Herman Kan werd geboren op 29 augustus 1861 in Oldenzaal en trad in 1896 op 35-jarige leeftijd toe tot de firma waar zijn oudere broers Jonas Juda, Wolfgang en Daniel acht jaar daarvoor de oprichters van waren: W. Kan Textielfabrieken. Door de noeste arbeid van zijn broers kreeg Herman de kans om als enige te gaan studeren en het kantoor van de fabriek te gaan leiden. Juda trad in 1909 uit, Wolf overleed in 1935 en Daniel in 1940. Herman was de laatste van de eerste generatie die bij aanvang van de oorlog nog leeft.
Herman Kan was de jongste zoon van Moses Kan (Oldenzaal, 6 oktober 1810) en Hannah Habermann (Buttenheim, Beieren, 10 juni 1920). Er waren nog zeven kinderen in het gezin; Sophia (die trouwde met Isaak Meijer), Isaak (die trouwde met Baberta Kaufmann), Jonas Juda (die ongetrouwd bleef), Wolfgang (die huwde met Emma Leon genaamd Lewin), Daniel (hij trouwde met Mathilde Klebe), Esther (die ongehuwd bleef), Rosalia (die ongehuwd bleef) en Solina die maar een maand oud mocht worden.
Ook Herman trouwde, in 1902, met een Duitse vrouw, de uit de regio Bonn afkomstige Johanna Kaufmann (Beuel, 7 november 1878). In 1903 werd hun enige kind dochter (Lotte) Ruth geboren die verpleegster werd en dat later ook in Westerbork zal praktiseren.
Herman en Johanna woonden tot 2 februari 1939 in Oldenzaal in een ruimte villa aan de Schoolstraat 2-4-6; hier woonden sinds 1910 ook zijn schoonmoeder en zijn twee zwagers Max en Siegmund. Hun moeder overleed daar in 1929. De broers waren toen al naar Amsterdam verhuisd. Daarna wonen Herman en Johanna van 2 februari 1939 tot 28 februari 1940 in Borne bij hun dochter Lotte en hun schoonzoon, de Hongaar Tibor Feldman. Vervolgens op de Parnassusweg 30-3 in Amsterdam, vanaf 2 juli 1940 aan de Uiterwaardenstraat 130-1 en laatstelijk vanaf 9 oktober 1940 hier aan de Van Baerlestraat 4-1 in Amsterdam. Daar wonen ze dan ‘in’ bij de broers van Johanna, Max en Siegmund Kaufmann.
Siegmund was mede-eigenaar van damesconfectie-bedrijf Gustav Thiel & Co aan de Singel 208 in Amsterdam. Siegmund dreef de zaak tot 1932 samen met een compagnon. Na het overlijden van Gustav Thiel op 2 mei 1932, werd broer Max, reeds handelsagent in het bedrijf van zijn broer, in 1936 mede-eigenaar van het confectiebedrijf. In de tussentijd woont Max in Potsdam (Berlijn). In 1935 kreeg Siegmund de Nederlandse nationaliteit.
Lotte en Tibor wone vanaf juni 1942 ook aan de Van Baerlestraat. Hun riante omtuinde woning in Borne laten ze achter zich. Het zou kunnen zijn dat de familie Kan dacht dat het in Amsterdam makkelijker is om zaken te regelen.
Herman en Johanna werden op 20 april 1943 in Westerbork geregistreerd. Herman verblijft in Barak 83. Johanna kwam terecht in Barak 68. Ze weorden beiden op 4 september 1944 met het laatste transport van Westerbork naar Theresienstadt gedeporteerd waar Herman op 15 januari 1945 vermoord werd. Johanna overleeft Theresienstadt en overleed in 1970 in Amsterdam.
Ook Ruth en Tibor overleven de oorlog. Tibor was protestants en hoefde zich geen zorgen te maken. Het lijkt erop dat Ruth gearresteerd werd en gevangen werd gezet, vandaar haar s-status in Westerbork. Een vals persoonsbewijs en zonder ster lopen was niet toegestaan door het nazi-regime. Ruth vertelde dat ze op 6 december 1943 verraden werd.
Ruth werkte in Westerbork als verpleegster. Ze werd geïnterneerd op 12 januari 1944 en werd gehuisvest in Strafbarak 67, waar ook de Anne Frank en haar familie verbleven. De helft van deze Barak was ingericht voor mannen, de andere helft voor vrouwen. Overdag mochten ze elkaar ontmoeten, s avonds waren ze gescheiden.
