Hildegard Sluizer (Amsterdam, – Auschwitz, ) trouwde op 12 december 1933 met fabrikant van Magneet Rijwielenfabriek Gerrit Verdoner (Amsterdam, – New York, ). De dag na hun huwelijk vestigden Hilde en Gerrit zich in Hilversum, waar ze in een mooie woning op de Trompenbergerweg 45 gingen wonen. Daar kregen ze hun drie kinderen; Josefine (1934), Francisca Bertha (1937) en Otto (1939). In mei 1942 moest het gezin gedwongen naar Amsterdam verhuizen nadat het huis in Hilversum werd gevorderd. In Amsterdam gingen ze bij de grootouders, Abraham Verdoner (Amsterdam, – Auschwitz, ) en Henriëtte de Jong (Den Ham, – Auschwitz, ), op de Breughelstraat 4hs wonen. Op het moment dat het gezin daar woont gaat Joke naar de Joodse school op de Jan van Eyckstraat.
In juli 1942, toen de transporten naar Polen al op volle gang waren, besloten Gerrit en Hilde hun kinderen te laten onderduiken. Josefine, Joke genoemd, ging naar Kindertehuis Zonneschijn in Zeist waar tegen betaling ook Joodse kinderen werden opgenomen, hun identiteit werd verborgen en ze een onderduik hadden. Ook Otto en Francisca gingen naar onderduik adressen, zij het op andere locaties. Hilde begint met het schrijven van brieven aan haar zevenjarige dochter, en Joke schrijft terug. Brieven die meer dan tachtig jaar later een boek zijn geworden, Lieve Jokemoek, brieven aan en van een ondergedoken kind.
Hoe gevaarlijk de toestand ook was, Hilde deed er alles aan om het contact met haar kinderen te behouden. Op 16 november 1942 is Joke jarig, ze werd acht jaar oud en Hilde kwam naar haar dochter in Zeist. Later zou blijken dat het de laatste keer was dat ze elkaar zagen. Ook het contact tussen vader en zijn kinderen was goed. Van uit zijn onderduik stuurde hij hen lange, grappige gerijmde brieven waar ze van genoten.
Eind 1942 werd Hilde naar Westerbork gestuurd waar ze op 18 december aankwam. Dat volgde op een arrestatie op 10 december 1942 en een korte tijd waarop Hilde gevangen zat in Amsterdam.
Ook vanuit Westerbork schreef Hilde aan Joke, maar ze vertelde nooit waar ze was. De brieven werden het kamp uit gesmokkeld en door het verzet bezorgd. In april 1943 schreef Hilde over krokussen en niet over de modderige paden op de Drentse hei. Gerrit had veel contacten met het verzet en probeerde Hilde er van te overtuigen om uit Westerbork te ontsnappen. Maar Hilde vreesde dat haar ouders en schoonouders dan onmiddellijk op transport zouden worden gezet en weigerde mee te gaan met de verzetsmensen die haar uit Westerbork wilden halen.
Eerder, in december 1942, werd Joke weggehaald uit het kindertehuis nadat Gerrit via het verzet gewaarschuwd werd; er zou een inval komen in het kindertehuis. Joke werd naar de familie Meyer in Huis ter Heide gebracht, vrienden van Gerrit en Hilde. Lenie Meyer was niet Joods, maar man Hans wel en er waren twee dochters in de leeftijd van Joke. Het was een tijdelijke opvang, geheel veilig kon het niet zijn met een Joodse vader en half-Joodse kinderen en Joke ging twee weken later naar hun vroegere kindermeisje Grada en haar man Hans van de Beek in Den Haag. Daar was de buurman echter een NSB’er en ook die onderduik was dus tijdelijk. Uiteindelijk vond het verzet een veilige plek, bij Dick en Ella Rijnders in Woubrugge. Dick was de burgemeester van Woubrugge, en Joke paste zich goed aan als een dorpskind met een nieuwe achternaam, Joke Verdoren.
Gerrit deed werk voor de Joodsche Raad, maar ook hij moest in september 1943 onderduiken. Gerrit vond een onderduikadres in Drenthe, later in Oranjewoud in Friesland.
Op 9 februari 1944 werd Hilde op transport gesteld naar Auschwitz. Ze had kort ervoor geelzucht gekregen en met dit transport werden alle patiënten uit het ziekenhuis in Westerbork op de trein naar Auschwitz gezet, velen op brancards.
Na de bevrijding van het oosten van Nederland duurde het nog even voor Gerrit naar het westen kon komen om zijn twee dochtertjes, Joke en Francisca, na meer dan twee jaar weer terug te zien. Otto, de jongste, nu zes jaar oud, had de oorlog overleefd bij de familie Hopperus Buma, in Diepenveen, Overijssel. Pas maanden na de oorlog was het duidelijk dat Hilde in Auschwitz was omgekomen.
Enige tijd na de bevrijding kreeg Gerrit het huis in Hilversum terug. Een jaar later, in december 1946, emigreerde hij met zijn drie kinderen naar de Verenigde Staten. Niet lang na de emigratie werd hij ziek. Hij bleek kanker te hebben en overleed op 15 oktober 1947. De kinderen werden opgevangen door Jo Broekman, de zus van Gerrit. Jo, haar man Barend, en hun twee tienerzonen waren in 1942 uit Nederland gevlucht en via België, Frankrijk, Portugal en Jamaica uiteindelijk in New York terechtgekomen.
In het Nawoord van het boek is te lezen hoe het met de kinderen Verdoner in hun verdere leven is gegaan.
Het boek Lieve Jokemoek, brieven aan en van een ondergedoken kind, van Joke Verdoner dat in 2025 is verschenen is te bestellen via deze link.
bron:
Gerrit Verdoner, Stadsarchief Amsterdam, Archiefkaarten, archiefnummer 30238, inventarisnummer 846.
Gerrit Verdoner, kaart Joodsche Raad, Arolsen Archives, 130389543 (Gerrit VERDONER).
Lieve Jokemoek, brieven aan en van een ondergedoken kind, Joke Verdoner (2025).
Correcties (email Joke Verdoner 23 januari 2026).
Met dank aan Joke Verdoner
gepubliceerd:
18 januari 2026
laatst bijgewerkt:
24 januari 2026