De Duikjoodbasis

Wachten op het opduiken van De Duikjoodbasis – door Mau Kopuit (NIW, 20 mei 1983)
Bij tijd en wijle duiken de berichten op over de op het Thorbeckeplein door onderduikers gemaakte film “De Duikjoodbasis” op. Een bijzondere film, omdat hij over de onderduik gaat, gemaakt tijdens de onderduik en door onderduikers. En dat midden in Amsterdam.
Er was al sprake van deze film in 1983, toen Max Kopuit in het Nieuw Israëlietisch Weekblad er een paginagroot artikel aan wijdde. Dit artikel staat op deze pagina.

Het wachten is op de film. De film met als titel De Duikjoodbasis. Zij is in het bezit van Harry Swaab, een metaalhandelaar in Amsterdam-Buitenveldert. De film gemaakt van het leven van Joodse onderduikers, verborgen op de derde etage van het amusementsbedrijf Alcazar aan het Thorbeckeplein, het uitgaanscentrum van Amsterdam. Een film uitzonderlijk in de wereld, waarvan het vervaardigen nu wordt beschouwd als een staaltje van moed, toen als een teken van naïviteit. Want nergens waren op gevaar beduchte illegalen en met de dood bedreigde Joden bereid hun verborgen leven nog eens op het celluloid vast te leggen. Een verslag van een uitzonderlijke gebeurtenis.

Veertien joden waren verborgen op de bovenste verdieping van Alcazar, het eigendom van de vroegere metaalbewerker Dirck Vreeswijk. Een fel anti-Duitser, die lang weigerde het bordje Voor joden verboden voor de ruiten te hangen. In zijn zaak traden veel joden op en waren veel joden onder de bezoekers. Op 9 februari 1941 zou de WA, de gevechtsafdeling van de NSB, de Nationaal Socialistische Beweging, de principiële houding van Dirck Vreeswijk afstraffen. Alcazar werd in elkaar geslagen. Het zou het begin zijn van de uitgelokte rellen in de Amsterdamse Jodenbuurt, de razzia op 389 joodse jongens, in Mauthausen vermoord, en de Februaristaking.

Bij toeval is het bestaan van De Duikjoodbasis bekend geworden. Timmerman Karel Peters vond dagboekgegevens en twee schriftjes met een filmscenario, verborgen achter een kast in het te renoveren uitgebrande pand van Alcazar, al lang Moulin Rouge geheten. Van 5 november 1942 tot 3 april 1943 dateren de aantekeningen, aanvankelijk toegeschreven aan Harry Swaab maar opgeschreven door de toen vijftienjarige joodse jongen Henri Robinski, die in werkelijkheid Henry Levij bleek te heten en zich vanaf 1963 officieel Henry Lemij laat noemen.

Impuls
Oorspronkelijk werd gedacht dat zowel Henry Swaab als Henry Robinski het leven had verloren, nadat de Duitsers in april-mei 1943 een inval hadden gedaan bij Alcazar. Zekerheid over hun omkomen was er echter niet. Weliswaar had het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie (nu NIOD – red) opgegeven dat Harry Swaab op 11 juni 1943 in Sobibor om het leven was gebracht, maar Riod-medewerker C. Stuhldrerer zei ons al onmiddellijk, er geen verklaring voor te hebben dat tussen gevangennemen in Amsterdam en vermoorden in Sobibor zo’n tijd zou zijn verstreken, „in aanmerking genomen dat de deportaties toen op hun hoogtepunt waren”.

Na de publikatie in Het Parool van de vondst achter de kastmuur op de bovenste verdieping van Alcazar, kwam vast te staan dat Harry Swaab nog in leven was en vervolgens dat Henri Robinski nog bestond. Harry Swaab had zich door onderduik en door huwelijk met een niet-joodse, Duitse vrouw kunnen redden. Henri Robinski had het er met zijn moeder levend afgebracht. Harry Swaab had bij testament bepaald dat de film eerst na zijn overlijden zou worden vertoond. Hij is van dat idee afgestapt nadat het bestaan van de Duikjoodbasis door de vondst op het Thorbeckeplein bekend is geworden.

„Robinski , of hij nu een andere naam heeft aangenomen moet hij weten, heeft mij na veertig jaar bereikt. Als hij terug is (uit Tokio, red. NIW) dan gaan wij publiceren. Daarvoor komt het Nederlandse volk in aanmerking en daarvoor komt Israël in aanmerking”, zegt ons de heer Swaab. „Het is niet alleen het onderduikdagboek, maar het zijn ook andere dingen waarvan het hart sneller gaat kloppen. Ik ben Nederlander, maar ook Jood”.

Het was in een impuls dat hij opdracht gaf het leven van de Joodse onderduikers te filmen. „Er kwamen bij ons verzetsstrijders binnen. Aan een van hen vroeg ik: wat doet u voor uw vak. Hij zei: ik ben filmer van Holland in Haarlem. Ik: film ons dan maar. Hij: heeft u dan geld. Ik: hangt ervan af wat het kost. Hij: u betaalt alleen het celluloid en de trommels. Ik: dat doen we. Alle veertien mensen die woonden op het onderduikadres wisten dat er een film zou worden gemaakt. Ik was tenslotte de regisseur.”

