textielindustrie

Het is tegenwoordig nauwelijks voor te stellen dat de textielindustrie een belangrijke industrie geweest is, nu vrijwel alle grote textielbedrijven in Nederland hun deuren hebben gesloten. Maar ooit was het anders en was de textielindustrie niet alleen in Twente van belang, maar ook in Amsterdam.
De textielindustrie ontwikkelde zich in Nederland van het eind va de 18e eeuw tot ca. 1940. Deze industrietak is zeer divers, dit door de veelheid aan grondstoffen (katoen, vlas, jute, wol, rayon en nylon) en door de vele manieren van het verwerken.
Vanaf de 19e eeuw vonden we de grootste concentratie van de textielindustrie in Twente, de Achterhoek en Noord-Brabant.
Daarbij was er in eerste instantie sprake van huisnijverheid, waarbij hele gezinnen vlas, wol en hennep verwerkten.
Vanaf het einde van de 18e eeuw kwam katoen in opmars. Het was goedkoper en verdrong de traditionele vezels.

Joodse textielbaronnen
Vooral in Twente was de textielindustrie van groot belang. Juist in Twente vinden we Joodse namen onder de textielbaronnen – Menko, Blijdestein, Ten Cate enzovoort. In Borne werd de hele sociale structuur van het dorp gedomineerd door de Joodse textielpionier Salomon Spanjaard en zijn nazaten.
In een ander textielgebied, Noord Brabant, is de textielfabriek van Bergoss in Oss van groot belang.
In Amsterdam was de textielfabriek van Hollandia-Kattenburg van groot economisch belang. Het bedrijf was in 1909 begonnen in de Warmoesstraat en verhuisde in 1916 naar de overkant van het IJ. Het bedrijf specialiseerde zich in waterdichte regenkleding.
Het bedrijf heeft tot na de oorlog bestaan.

Lompen
Dat de textielindustrie een belangrijke Joodse bedrijfstak is, is duidelijk. Ook aan de andere kant van de levensloop van textiel waren veel Joden werkzaam. De “voddenjood” is derhalve een bekend begrip en ook in Amsterdam waren er verschillende lompenhandelaren Joods.