
Hij was geen Joodse architect, maar liet wel een aantal gebouwen achter die tot het Joods erfgoed te rekenen zijn; Alphonsus Maria Leonardus Aloysius Jacot (Amsterdam, 24 september 1864 – Den Haag, 18 november 1927). Wat is zijn verhaal?
Het Joodse erfgoed dat Albert Jacot achterliet is niet het minste. Maison de Bonneterie (1909) op het Rokin in Amsterdam, ook de vestiging van dezelfde zaak in Den Haag op de Gravenstraat, geopend in 1913, en het Hirschgebouw (1911) op het Leidseplein.
Albert was een zoon van boekhouder Pieter Jacot (Delft, 18 oktober 1821) en Margaretha Elisabeth Alphonsius Maria Bisschop (Amsterdam, 11 oktober 1830), werkzaam in mode artikelen. Hij woonde in zijn jeugd op adressen als de Kerkstraat 195, Herengracht 306 en de Keizersgracht 470. Albert trouwde met Charlotta Johanna Maria van der Pijl (Den Haag, 12 april 1872 – Beverwijk, 2 december 1951). Het echtpaar woonde onder andere in Rotterdam, op de Spaanschekade 12, en voor de bezetting verhuisden ze naar de Stadhouderskade 129-3 in Amsterdam. Charlotte en Albert kregen een zoon Willem Frederik (Amsterdam, 23 november 1898).
Jacot volgde de vijfjarige HBS en daarna in de ochtenduren de Quellinusschool in Amsterdam. Tussen 1879 en 1927 was dit een kunstnijverheidsschool. Deze school ontstond na een initiatief van Pierre Cuypers (Roermond, 16 mei 1827 – Roermond, 3 maart 1921).
’s Middags deed Albert praktijkervaring op bij gemeente-ingenieur Th. G. Strengers. Zijn eerste werk was in juli 1884 de verbouwing van een winkelpand op de Utrechtsestraat in Amsterdam. Tot een jaar later, 1885, werkte Jacot onder bekende architecten als A. Salm GBzn. en A.L. van Gendt.
Als architect werd Jacot in eerste instantie bekend als een ontwerper van nieuwe winkelpuien en interieurs. Het bouwen van gehele winkels begon vanaf 1910, maar ook woonhuizen en villa’s waren van zijn hand. Vaak waren die laatste voor dezelfde eigenaren als van de winkelpanden. Binnen zijn bureau werkte Jacot samen met twee belangrijke medewerkers; van 1887 tot 1906 met Willem Oldewelt (1865 – 1906), een vroegere schoolkameraad, en vanaf omstreeks 1906 tot aan zijn dood in 1927 werkte hij nauw samen met chef de bureau August Zinsmeister (1867 – 1928).
De Kalverstraat werd aan het einde van de negentiende eeuw dé winkelstraat van Nederland en Jacot was, in combinatie met Oldewelt of Zinsmeister, betrokken bij de verbouw of nieuwbouw van 32 winkels en magazijnen en enkele tientallen op de Nieuwendijk. Jacot werd en vogue en vestigde in de kringen van opdrachtgevers een grote reputatie. Een ‘winkel van Jacot’ werd synoniem voor een ‘gezellige ruimte, waarin het aangenaam was te verkoopen, goed om te etaleeren en waar de klanten zich thuis gevoelden’. De kleinschaligere opdrachten leidden tot het ontwerp en de nieuwsbouw van grote modemagazijnen als Maison Hirsch, met een vloeroppervlak van 21.000 m2 en een lichtkoepel van 38 meter, in die tijd het grootste warenhuis in Nederland.
Joods erfgoed van Albert Jacot
Modehuis Ratjari, Utrechtsestraat 18 (1892),
Maison de Bonneterie, Rokin (1909),
Hirsch & Cie, Leidseplein (1911).
bron:
Albert Jacot, Stadsarchief Amsterdam, Overgenomen delen, archiefnummer 5416, inventarisnummer 88.
Charlotta Johanna Maria van der Pijl, Stadsarchief Amsterdam, Archiefkaarten, archiefnummer 30238, inventarisnummer 657.
Jacot, Alphonsus Maria Leonardus Aloysius, Nederlands Architecuut Instituut, NAi/Archief JACO, plaatsingslijst 1-75, via Waybackmachine, https://web.archive.org/web/20131225221214/http://zoeken.nai.nl/CIS/persoon/3000 (geraadpleegd 12 januari 2025).
Vincent van Rossum, A. Jacot (1864-1927), W. Oldewelt (1865-1906), Een veelbelovend begin, Vereniging De Amsterdamse Binnenstad, https://www.amsterdamsebinnenstad.nl/binnenstad/228/jacot.php (geraadpleegd 12 januari 2025).
illustratie:
Stadsarchief Amsterdam, beeldbank, Rokin 140, Maison de Bonneterie uit 1908-’09 van de architecten A. Jacot en W. Oldewelt. jaren 60/70. Collectie Bureau Monumentenzorg: negatiefvellen. BMAB00017000082_016.
gepubliceerd:
12 januari 2026
laatst bijgewerkt:
12 januari 2026