vossius gymnasium

Protest, Joods en NSB
De oorlogsgeschiedenis van het Vossiusgymnasium wordt gekenmerkt door protest van de leerlingen, leerlingen die niet meer naar school gaan, door ontslag van aardig wat Joodse docenten en de aanwezigheid van een docent die de NSB-ideologie aanhing. Verder een schoolleiding die de school door de oorlog probeerde te loodsen en een bezetter die de school, als broeinest van verzet, goed in de gaten hield.

1940
In de eerste maanden van de oorlog was het Vossius gesloten, zoals ook andere scholen in de stad. Op 24 mei ging de school weer open en twee weken lang moest de ruimte gedeeld worden met het Ignatius. Daarnaast werd de hele school gevorderd door de Grüne Polizei en pas in november 1940 kon het Vossius weer terug naar het eigen schoolgebouw. Pas toen de leerlingen op de eigen school terug waren begonnen problemen. Leerlingen waren politiek geëngageerd en onderlinge discussies konden zo hoog oplopen dat een leerling dreigde een mede-leerling aan te geven bij de bezetter.
Op de school zaten kinderen met NSB-ouders, die het niet makkelijk hadden. Ze werden genegeerd en niet uitgenodigd op feesten. Daarbij was er onder alle andere leerlingen een groot saamhorigheidsgevoel, van 1e klasser tot 6e klasser.
Eind 1940 werden alle Joodse leraren uit hun functie gezet, nadat de schoolleiding in oktober daarover een brief van de bezetter met deze opdracht had ontvangen. Het betrof 6 leraren; Biegel, De Miranda, Van Praag, Premsela, Presser en Roodenburg1.
Zoals ook op het Barlaeus leidde dit ontslag tot openlijk protest. Er werd een staking onder de leerlingen georganiseerd onder initiatief van Lucas van der Land en Bart Romein2. Op 28 november besloten zij de school niet meer in te gaan, wat snel gevolgd werd door vele leerlingen. Docenten, waaronder Jacques Presser, wezen hun op de risico’s en rector Bruijn strak de leerlingen toe. De meerderheid ging de school weer in, op 25 leerlingen na wat later die dag nog uitgroeide tot 37 leerlingen.
De stakende leerlingen werden voor een week geschorst wegens “een ernstig vergrijp tegen de schoolorde”, maar rector Bruijn was het eigenlijk met de leerlingen eens; hij liet in een telefoongesprek aan de ouders van Bart Romein weten dat de leerlingen eigenlijk een pluim verdienden.
De curatoren van de school wilden een dergelijke actie verder voorkomen en stuurde de ouders een circulaire waarin zij hen erop aandrongen toe te zien dat een dergelijke uiting verder voorkomen werd. De leerlingen mochten op geen enkele wijze, zelfs niet door het dragen van insignes of emblemen, uiting geven aan protest. De ouders moesten deze circulaire ondertekend terug sturen, wat niet door alle ouders gedaan werd.

Leermiddelen
Al snel sloeg ook de censuur toe op het Vossius. Anti-Duitse boeken moesten in oktober 1940 al uit de bibliotheek gehaald worden. In januari 1941 kwam van hogerhand de opdracht om leerlingen onverwacht te controleren, inclusief kastjes, agenda’s, boeken, portefeuilles etc. In april 1941 werden bijlessen door de ontslagen Joodse leerkrachten verboden en mochten geen boeken van Joodse schrijvers meer worden gebruikt. Hitlers’ “Mein Kampf” moest aanwezig zijn in de bibliotheek, alsmede de Nederlandse vertaling. De namen van leden van het Huis van Oranje mochten alleen nog maar in geschiedenisboeken worden gebruikt, de afbeeldingen van de Koningin, haar man en de prinsesjes moesten uit de boeken worden gesneden.

Vervolging
In mei 1941 werd door wethouder van onderwijs J. Smit een geheime brief gestuurd waarin de schoolleiding gesommeerd werd om op te geven hoeveel Joodse leerlingen op school zaten. In het nieuwe schooljaar werden deze leerlingen de toegang tot de school ontzegd. Er verdwenen 53 leerlingen naar het Joods Lyceum (het Vossius had in september 1940 239 leerlingen). In september 1941 waren dus zowel de Joodse leerlingen als docenten van de school verdwenen.

