Marja Plotske en het bruidsboeket van Samuel Zurel

Als ik nog eens beleef dat dit kind de bruid is, krijgt ze van mij het mooiste bruidsboeket dat ik dan kan geven.

Een bijzonder verhaal over Samuel Zurel stond in de Margriet van 2 mei 1964: ‘Met het ja-woord van een Joods meisje eindigde pas dit voorjaar één van de meest ontroerende verhalen uit de oorlogstijd’.

Iedere dag reed mevrouw Plotske met haar baby naar haar moeder, en elke dag was ze vervuld van bange voorgevoelens.

Het was winter 1942. Een jonge Joodse vrouw, Rosa Brilleslijper (Amsterdam, 5 juli 1920 – 2007) reed met haar baby door de Amsterdamse Rijnstraat, op weg naar haar moeder, Elisabeth Bed (Amsterdam, 28 februari 1897 – Auschwitz, 19 november 1943). Iedere dag maakte ze die tocht en elke dag met dezelfde wurgende angst. Want ze wist nooit of ze haar moeder nog zou aantreffen. De bezetter was reeds begonnen Amsterdam „Jodenvrij” te maken en dagelijks werden Joodse inwoners van hun bed gelicht om met onbekende bestemming te worden weggevoerd.

Bij de bloemenwinkel van meneer Zurel bleef ze staan. Ook hij was Joods. Ze kende hem vaag omdat ze als kind met zijn dochters had gespeeld. „Wat zegt u ervan, alweer zoveel mensen weggehaald,” zuchtte ze. Samen keken ze naar Marja (Marianne Elisabeth, 1942), de vrolijke dikke baby, die hen stralend toelachte alsof er geen ellende in de wereld bestond. Onwillekeurig dachten ze allebei hetzelfde. „Wat moet er van dit kind worden?” Toen, als om de moeder te troosten en om zichzelf een beetje hoop op een blijere toekomst te geven, deed meneer Zurel zijn belofte: „Als ik nog eens beleef dat dit kind de bruid is, dan krijgt ze van mij het mooiste bruidsboeket dat ik kan geven”.

De moeder reed door en vergat in de zorgen van deze dag het bruidsboeket. De bezetter ging over tot steeds drastischer maatregelen. Elke dag werd het leven meer onzeker. De moeder van Marja en haar man Abraham Plotske (Amsterdam, 1 april 1919 – Amsterdam, 12 oktober 1975) spraken erover of ze er niet beter aan deden een onderduikadres voor de baby te zoeken, hoe zwaar het hun ook zou vallen het kind af te staan. Het toeval kwam te hulp. Vader ontmoette een Joodse zakenrelatie, die met een niet-Joodse vrouw was getrouwd. Zij had pas een miskraam gehad en wilde nu graag een Joods kind aannemen om dat uit de handen van de Duitsers te redden. „Wij hebben een dochtertje van acht maanden en we denken erover dit af te staan. Ik zal er eens met mijn vrouw over spreken,” zei de heer Plotske.

Toen Marja bij haar pleegmoeder kwam was ze een kort dik propje zonder haar.

Drie weken later kwam tante Roely, Marja’s pleegmoeder, naar de baby kijken. Mevrouw Plotske was zo zenuwachtig, dat ze het kind van de commode liet rollen. Gelukkig had deze val geen gevolgen. De twee vrouwen werden het eens en een tijdje later kwam tante Roely haar pleegkind halen. Met tranen namen de ouders afscheid. Zouden ze hun dochtertje ooit terugzien? Maar drie weken later was Marja weer thuis. Haar moeder stierf bijna van heimwee. Tante Roely begreep het. Ze spraken af dat ze, als de nood aan de man kwam, het kind bij een vrouw in de buurt zouden brengen die 35 jaar lang huishoudster was geweest in het gezin Plotske. Zij was ten volle betrouwbaar en zou tante Roely waarschuwen.

Op 20 juni 1943 kregen Marja’s ouders ’s morgens om zes uur een tip dat ze die dag zouden worden gehaald. Ze brachten in allerijl de baby weg. Een paar uur later waren ze al op weg naar Westerbork. Daar hoorden ze af en toe nog iets van hun kleine meisje. De moeder van mevrouw Plotske, die nog niet was opgepakt, stuurde pakjes thee en biscuit waarin soms fotootjes van Marja en briefjes van tante Roely zaten verstopt. Op die briefjes en foto’s leefden de vader en moeder. Gedurende haar hele kamptijd droeg ze die als een kostbaar kleinood op haar hart. Toen Marja’s grootmoeder werd weggevoerd, stuurde de huishoudster de berichtjes. Tante Roely kon dit niet doen, zij mocht dit risico niet wagen, want het geringste verraad zou ertoe bij kunnen dragen dat het kleine meisje zou worden weggehaald. Toen werden de ouders op transport gesteld naar Bergen-Belsen en daar hoorden ze nooit meer wat van Marja.

