wijk aan zee – jozeboko

jozoboko2Op de Voorstraat in Wijk aan Zee is levensmiddelenzaak “Van Son” gevestigd . Hier stond vroeger het “Herstellings- en Vacantieoord voor Israëlitische kinderen”, opgericht rond 1885. Later kwam er een nieuwe vestiging aan de Relweg en rond de 1900 veranderde de naam in “Israëlitisch Herstellings- en Vacantieoord te Wijk aan Zee”. Sinds de dertiger jaren werd deze instelling ook wel “Joodsche Zee- en Boschkolonies (Jozeboko)” genoemd.
De organisatie had meer huizen, zoals “Den Dolder” in Den Dolder en een huis in Hilversum dat voor de 2e wereldoorlog ook als Joods vluchtelingenkamp werd gebruikt.
De Relweg was vroeger de enige toegang tot de zee in Wijk aan Zee. Zelfs na de oorlog werd Jozeboko nog gebruikt en brachten veel Joodse kinderen uit het hele land hier hun vakantie door.
In 1953 – 1955 werd hier een verbouwing uitgevoerd, naar ontwerp van architect Alexander Bodon (architect van o.a. de RAI) in opdracht van de Berg Stichting.
jozeboko3De Berg Stichting werd opgericht door Sally Berg (maison Hirsch & Cie) en deze stichting bouwde een opvanghuis voor Joodse (wees)kinderen in Laren, compleet met een synagoge.
in 1940 waren 106 kinderen ondergebracht in Laren die allemaal in 1943 werden overgebracht naar Rapenburg 92-96 te Amsterdam.
70 kinderen hebben de oorlog overleefd door de inzet van de niet-Joodse directeur Reitsema.
De Berg Stichting beheerde tevens andere huizen in het land.

Ervaring van een lezer

In 1936 moest ik naar een gezondheidskolonie om te kijken of ze me daar konden helpen om ‘s-nachts zindelijk te worden. Ik werd naar een kolonie gestuurd in Petten, ik kwam daar aan met 3 Joodse kinderen. Zelf ben ik niet Joods omdat mijn moeder niet Joods was.

jozebokoMijn haar was zwart en ik had bruine ogen en mijn huid was een beetje donkerder dan van het gemiddelde Nederlandse kind. De verpleegsters hielden me voor Joods en ze gaven de 3 Joodse kinderen denigrerende namen en ik werd Mosie genoemd. Ze knipten ons haar af, maar dat deden ze niet bij de niet-Joodse kinderen. Op warme dagen kregen de kinderen koude thee met suiker, maar de Joodse kinderen kregen dat zonder suiker.

Ik bleef plassen in bed, ze probeerden me bang te maken met een hond en noemden me “klein Joodje”.
Op een zeker dag kwam mijn moeder op bezoek en ze was behoorlijk van streek toen ze me zag met een kaal hoofd, hees en zonverbrand. Ze nam me dezelfde dag mee naar huis. Maar ik plastte nog in bed en ze nam me mee naar een kantoor op de Hemonylaan met een heel hoge trap. Ik moest daar vertellen wat er in Petten was gebeurd. De mensen in het kantoor spraken met mijn moeder en ik werd naar Wijk aan Zee gestuurd.

Toen ik daar aankwam mocht ik onder een douche, de eerste keer in mijn leven, en de zuster wist toen dat ik niet joods was. Niemand schoor mijn haar af, ik kreeg hetzelfde te drinken als iedereen.
Ze maakten me een paar keer per nacht wakker om naar de wc te gaan. Als mijn bed dan toch nat was werd niemand boos, ik kreeg een schone pyjama en ze wensten me een goede nacht.

Op een zekere dag viel ik buiten in slaap en ik was verschrikkelijk verbrand door de zon. Weer zei niemand daar iets over maar ze wasten me vier dagen lang drie keer per dag met een melkachtige vloeistof. Het eten was erg lekker. Mijn moeder liet vaak iets aanbranden. Het vreemdste was – wat ik me later realiseerde – dat niemand er iets over zei dat ik niet Joods was. Alle mensen die er werkten toen ik er was verdienen een bijzondere plaats in de Wereld wanneer de Mosiach komt.

Verhaal:
Met dank aan Jerry (Gerrit) Meents, Utah, USA, 2010.

Laatst bijgewerkt:
10 juli 2015.