Na september 1941
Al in een brief van juli 1941 stelde de gemeente dat het Vossius meer dan elke andere school in Amsterdam te leiden had gehad van de oorlogsomstandigheden. Er werd aan andere scholen in Amsterdam gevraagd om klaslokalen beschikbaar te stellen en om andere oplossingen aan te dragen om het onderwijs veilig te stellen. Toch bleef het Vossius in een gevarenzone. Al in 1937 moest wethouder Boekman van de waarde van dit gymnasium overtuigd worden en hadden B&W het plan om de school op te heffen. In 1942 werd dit plan weer uit de la gehaald. Mede door het vertrek van de Joodse leerlingen was het aantal leerlingen op het Vossius zo sterk gedaald dat het bestaansrecht volgens de gemeente was verloren. De curatoren vonden het niet terecht dat de school gestraft zou worden voor deze ontwikkelingen die buiten de eigen macht lagen. Op 13 januari 1943 meldden de kranten dat het Vossius volgend jaar niet meer zou bestaan.

Opheffen?
De curatoren van de school ontvingen een brief van de gemeente waarin de burgemeester mededeelde dat het Vossius zou opgaan in een nieuw lyceum.
Hierop volgde een massaal protest. Het grootste deel van de ouders ondertekende een brief waarin gewezen werd op de reputatie van de school, leden van de Bond Vossius wezen op de saamhorigheid en de traditie op deze school. Wethouder Smit realiseerde zich in een nota dat een nieuw lyceum in een oud gebouw terecht zou komen en het nieuwe gebouw aan de Messchaertstraat een grotere aantrekkingskracht op ouders heeft. De burgemeester besliste dat de opheffing van de school voorlopig werd uitgesteld.

 

Razzia
Op 9 februari 1943 werd er voor de Arbeitseinsatz een razzia gehouden onder jongens van 18 tot 25 jaar. 1200 jongens werden opgepakt. Dit veroorzaakte grote onrust en veel oudere leerlingen bleven thuis. De wethouder van Onderwijs, Smit , reageerde direct en liet de scholen onmiddellijk inventariseren en rapport uitbrengen over de leerlingen die verzuimd hadden. Het werd echter duidelijk dat de bezetter leerlingen “met ernstige studiebelang” van de Arbeitseinsatz uitsloot en daarom probeerden veel studenten ervoor te zorgen dat dit studiebelang bleef bestaan; door te zorgen dat het examen werd uitgesteld of door na een beta-eindexamen zich direct aan te melden voor een alfa-studie. In 1944 werd echter duidelijk dat alle studenten van 19 en ouder toch opgeroepen zouden worden. Zij konden eerst een “noodexamen” doen in december.


Portugese synagoge
Verzet bleef op het Vossius gedurende de hele oorlog aanwezig. Dit kon binnen de Gymnasiasten Bond maar ook in de klassenkranten, zoals “Den Heraut”, “den Schijnwerper”, “Vulpecula” en “den Kleinen Spectator” . Dit verzet was gevaarlijk, men moest rekening houden met de Duitse censuur. Deze censuur werd ook om de tuin geleid, zoals toen het stuk Egmond van Goethe werd opgevoerd. Een toneelstuk dat in de 80-jarige oorlog speelt en waar de vrijheidsstrijd het thema is.
Leraar De Miranda heeft in de eerste oorlogsjaren ook gezorgd voor een bijzonder verzet. Hij vroeg de amanuensis, de heer Jansen sr. of hij een plek wist om kostbaarheden op te bergen. Tot na de oorlog heeft achter een gemetselde wand in een kast in het scheikundepracticumlokaal persoonlijke bezittingen van De Miranda gelegen, maar ook zilveren kerkstukken en de Tora-rollen van de Portugese synagoge.

Wapens
De zoon van de heer Jansen, Barend Jansen, was lid van de Binnenlandse Strijdkrachten. Rector Bruijn werd via zijn vader in september 1944 benaderd voor toestemming om de school te gebruiken als opslagplaats voor wapens en voedsel. Zo kwam het dat in het natuurkundelokaal en de bibliotheek mitrailleurs, pistolen en bazooka’s lagen opgeslagen. Op de zolder, waar men zich tijdens razzia’s verstopte, lagen vluchtkoffers. De B.S. oefende in de meisjesgymzaal (de bovenste gymzaal), men overnachtte op zolder wanneer men het gevaar liep om thuis van het bed gelicht te worden. De kelder diende als voedselopslagplaats. Vanuit Friesland werden aardappelen, uiten en tuinbonen naar het Vossius gehaald met het opschrift “schoolkindervoeding”. B.S.-koeriersters brachten het vanuit het Vossius naar de onderduikadressen in de stad.