Bij het weerzien vonden haar ouders hun dochter terug als een lang, slank geworden meisje met een enorme bos krullen.

We kunnen ons nu, zolang na de oorlog, niet alle ellende uit die tijd voor de geest halen, maar elke Nederlandse moeder moet ook nu nog kunnen voelen hoe die Joodse ouders, in al hun eigen ellende, verscheurd werden door angst en onzekerheid over het lot van hun kinderen. Ook Marja’s moeder dacht voortdurend aan haar dochter en aan de vrouw die, met gevaar voor eigen leven, het meisje in huis had genomen. Wat zou er gebeuren als het ontdekt werd? Daar wilde ze maar liever niet aan denken.

In het kamp ontmoette ze Carla Zurel (Amsterdam, 20 september 1921), het vriendinnetje uit haar kinderjaren. Samen spraken ze over vroeger en over Marja, altijd maar weer over Marja en of ze ooit de oorlog door zouden komen…. Als tenminste het kind er maar doorkwam. Eens, om de angstige moeder te troosten, herhaalde Carla de belofte die haar vader die gedenkwaardige winterdag had gedaan: „Als ik nog eens beleef dat dit kind de bruid is, dan krijgt ze van mij het mooiste bruidsboeket dat ik kan geven.” Zo werd het beloofde bruidsboeket in het afschuwelijke kamp, waar zoveel onschuldige mensen in de diepste ellende leefden, een teken van hoop.

Hadden we toen maar geweten dat we nog eens ooit zo bij elkaar zouden staan,” zei Marja’s moeder toen ze samen met haar dochter de heer Zurel een bruidsfoto aanbood. 

In 1945 werd Bergen-Belsen door de Russen bevrijd. De Amerikanen namen de gedetineerden over en transporteerden een groepje Nederlandse Joden, dat de verschrikkingen had overleefd, naar Eindhoven. Omdat er in het kamp vlektyfus was uitgebroken, werden alle bevrijden onder quarantaine gesteld. In feite zaten ze dus weer gevangen. De Joodse ouders die hun kinderen via de illegaliteit hadden laten onderduiken, ontvingen daar berichten over hun lotgevallen. Marja’s ouders hoorden echter niets. Leefde Marja nog? Leefde tante Roely nog? Hoe moest ze weten dat Marja’s ouders in Eindhoven waren?

Marja zal nooit vergeten wat ze aan tante Roely, haar pleegmoeder, heeft te danken.

Vele Joodse mensen, die zelf alles verloren hadden, probeerden haar moed in te spreken, maar door de onzekerheid werd hun vreugde om de bevrijding getemperd. Op een dag kwam een van de leiders van het groepje naar mevrouw Plotske en stopte haar een reep chocolade in de hand. „Dat is voor jou, Rootje,” zei hij, „van een vriendje van je.” Niet begrijpend nam ze de reep aan en keek ernaar. Toen begon de wereld om haar heen plotseling te draaien, want op de buitenkant van de verpakking stond met potlood geschreven: „Lieve papa en mama, ik sta beneden. Maria.” Tante Roely had van de eerste dag af alle lijsten grondig nagelezen en was meteen met haar pleegdochter naar Eindhoven gereisd toen ze de namen van Marja’s ouders gevonden had. Een uur later stond een doodzenuwachtig ouderpaar in het hokje van de marechaussee. Voor het raam zagen ze hun dochtertje dat een bakje met aardbeien in haar handjes hield. „Hier mammie, aardbeitjes voor u,” zei Marja. Daarna kroop ze bedremmeld weg achter tante Roely, niet begrijpend waarom iedereen toch zo stond te huilen, tot die grote kerels in uniform toe…. De volgende dag werd de quarantaine opgeheven en reisden de ouders in geleende kleren, met in totaal zes gulden op zak, naar Vught met een prentenboekje voor Marja en een bos anjers voor tante Roely.

Helemaal onverdeeld was de vreugde niet. Bij alle geluk om de hereniging van dit ene gezinnetje viel er toch menig traantje. De man van tante Roely was weggehaald en zou nooit terugkomen. Van de 180 leden van de familie Plotske bleken er slechts tien de oorlog overleefd te hebben. Bovendien was Marja’s eigen moeder er zich pijnlijk van bewust dat het tante Roely verdriet deed, Marja te moeten missen. Als de twee vrouwen samen in de kamer zaten en ze Marja vanuit haar liedje „mama” hoorden roepen, durfden ze geen van tweeën op te springen hoewel ze beiden zaten te popelen…. Eigenlijk had Marja nog een pleegmoeder en een pleegvader. Eenmaal heeft tante Roely met Marja moeten vluchten omdat de Duitsers bij haar in de buurt naar een ondergedoken Joods kindje zochten. Ze vluchtte naar Kampen, waar ze liefderijk werd opgenomen door haar vader en zuster. Terwijl ze daar verbleef, werd het Zuiden bevrijd en was ze wel gedwongen om tot vijf mei daar te blijven. Nu beschouwen behalve haar eigen ouders en tante Roely, ook opa en tante Tita Marja als hun „eigen” kind…. 