Inval
De heer Swaab verhaalt ons hoe het is gegaan. „Als wij wisten dat er mensen zouden binnenkomen van elders, dan kreeg hij (de filmer, red. NIW) een seintje en stond de apparatuur klaar als zij kwamen. Bij de bevrijding heb ik de buitenboel laten filmen, ook de auto’s van de Wehrmacht, die op het Thorbeckeplein stonden. Ik ben wel een klein mannetje, maar ik heb heel wat gedaan”.

Het Parool publiceerde fragmenten uit het script.

Keukendienst.
Kat, Klara, Gerda, Milly enTruus staan gezamenlijk in de keuken. Kat en Klara schillen aardappels terwijl Gerda en Milly de een of andere groente schoonmaken.
Omwasdienst
Klara, Tante en Oma staan in de keuken om te wassen. Klara wast, Oma en Tante drogen. Zal ik even helpen Henk komt de keuken binnen, pakt ijverig een doek, begint heel slordig en vlug de borden…. (onleesbaar)
Nu zullen wij kennis maken met de bemanning van de Duikjoodbasis.
De commandant …. Harry Swaab.
Harry lachend met sigaar in zijn mond.

Tot zover Henri Robinski in zijn script. Het scenario geeft ook de personages aan van de film. Personen: Mijnheer Vreeswijk, Mevrouw Vreeswijk, Leo Hess (Piet), Gerda Hess, Oma Hess, Kathe Robinski, Ida Robinski, Jacques Robinski, Klara Günther, Milly Swaab, Harry Swaab, Truus Swaab, Henk, Mijnheer Gasseling, Fifïe Metzier, Mijnheer van Aersen, Kapper, Max Holieman.
Eind april of begin mei 1943 deden de Duitsers een inval. De onderduikers werden opgepakt. Harry Swaab kroop in een kast. „Ik heb daar in een kast gezeten, waar maar twintig muizen in konden”, zegt hij ons. Henri Robinski werd door zijn moeder Kathe Robinski verstopt. Het grootste deel van de ondergedoken werd meegenomen, in de kampen vermoord of pleegde zelfmoord zoals Ida en Jacques Robinski, de grootouders van Henry.

Namen
De film was al eerder verstopt in het pand Thorbeckeplein 5. Na de bevrijding heeft de echtgenote van Harry Swaab de trommels met de 16 mm-film, in totaal een speelduur van een uur, opgehaald. Dat ook dagboeken van Henri Robinski waren verstopt alsmede het filmscript herinnerde niemand zich. „Ik had opdracht gegeven”, zegt ons Harry Swaab, „het dagboek te vernietigen. Maar aan de andere kant, als hij (Henri Robinski, red. NIW) ze had vernietigd en ze hadden de trommels met films gevonden was dat net zo gevaarlijk”.
Uitsluitend gevaarlijk om de namen die in het script werden vermeld. Want volgens Riod-medewerker Stuhldrerer bevatten de dagboeken weinig anders dan de berichten van Radio Oranje. „Het lijkt wel of ze die jongen hebben gezegd, houd jij die berichten maar bij. Dat zal dan wel zijn gedaan om hem wat om handen te geven”.
Over de gebeurtenissen in Amsterdam vermeldt het dagboek vrijwel niets. Wel een briefje van januari 1943. „In juli 1942 begon men in Nederland de Joden gewoon uit hun huizen te sleuren of op straat op te pakken. Nadat zij eerst naar een kamp in Drenthe of elders werden gebracht heeft men hun van daaruit naar Polen getransporteerd waar zij z.g. moeten werken. Dit ‘werken’ betekent ‘doden. Men heeft nog nooit iets van deze mensen gehoord”.

Belangrijke brief
Riod-medewerker Stuhldrerer reageert daarop tegenover ons, dat het „niet juist zou zijn uit deze zin af te leiden dat men toen zou hebben kunnen weten wat er met de joden gebeurde. Het zal eerder een vermoeden zijn geweest, omdat men niets van hen hoorde”.

Henri Robinski heeft in die tijd ook zijn verlangens aan het papier toevertrouwd. Dromen van een jongen van die leeftijd. Verlangens over de toekomst. Hij heeft zijn wensen verpakt in een zelfgemaakte envelop, er een pasfoto van zichzelf ingestopt en op de envelop geschrevan Belangrijke brief van Henri. Op 5 april 1943 schreef hij zijn wensen neer. Wensen van een ambitieuze jongen, die wat wilde bereiken in de wereld. Op de achterkant van de envelop zette hij duidelijk neer wat dat dan wel was.