Bron:
Kloek, Els, red. Het Vossius 1926 – 2001. De geschiedenis van een Amsterdams Gymnasium  (Amsterdam 2002) en specifiek
1 Kloek, Els, red. Het Vossius 1926 – 2001. De geschiedenis van een Amsterdams Gymnasium  (Amsterdam 2002) p 27
2. ibidem p 27

In memoriam -docenten-

Johanna Biegel, docente aan het Vossius, werd geboren in Groningen op 30 maart 1889. Zij woonde op de Dan. de Langestraat 12-3 in Amsterdam. Zij heeft in Westerbork op 1 juni 1943 een eind aan haar leven gemaakt.
Jacques Presser, docent aan het Vossius, overleefde de oorlog en publiceerde later de boeken “Ondergang”. Zijn vrouw, oud-leerling van het Vossius, Debora Suzanna Appel, geboren op 1 december 1913 in Amsterdam werd op 26 maart 1943 in Sobibor vermoord.

 

In Memoriam leerlingen

Van een aantal van de 53 leerlingen kon worden nagegaan wat er met hen gebeurd is in de oorlog, dankzij www.joodsmonument.nl. Een aantal van de volgende gegevens is zeker, naarmate een naam vaker voorkomt neemt de zekerheid echter af.

 

Max Acohen. Woonde op Rubensstraat 77hs. Vader Salomon (Amsterdam, 2 april 1890 – Auschwitz, 30 september 1942), moeder Suze de Vries (Rotterdam, 22 juli 1888 – Auschwitz, 12 augustus 1942), broer Rudolf (Amsterdam, 4 juni 1922 – Auschwitz, 20 september 1942) en Max (Amsterdam, 30 mei 1925 – Auschwitz, 30 september 1942) overleefden geen van allen de oorlog. Max werd 17 jaar.

Betty Cohen. Woonde op de Biesboschstraat 50-3. Vader Jacques (Amsterdam, 9 mei 1898 – Auschwitz, 24 september 1943) en moeder Selma van der Lijn (Amsterdam, 16 september 1900 – Auschwitz, 24 september 1943) en Betty (Amsterdam, 8 februari 1926 – Auschwitz, 30 september 1942) overleefden de oorlog niet. Betty werd 16 jaar.

Arnold Emmering woonde op de Nicolaas Maesstraat 24-boven met Henriette Virginie Mesritz-Broekhuijsen (Amsterdam, 1 februari 1903 – Sobibor, 23 juli 1943), broer Jacques (Amsterdam, 17 augustus 1929 – Sobibor, 23 juli 1943) en Arnold (Amsterdam, 30 december 1929 – Sobibor, 23 juli 1942). Arnold werd 15 jaar.

Lousje Gompers woonde op Hunzestraat 45-3 in Amsterdam. Vader Levie Gompers (Amsterdam, 18 juli 1900 – Auschwitz, 2 september 1942), moeder Sophie Nerden (Amsterdam, 7 mei 1899 – Auschwitz, 2 september 1942), Max Philip Gompers (Amsterdam, 18 mei 1926 – Auschwitz, 2 september 1942) en Louise Rebecca Gompers (Amsterdam, 17 december 1927 – Auschwitz, 2 september 1942) werden allen vermoord. Lousje werd 14 jaar

Max Gompers zie boven. Max werd 16 jaar.

Carla Granaat. Carla Simone Granaat woonde op de Zuider Amstellaan 128-3. Haar vader was Samuel (Amsterdam, 6 november 1888 – Sobibor, 20 maart 1943), haar moeder Marianna a Cohen (Amsterdam, 10 september 1896 – Sobibor, 20 maart 1943). Marianne had een zus Hetty (Amsterdam, 4 november 1921 – Auschwitz, 30 november 1943) Renee Jacoba (Amsterdam, 23 februari 1925 – Auschwitz, 30 november 1943 en Carla was geboren in Amsterdam op 18 september 1928 en werd met haar ouders vermoord in Sobibor op 20 maart 1943. Carla was 14 jaar. Eén kind overleefde de oorlog.

Albert Groen. Albert woonde op de Weesperzijde 28hs in Amsterdam. Hij werd in Amsterdam geboren op 20 september 1925 en overleed in Bergen Belsen op 31 mei 1945. Hij was 19 jaar.

