Kokkenhofje (Cokkenhofje, Klokkengang)

In 1898 schreef L. M. Hermans in De Jonge Gids het artikel De tehuizen van de Amsterdamse Proletariers. Het stuk ging over stegen en sloppen, ook over deze steeg, die ter hoogte van de huidige nummers 71-81 moet zijn geweest. Hermans schreef: ‘Het Kokkenhofje is in de Uilenburgerstraat en ook bewoond door verschillende gezinnen. Het is iets ruimer en niet zoo naargeestig als de beide vorige, men kan er ten minste de blauwe lucht zien en ook kunnen de zonnestralen er doordringen. De woningen zijn ook een weinig beter, maar toch ellendig om aan te zien. 

Een bijzondere spraakzame, joodsche vrouw, die mij aanziet voor een meneer van het stadhuis, brengt mij op haar kamer. Deze woning doet 1 gulden 50 centen huur per week en deze huur is schandelijk hoog. De kamer is laag en hoekig, de vloer is zeer slecht onderhouden, als men loopt kraken de planken onophoudelijk en de bewoners vergaan van de wandluizen. De aanwezigheid van dit ongedierte is duidelijk zichtbaar. Een trap, met hooge treden, geeft toegang tot de bovenwoningen. Een buitendeur heeft het huis niet.

Des winters kan men het er niet uithouden van de rook. Als men stookt is men verplicht, wil men niet stikken, de ramen open te zetten. Er is duinwater. In den linkerhoek van het vertrek is een kraan aangebracht en daaronder is de vloer bedekt met een stuk zink. Gelegenheid om het water te loozen is er niet, alles moet naar beneden gesleept worden en dat is voor de bewoonsters, waaronder hoogbejaarden, een drukkend ongerief.

Twee hoog doet de kamer 1 gulden 40 centen per week. Er zijn twee bedsteden, akelige, donkere gaten aan het einde der kamer. Beneden in een der huisjes woont eene oude vrouw die, omdat zij reeds 60 jaar hier gewoond heeft, maar 1 gulden (o barmhartigheid der huisjesmelkers !) per week behoeft te betalen. Hier zakt de vloer weg en als men in dé kamer loopt bewegen de tafels en stoelen. De kamer is twee meter hoog en ziet er, ondanks de reinheid, zeer bouwvallig uit.

Terwijl ik dit alles bekijk en mijn aanteekeningen maak, verheugen de bewoners, die buiten een groepje vormen, zich in het vooruitzicht van aanstaande verbeteringen, waarvan mijne komst als een voorbode wordt aangezien. Zij redeneeren er druk over. Een oude jood is echter ongeloovig:

„Verbeteringen! Noggg! In paleizen komme jelui te wonen. Op de Keizersgracht maken ze de huizen voor jelui leeg. As ik ’t je zeg. Ik kom te losjeeren bij de burregemeester. Z’n mosterdjongen komt al opschrijven hoeveel lozees of-i krijgt. Verbeteringen.’ Noggg!”

Sommigen willen het geliefkoosde denkbeeld niet loslaten, het meerendeel echter is even pessimistisch als de oude man en als ik heenga vergezelt mij een spottend gelach.

 

 

bron:
L. M. Hermans, De tehuizen van de Amsterdamsche Proletariers, De jonge gids jaargang 2 1898-1899. 1898. Geraadpleegd op Delpher op 27-06-2026, https://resolver.kb.nl/resolve?urn=MMKB26:000244001:00001.

gepubliceerd:
27 juni 2026

laatst bijgewerkt:
27 juli 2026