maurits goudeketting

Opeens werd hij geïnterviewd in het journaal van 6 juni 2014 bij de herdenking van D-day (6 juni 1944). Maurits Goudeketting, een van de strijders in die tijd. Hoe kwam deze Joodse jongen uit Nederland daar terecht?

Maurits was het jongste kind in het gezin van Alexander Goudeketting (Amsterdam, 22 aug 1889 – Polen, 6 maart 1943) en Kaatje Wijnschenk (Amsterdam, 9 dec 1882- 1 nov 1968; foto midden; voor winkel in Den Haag, 1932). Het oudste kind was Rebecca (Amsterdam, 9 maart 1914 – Auschwitz, 14 sep 1942), daarna volgde Raphaël (Amsterdam, 1916-1943) en Maurits werd geboren op 6 augustus 1920 in IJmuiden. Vader zat in de handel in vis en verkocht aan zowel winkels en vismarkten binnen en rond Amsterdam.

Eindhoven
Het gezin vertrok in 1924 naar Eindhoven en opende daar een viswinkel genaamd “Wijnschenks Vischhandel”. Vader reisde vaak naar Velsen om de vis voor de winkel te kopen. Het gezin werkte hard, maar op vrijdagavond werd de sjabbat vaak gevierd met de buren, de familie Goudsmit.

Maurits had al op een jonge leeftijd zijn eerste ervaring met antisemitisme. Op zijn school, in de tweede klas, was iemand een dubbeltje kwijt. Onmiddellijk werd Maurits gevraagd door de leraar of hij het gestolen had. Maurits begreep niets van het voorval en vertelde het thuis, waar de hulp in de winkel het verhaal hoorde. Deze hulp, Frans Goosens, ging de volgende dag mee naar school, confronteerde de leraar met het verhaal en vertelde hem dat als Maurits een dubbeltje nodig had, hij dat alleen maar thuis hoefde te vragen.

De religie speelde een rol in het gezin. Maurits ging 5 keer in de week naar de synagoge en werd daar Hebreeuws geleerd en een aantal Joodse gebeden. De rabbijn wordt herinnerd als een strikte man die het niet goed vond dat Maurits op zaterdag fietste.

De viswinkel floreerde en de ouders konden een tweede zaak openen in Den Bosch. Van beide winkels waren de meeste klanten niet-Joods maar katholiek. Dat zorgde ervoor dat de vrijdag de drukste dag van de week was, want dan werd er vis gegeten in de katholieke gezinnen. De winkels waren daarom op vrijdag en zaterdag geopend, en op de zondag gesloten.

Een groot deel van de familie woonde in Amsterdam, vooral rond de Blassiusstraat. In de meeste zomervakanties logeerde Maurits in Amsterdam bij een van de familieleden.

goudekettingkaatjedenhaag1932Den Haag
De winkel in Eindhoven werd in 1929 overgedragen aan de broer van vader Alexander en zijn schoonzus. Het gezin vertrok naar Den Haag en daar werd een nieuwe viswinkel geopend.
Maurits kon in Den Haag naar de Talmoed Torahschool. De vooropleiding in Eindhoven in het Hebreeuws bleek niet voldoende in verhouding tot de kennis van de leerlingen in Den Haag.
Maurits kwam graag op het strand van Scheveningen, 15 minuten met de fiets vanaf huis. Daar ging hij in de zomermaanden zo vaak mogelijk heen.
Op 13-jarige leeftijd had Maurits zijn Bar Mitswah en in datzelfde jaar verliet hij de Talmoed Torahschool. Maurits ging naar de technische school, een keus die werd ingegeven door de economische recessie.
Rond deze tijd trouwde zijn broer met Esther en vertrok naar Brussel om dichter bij haar familie te zijn. Zijn zus Rebecca verloofde zich in die periode met Herman (Hartog Kloot, Amsterdam, 10 aug 1911 – Auschwitz, 30 sep 1942).

Door de grote recessie gingen er veel zaken bankroet. Een groot casino in Scheveningen was klant van vader, en toen dit casino failliet ging kon vader een grote schuld van het casino niet meer innen. Rond die tijd droeg vader de zaak over aan Herman en Rebecca.

Amsterdam
In 1933 gingen vader, moeder en Maurits terug naar Amsterdam. Vader ging op de markt werken, Maurits als 15-jarige jongen als hulp in een schoenenwinkel. Na deze schoenenwinkel ging Maurits werken bij Neco, een visconservenbedrijf van zijn oom Kobus. De fabriek stond in IJmuiden en daar werkte bij van maandag tot en met vrijdag van 8 tot 5. Om dat vanuit het huis op de Kinderdijkstraat te halen moest hij elke dag om 6 uur opstaan. Maar ook dit bedrijf kreeg last van de recessie en na een paar maanden moest oom Kobus de zaak sluiten. Door de hulp van vader kreeg Maurits werk bij een oom, Joel Goudeketting, die een fietsenzaak had. Maar ook deze baan stopte vanwege de recessie.