Charly Grünfeld. Charly (Charles Schemanjahn) woonde op de Quinten Massijsstraat 2-3 in Amsterdam. Hij werd hier geboren op 2 april 1928 en kwam in Auschwitz om op 1 oktober 1944, 16 jaar oud. Zijn vader was Leib Grünfeld, geboren in Libau op 10 januari 1896 en hij kwam in Bergen Belsen om op 8 april 1945. Zijn moeder, Sophie Schlachter was geboren in Amsterdam op 11 januari 1907 en zij kwam in Auschwitz om op 21 oktober 1944. Charly had 1 jongere broer, Johan Jacob (Amsterdam, 5 november 1932 – Auschwitz, 21 oktober 1944).

Tilly Hartog. Tilly werd op 1 juni 1928 geboren en woonde op de Jekerstraat 38-3. Zij werd, 14 jaar oud, vermoord in Auschwitz op 12 augustus 1942. Haar vader was Joel (Borculo, 20 april 1895 – Auschwitz, 30 september 1942), haar moeder was Rachel Salomon (Amsterdam, 15 november 1892 – Auschwitz, 12 augustus 1942). Zij had een oudere zus, Sophie Mathilde (Amsterdam, 7 juni 1925 – Auschwitz, 30 september 1942).

Nick Kogel. Nick werd in Amsterdam geboren op 13 februari 1923 en kwam in Birkenau om op 30 september 1942. Hij was toen 19 jaar. Hij woonde op het Hygiëaplein 21-1. Zijn vader was Maurits (Amsterdam, 31 mei 1889 – Sobibor, 23 juli 1943), zijn moeder Marianne Pereira (Amsterdam, 30 mei 1896 – Sobibor, 23 juli 1943 en hij had 2 zussen, Hildegonda Valensa (Amsterdam, 7 augustus 1919 – Auschwitz, 3 december 1942) en Catharina Agatha (Amsterdam, 26 april 1921 – Birkenau, 30 september 1942.

Arno Kok. Arno werd in Amsterdam geboren op 31 maart 1927 en kwam in Auschwitz om op 10 februari 1944. Hij was toen 16 jaar. Hij woonde op Olympiastraat 7hs. Zijn vader was Marcus (Antwerpen, 23 augustus 1898 – Theresienstadt maart 1945), zijn moeder Rachel Carolina Emanuella Simons (Amsterdam, 4 augustus 1899 – Auschwitz, 11 februari 1944) en hij had een jongere broer Benno (Amsterdam, 14 mei 1930 – Auschwitz, 10 februari 1944). Een verwant heeft de oorlog overleefd.

Sydney Sjouwerman. Sydney werd geboren in Amsterdam op 16 maart 1927 en kwam om in Auschwitz op 31 maart 1944. Het gezin woonde op de Jekerstraat 67-2. Vader was Elia (Amsterdam , 18 juni 1891 – Auschwitz, 19 november 1943, moeder Betje Sjouwerman (Amsterdam, 20 oktober 1892 – Auschwitz, 19 november 1943) en zus Nora (Londen, 14 april 1918 – Auschwitz, 28 januari 1944). Sydney werd 17 jaar.

Leonard Andries Sternheim. Leonard werd in Amsterdam geboren op 18 augustus 1924 en kwam om in Auschwitz op 22 april 1944, 19 jaar oud. Het gezin Sternheim woonde op de Zuider Amstellaan 87-3. Vader Andries was geboren in Amsterdam op 17 mei 1890 en op 6 maart 1944 in Auschwitz vermoord. Moeder Gholina Cohen werd ook op die dag vermoord en was in Amsterdam geboren op 9 januari 1898. Broer

Paul Sternheim zat ook op het Vossius en werd geboren in Amsterdam op 25 maart 1926. Hij kwam om op 31 maart 1944, 18 jaar oud.

Frits (Meijer) van Tijn was op 6 december 1925 in Amsterdam geboren en op 1 mei 1944 in Auschwitz vermoord, 18 jaar oud. Hij woonde op de Albrecht Dürerstraat 20-3 met vader Eli (Zwolle, 15 april 1899, onbekend, 31 maart 1944) en broer Henri Jacob (Amsterdam, 25 juni 1923, Mauthausen, 16 september 1941). Moeder heeft de oorlog overleefd.