Ze was blijkbaar lange tijd een zogeheten strafgeval omdat ze vanuit de onderduik in het kamp was gekomen. Er zijn brieven van Lotte op Westerbork-papier aan Tibor Feldman. Daarin is te lezen dat moeder Johanna Kaufmann ziek was en Lotte kon regelen dat vader Herman haar bezocht. De brieven dateren van half juni tot eind augustus 1944. In die periode kwamen ook de woonwagens van de Roma en Sinti in het kamp leeg, ze waren al afgevoerd naar de kampen. Lotte vindt met wat vriendinnen een vaste slaapplek in één van de wagens. Tibor is in staat veelvuldig (terug) te schrijven en pakjes levensmiddelen te sturen. Lotte is overigens behoorlijk kritisch in wat ze graag zou willen ontvangen maar is anderzijds dankbaar voor alles wat ze krijgt en deels kan verdelen in het kamp.
Het hoofd van de medische dienst in Westerbork, dokter Spanier, probeert haar, hoewel hij zelf Duits is, af en toe verlof te geven door mee te gaan met een ziekentransport. Ernstig zieken worden namelijk behandeld in de ziekenhuizen van Assen en Groningen. Maar om ad hoc en soms op goed geluk vanuit Amsterdam langs te komen moet een hele opgave geweest zijn voor Tibor. Kampcommandant Gemmeker is trouwens niet zo’n voorstander van het verlof van Lotte omdat ze een strafgeval is.
Met haar ‘reputatie’ als oud verpleegster in de CIZ (Centraal Israëlitische Ziekenverpleging) wist ze de zusjes Brilleslijper te bewegen om zich te melden als verpleegster. Janny en Lientje, die in de Gooise villa ’t Hooge Nest vele Joden een onderduikadres weten te bieden, zijn in de zomer van 1944 verraden en naar Westerbork afgevoerd. Het zou nog kunnen zijn dat Lotte Lien kende uit Amsterdam, waar Lien Brilleslijper (artiestennaam Lin Jaldati) zangeres en kleinkunstenares was en dus actief in de theater- en muziekwereld.
Begin september kreeg kampcommandant Gemekker vanuit Berlijn de opdracht om het grootste deel van de gevangenen door te sturen naar Auschwitz, Theresienstadt en Bergen Belsen. Het transport van zondag 3 september behelst 1019 personen dat rechtstreeks naar Auschwitz reed. Lotte, de zusjes Brilelslijper, de familie Frank en ruim duizend anderen gingen op transport.
De drie meiden en de zusjes Frank proberen bij elkaar te blijven en gingen begin november 1944 op verschillende dagen van Auschwitz naar Bergen-Belsen. De zusjes Brilleslijper en Lotte overleven het kamp. Margot en Anne Frank overlijden daar, waarschijnlijk aan vlektyfus.
Johanna Kan-Kaufmann en dochter Lotte Ruth werden in januari 1946 herenigd met Tibor Feldman en trekken bij hem in aan de Amsterdamse Teniersstraat 2. Ze bewonen de bovenste twee verdiepingen van de grote woning bij het Museumplein. Johanna en Ruth krijgen in 1948 een financiële vergoeding in het kader van de bijzondere rechtspleging. Deze werd uitgekeerd door de LiRobank (Lippmann, Rosenthal & Co) en de Textielfabriek W. Kan waar in 1948 nog 115 arbeiders werken. Tibor wordt na de oorlog directeur van de verenfabriek van Jonge Poerink in Amsterdam en begint daarna in 1947 zijn eigen bedrijf: De Gidts & Feldman BV. Het kantoor was bij naamgever De Gidts aan de Haringvlietstraat, opslag vond plaats op zes fietsminuten afstand op de benedenverdieping en de kelder aan de Teniersstraat. Vanaf 1 april 2011 bestaat het bedrijf onder de naam DGF Group NV.
Ruth werd een chique en artistieke mevrouw, lid van de artiestensociëteit. Ze had huishoudsters maar was zelf ook actief in huis en keuken. Ze was een verwoed verzamelaar en een groot bewonderaar van Wim Sonneveld van wie ze een complete verzameling had. Ruth bleef kinderloos dankzij de ‘medische handelingen’ van Dr. Mengele in Auschwitz. Samen met Tibor reisde ze veel en ze bleef bevriend met de zusjes Brilleslijper.
Op 14 oktober 2025 werd voor Herman Kan een Stolperstein gelegd.
bron:
Herman Kan, Stadsarchief Amsterdam, Archiefkaarten, archiefnummer 30238, inventarisnummer 409.
email O. Hoes (9 oktober 2025), met dank.
gepubliceerd:
10 oktober 2025
laatst bijgewerkt:
10 oktober 2025