Het leven werd langzaam maar zeker normaal. Het gezin Plotske trok weer naar Amsterdam, tante Roely bleef eenzaam achter. Ze wilde geen cent hebben voor al die jaren die ze voor Marja had gezorgd. Ook van dank wilde ze niet horen. „Ik moet Marja bedanken,” zei ze. „Zonder haar zou ik het verlies van mijn man nooit te boven zijn gekomen.” Marja kreeg nog twee zusjes en groeide met de jaren op tot een jongedame. Toen ze achttien was, ontmoette ze Donald; het was haar eerste en enige liefde. Op kerstavond mocht ze hem voor het eerst meenemen voor een intiem kerstdiner met het hele gezin in een hotel. Marja’s ouders hadden een tafel laten reserveren en wie beschrijft hun verrassing toen ze aan de tafel naast de hunne het hele gezin Zurel aantroffen, dat eveneens de oorlog was doorgekomen. Er werden herinneringen opgehaald, belevenissen uitgewisseld. Toen Marja en Donald opstonden om te gaan dansen, boog meneer Zurel zich over naar mevrouw Plotske en vroeg: „Rootje, kom eens hier, kan ik gauw een bruidsboeket sturen?” Hij was het niet vergeten. Marja hoorde die avond voor het eerst van de belofte.

Op 14 januari 1964 was Marja Plotske de bruid en werd een tweeëntwintig jaar eerder gedane belofte ingelost. Marja en Donald Speelman poseren als een stralend bruidspaar met het boeket dat zoveel herinneringen opriep.

Pas vier jaar later kon meneer Zurel zijn belofte inlossen. Zodra hij een aankondiging van het huwelijk kreeg, belde hij Marja op om te vragen hoe ze gekleed zou zijn en of ze nog speciale wensen had. „Ja,” zei Marja, „ik ben een grote bruid en ik trouw in het lang, ik zou wel graag een groot bruidsboeket hebben.” Op de ochtend van de trouwdag kwam de heer Zurel, die niet langer een bloemenzaak heeft, maar in de bloemen-groothandel zit, met een grote doos Marja’s ouderlijk huis binnen. Behoedzaam zette hij hem in de gang, knielde ernaast neer, verwijderde met voorzichtige vingers de deksel en een dikke laag watten, en daar lag een bos witte orchideeën zo mooi, als Marja in haar stoutste droom niet had durven voorstellen.

Ze kreeg het boeket echter het laatst van allen te zien, want de eer om deze bloemenschat aan de bruid te overhandigen, liet de gulle gever aan de bruidegom. De bruiloft stond geheel in het teken van het bruidsboeket. Iedereen die op de receptie kwam en de prachtige bloemen zag, kreeg de geschiedenis te horen. Het hoogtepunt was echter de plechtigheid in de synagoge waar de rabbijn zich persoonlijk tot Marja’s pleegmoeder(s) en pleeggrootvader wendde met de woorden: „Ik eer in de familie Vermeulen het hele Nederlandse volk dat de moed heeft gehad zoveel van deze kinderen te redden.” Deze woorden en die van meneer Zurel bij het overhandigen van het boeket „Ik ben zo dankbaar dat ik dit mag beleven….” maakten deze bruiloft tot een dag van wijding en stille ontroering.

Na twee en twintig jaar draagt bruidje Marja Speelman – Plotske, die de verschrikkingen van de oorlog overleefde, het bruidsboeket van de belofte. Marja trouwde met Donald Speelman, zoon van Eva Kat en Alexandre Speelman.

 

 

bron:
Als ik nog eens beleef dat dit kind de bruid is, krijgt ze van mij het mooiste bruidsboeket dat ik dan kan geven, Margriet; weekblad voor vrouwen en meisjes, 1964, no. 18 (2 mei 1964),  8, 9, 10, 11, 12, 15. Met vriendelijke toestemming van Copyright DPG Media 8 januari 2026.
Abraham Plotske, Stadsarchief Amsterdam, Archiefkaarten, archiefnummer 30238, inventarisnummer 1726.
Rosa Brilleslijper, Stadsarchief Amsterdam, Archiefkaarten, archiefnummer 30238, inventarisnummer 120.

illustraties:
Als ik nog eens beleef dat dit kind de bruid is, krijgt ze van mij het mooiste bruidsboeket dat ik dan kan geven, Margriet; weekblad voor vrouwen en meisjes, 1964, no. 18 (2 mei 1964),  8, 9, 10, 11, 12, 15. Met vriendelijke toestemming van Copyright DPG Media 8 januari 2026

gepubliceerd:
19 december 2025

laatst bijgewerkt:
8 januari 2025