengang vonden wij woningtoestanden die hemeltergend zijn. In vele der krotten waren de openingen waarin glasruiten moesten zijn, met vodden, lappen of papier dicht gestopt. ’t Waren geen woonbare huizen meer en in de krotten hokken gezinnen van man, vrouw met van zeven tot tien kinderen! toch werden de woningen nog, voor zoover dit in zulk een klein bestek mogelijk is, rein en zindelijk gehouden. De potjes en pannetjes glommen van helderheid en wij vroegen ons verwonderd af, hoe zulke vrouwen in deze woningellende nog de lust en ijver hebben, de boel voor elkander te houden. De vrouwen vertelden ons hoe ze zich met de slaapgelegenheid moesten behelpen, doe overal, ook op den grond, bedden moeten gespreid om allen nachtleger te verschaffen! Ellendige maatschappij, die zoo iets veroorzaakt!

Meijer Sluijser schrijft in zijn boek “voordat ik het vergeet” over deze steeg:

“In de Rode Leeuwengang is altijd ruzie. Er ligt altijd een kind op sterven. Minstens eenmaal per week komt de wagen van de gemeente iemand weghalen, die aan een besmettelijke ziekte lijdt. De gang is geen straat, het is een erfelijke belasting. Wie hier wordt geboren krijgt het noodlot mee: Hier zijt gij ter wereld gekomen, hier moet gij sterven.”

De Amerikaanse vakbondsman Samuel Gomperts bezocht deze gang waar zijn vader geboren was in 1912:

red lion court

Samuel Gomperts (Londen, 27 jan 1850 – San Antonio, 13 dec 1924) was een sleutelfiguur in de Amerikaanse vakbeweging. Hij stichtte de American Foundation of Labor (AFL) en was er president van van 1886 – 1894 en van 1895 – 1924.

Samuel werd in Londen geboren in een gezin dat van oorsprong uit Amsterdam kwam. Het was een arm gezin en Samuel kon maar tot zijn 10e naar school. Op die leeftijd werd hij naar een sigarenmaker gestuurd om daar dat vak te leren en geld te verdienen voor het gezin.
Samuel ging naar de avondschool en leerde Hebreeuws en bestudeerde de Talmoed. Het laatste hielp hem later bij de studie Rechten.

In 1863 emigreerde het gezin naar New York en ging wonen in de Lower East Side, in die tijd een zeer Joodse buurt. Vader Gomperts maakte thuis sigaren, en het eerste anderhalf jaar hielp Samuel hem. In 1864, 14 jaar oud, raakte Samuel betrokken bij de Cigarmakers’ Local Union no 15. Op zijn 17e jaar trouwde hij met Sophia Julian, en het paar kreeg snel een aantal kinderen waarvan er 6 ouder werden dan zuigelingentijd. In 1873 ging Samuel bij sigarenmaker David Hirsch & Company werken, alleen de beste sigarenmakers werkten daar. Twee jaar later werd hij voorzitter van de Cigarmakers’ International Union Local 144, een opstap naar het voorzitterschap van de AFL.
Samuel was een vooraanstaande Vrijmetselaar

Nederland
In 1912 bezocht Samuel Nederland en de bekende socialist Henri Polak leidde hem rond door Amsterdam. Samuel was hier met zijn vrouw en een dochter en was vol belangstelling voor de stad waar zijn vader geboren was. Op de vraag van Polak waar zijn vader geboren was, zodat hij die straat kon laten zien, zei Gomperts dat zijn vader van Marken kwam. Gomperts dacht dat Marken een beroemd eiland was, en Polak meldde hem dat dit inderdaad zo was, maar dat hier Marken wordt bedoeld rond de Valkenburgerstraat. Daar woonden de Joodse proletariërs. Samuel werd gevraagd of hij wist in welk huis zijn vader geboren was, en hij zei dit niet te weten maar dat zijn vader had verteld dat het in de Red Lion Court stond – een mooie vertaling van Rode Leeuwengang.

De volgende dag kon de Valkenburgerstraat bezocht worden. Het was een sombere dag met motregen, echt een dag om deze smalle en verkrotte straat te bezoeken. Niet alleen het weer maakte het bezoek somber, ook de natte, glibberige en modderige straat met het vele zwerfafval en de sjofele (maar wel levendige) bevolking.

Gomperts was verbaasd en ontroerd om de Rode Leeuwengang te zien. Hetgeen hij aanschouwde was erger dan hij verwacht had. Polak gaf hem repliek en zei dat de tenement-huizen in New York, Chicago en andere Amerikaanse steden ook niet de indruk gaven van ideale woonomstandigheden, en dat erkende Samuel. Hij verbaasde zich over de smalle straten hier, en Polak vertelde hem dat dit kwam doordat de steden vestigsteden geweest waren en moesten woekeren met de ruimte binnen de stadsmuren. Daarnaast ging het vervoer in de Hollandse steden vooral over het water, wat de grachten belangrijk en de straten minder belangrijk maakte. Dat wist Samuel niet. Hij vond echter wel dat in de nieuwe tijd men een aanvang moest maken met het verbeteren van de omstandigheden.

Polak kon hem vertellen dat dit al gedaan werd in de buurt en dat deze straat spoedig aan de beurt zou zijn. Polak en Gomperts waren inmiddels in de Rode Leeuwengang waar men de vreemdelingen argwanend opnam. Veel zin in “kijkers” had men daar eigenlijk niet, en Polak sprak een aantal van de vrouwen in het Jiddisj toe, hen verzekerend dat zij tot haar natie behoorden en dat de bezoeker de geboortegrond van zijn vader wilde zien. Verder vroeg Polak of er iemand was die nog wat wist over zijn vader.

Daarna vervolgden ze hun toch door Amsterdam. Gomperts hield van kunst, bekeek uitgebreid het Begijnhof en het Rijksmuseum wat bij Polak het idee gaf dat hij geen geboren vakbondsman kon zijn, die zouden daar minder van houden.

In februari 1923 kreeg Gomperts de griep. Deze duurde 6 weken en bracht hem in het ziekenhuis. Hij was net met zijn herstel bezig of hij kreeg bronchitis. In juni 1924 moest Gomperts opnieuw naar het ziekenhuis met hartproblemen. Hij stortte op 6 december 1926 in New Mexico in, terwijl hij op de vergadering van de Pan-American Federation of Labor was. Hij wilde overlijden op Amerikaanse bodem en werd per trein overgebracht naar San Antonio waar hij op 13 december 1924 overleed. Samuel Gomperts werd begraven op de Sleepy Hollow Cemetery in New York.

verder
Jetta Goudal kwam ook uit de Joodse buurt in Amsterdam en maakte furore in Amerika.

bron:
Sluijser, Meijer, Voordat ik het vergeet (Amsterdam, 1957)
Lange, Levie de, het verhaal van mijn leven (Amsterdam, 2011)
Amsterdamse Courant, 29 mei 1763, Roo Leeuwengang
Het Volk, dagblad voor de arbeiderspartij, 8 april 1916, Van de straatpropaganda onzer vrouwen.
Bataviaans Nieuwsblad, 13 jan 1926, Voor den Politierechter te Amsterdam.
www.iisg.nl/hpw/calulate2-nl.php geldwaarde.
Polak, Henri, Samuel Gomperts, een persoonlijke herinnering in Het Volk, 16 dec 1924.
www,.wikipedia.nl, lemma Samuel Gomperts

Illustratie:
Beeld De Roo Leeuw, beeldbank Stadsarchief Amsterdam, 5293FO007088

laatst bijgewerkt:
23 oktober 2015