Op dertigjarige leeftijd wil ik geheel zelfstandig zijn. (Inkomen van ƒ 300,- per maand). Een eigen huis hebben. Getrouwd zijn. Een of twee kinderen hebben. Een auto en vliegtuig bezitten. Een klein museum of interessante verzameling bezitten. Veel voor armen doen. Reizen maken met vrouw en kinderen. Mijn moeder al haar wensen in vervulling kunnen brengen.

Veel van de dromen van Henri Robinski, thans door het leven gaand als ir. H.H. Lemij, zijn uitgekomen. Als hoofd van de Manufacturing Development Division van Shell is hij betrekkelijk onafhankelijk en verdient hij zeker meer dan de ƒ 300,- per maand van 1943. Ook een eigen huis, in Wassenaar, is bereikt en gehuwd is hij ook. Met een vrouw uit Scandinavië. Overeenkomstig zijn wens hebben zij twee zoons. Het laat zich verstaan dat hij veel reizen maakt, waarbij hij in zijn functie geen eigen vliegtuig van node heeft. Die staan toch wel tot zijn beschikking.

Noblesse
Op de publikaties in Het Parool heeft Henri Robinski niet gereageerd. Het was de NOS die hem op het spoor kwam, kort voordat hij voor de Shell op zakenreis ging naar Tokio. Bij de toenmalige De Bataafsche Petroleum Maatschappij in Den Haag kwam hij in 1955 in dienst. Het was hetzelfde jaar, dat hij in Delft was afgestudeerd als scheikundig ingenieur. Nadat hij werkzaam was op in Trinidad, alsmede Pernis, werd hij in 1965 directeur van de raffinaderij van Shell in Gent. Op hoge posten was hij tevens voor Shell werkzaam op Ceylon, in Sri Lanka en in Zuid Afrika.

Henri Robinski, in 1927 in Duitsland geboren en in 1936 naar Nederland gekomen, had na de bevrijding de naam van zijn moeder, een bekend hoedenmodiste, verruild voor die van zijn vader Levij. Zijn vader verbleef tijdens de bezetting niet in Nederland. Eerst in 1963, hij was toen acht jaar in dienst bij Bataafsche-Shell en twee jaar werkzaam in Pernis, Rotterdam, liet ir. Henri Levij zijn naam officieel wijzigen in Lemij.

Mr. ing. G. Hoogland, Shell-directeur Nederland, die bij verblijf van ir. Henri Lemij in het Verre Oosten zijn belangen behartigt, „denkt niet”, dat de in sommige kranten opgegeven reden juist is, dat Henri Levij zijn naam in 1963 heeft veranderd om niet meer aan de oorlog te worden herinnerd. Hij vindt het overigens niet passend zich te uiten over de persoonlijke levenssfeer van ir. Lemij.

Bij Shell, zegt ons mr. Hoogland, was het overigens bekend dat ir. Lemij anders heette. Tenslotte heeft hij in zijn Shell-jaren zijn naam veranderd. Bekend is ook, dat hij Jood is. Ook zijn „hele psychologische benadering van dingen en zijn vlugge manier van doen is niet die van een gewone Westeuropeaan, maar is van een noblesse die je in het Joodse ras vindt”, stelt mr. Hoogland. „Een vlugge geest en een gevoel voor humor”.

Weerzien
Dat de naam zou zijn veranderd terwille van Shell wordt uitgesloten geacht. „Dat heeft hij niet om Shell maar om puur particuliere redenen gedaan. Want wij zijn nota bene een maatschappij waar het Joodse element zeer rijkelijk is vertegenwoordigd en dat niet op de laagste plaatsen”.

Mr. Hoogland heeft van de hoofdredactie van het Parool inmiddels fotokopieën van alle gevonden geschriften op de derde verdieping van het vroegere Alcazar waar Dirck Vreeswijk joden verborg ontvangen. Tussen de hoofdredactie van het Parool en Henri Robinski, zegt ons Parool-hoofdredacteur Wouter Gortzak, is geen verschil van mening aan wie de auteursrechten toebehoren. Er zijn echter fotokopieën afgegeven omdat de eigenaar van het pand aan het Thorbeckeplein 5 ook aanspraken maakt op de vondst van timmerman Peters.

Als ir. Henri Lemij uit het Verre Oosten over een dag of veertien terugkomt zal hij ze kunnen voegen bij de andere dagboeken die hij als Henri Robinski tijdens de vervolgingstijd heeft bijgehouden. Daarna, zo luidt de afspraak met Harry Swaab, zullen zij zich met elkaar in verbinding stellen. Een weerzien na veertig jaar. Een herinnering aan de tijd dat de vijftienjarige Henri Robinski het script schreef, de metaalhandelaar Harry Swaab de regie voerde van de professioneel opgenomen film De Duikjoodbasis, waarin vele ondergedokenen en onderduikouders, gevaren trotserend, een rol vervulden. Het klinkt als een film.

De film is hier te zien.

bron:
Nieuw Israëlietisch Weekblad, 20 mei 1983, Wachten op het opduiken van de Duikjoodbasis – Mau Kopuit.

Laatst bijgewerkt:
21 nov 2015