Brussel
Eind 1936 hoorde Maurits dat zijn oom in Brussel hulp nodig had. De viszaak van zijn oom ging zeer goed. Vader en moeder waren al naar Brussel vertrokken, en ook Maurits ging daarheen. In Brussel reewd hij met de bestelwagen van zijn oom en verdiende daarmee 50 BFr per week.
Van 1938 tot 1940 verliep alles in Brussel rustig. De kranten berichtten wel dat de oorlogsdreiging steeds erger werd. In maart 1938 was de Anschluß van Oostenrijk, een jaar later de bezetting van een deel van Tsjechoslowakije. Op 1 september 1939 volgde de invasie van Polen en hoewel Frankrijk en Groot-Brittannie 2 dagen later de oorlog verklaarden aan Duitsland hoopten menj dat een allesomvattende oorlog uit zou blijven.

Langzamerhand werd het april 1940 en een paar dagen later zou de oorlog beginnen.

10 mei 1940
Maurits: “Ik werd ‘s-ochtends rond 1 uur wakker van veel herrie. Het duurde niet lang voor ik doorhad dat er bommen vielen. De oorlog met Duitsland was begonnen. Ik kon die nacht niet meer slapen en ik maakte mijn oom wakker die beneden lag te slapen. Ik vertelde hem wat er gaande was en vroeg hem wat te doen. Hij zei dat we morgen gewoon weer aan het werk zouden gaan. En geloof het of niet, bommen of geen bommen, we gingen de volgende dag gewoon naar de markt. Mijn vader en broer konden mijn oom uiteindelijk ervan overtuigen dat, met het Duitse leger op 2 marsdagen afstand, het beter was om onmiddellijk te vertrekken en om naar Parijs te gaan. We dachten toen dat we daar veilig zouden zijn.

Op de vlucht
We vertrokken naar Parijs en de wegen waren overvol met vluchtelingen. We kwamen er ‘s-avonds aan en we besloten om verder naar het zuiden te gaan. Makkelijk was dat niet, want benzine bleek steeds moeilijker verkrijgbaar. Voor een korte periode verbleven we in het dorp Villeneuve-d’Aveyron. Door het lezen van de kranten kwamen we achter de Duitse opmars. Nederland, België, Luxemburg en een steeds groter stuk van Frankrijk waren al bezet. Wij zaten zo’n 140 km ten zuiden van het bezette stuk van Frankrijk.

In de herfst van 1940 deed de ‘vrije’ Franse regering een oproep aan de vluchtelingen om terug te gaan naar de plaats van herkomst en ze meldden dat er geen repercussies zouden zijn. Mijn ouders en broer waren hier faliekant op tegen, aangezien ze de Franse regering niet erg vertrouwden en de Duitse regering al helemaal niet. Maar niet iedereen van onze groep deelde deze mening. Aan het einde zat ik in de auto die terug ging naar België. Toen we bij de grens tussen bezet en vrij Frankrijk kwamen werden onze papieren gecontroleerd door een Duitse officier. Hij bekeek de papieren van Bep en vroeg haar of haar naam Rebecca was. Toen ze dat beaamde keek hij haar aan en zei: “Du bist eine Jude” en zei ons om te keren en terug te gaan.
Of hij ons daarmee een dienst wilde bewijzen weet ik niet, maar die officier redde op dat moment mijn leven.
De Franse regering bleef echter druk uitoefenen op de vluchtelingen en stelde dat als zij niet zouden vertrekken de mannen te werk gesteld zouden worden in werkkampen. Een deel van de familie trok verder naar het zuiden, ons gezin bleef omdat de gezondheid van mijn vader slecht werd.

In februari 1942 moesten mijn vader, Felix en ik ons melden bij een werkkamp bij Agde. Er was daar niet veel te doen, wat werk in de landbouw. We schreven aan de burgemeester van Villeneuve of daar geen werk voor ons was en tot onze grote verbazing kwam hij naar het kamp toe, sprak met de commandant en vertelde hem dat hij ons goed kon gebruiken. We konden terug naar Villeneuve in juni 1942. Rond deze tijd werd de situatie voor vluchtelingen niet beter in Frankrijk. Maarschalk Petain, de premier van Frankrijk, volgde het verzoek van de Duitse regering op om een fermere houding tegen de vluchtelingen aan te nemen. Een van zijn maatregelen wat het instellen van een jeugdbeweging gemodelleerd naar de Hitler Jugend in Duitsland. Er kwam een merkbare verandering in de houding van veel Fransen ten opzichte van de Joden. Zo meldde de zoon van de burgemeester ons dat we Joden waren en van een inferieur ras.
Geruchten bereikten ons dat de Joodse vluchtelingen opgepakt werden en in treinen naar concentratiekampen werden gestuurd.
In oktober 1942 kwam de burgemeester langs en hij zei ons dat we weg moeten gaan. Via een paar omzwervingen kregen we te horen dat we moesten proberen om in Spanje terecht te komen en we kregen de aanbeveling om dat via Perpignan te doen. Het was echter nu wel duidelijk dat de gezondheid van mijn vader het hem onmogelijk zou maken om de grens over te steken. Op 16 december 1942 ging ik weg, mijn vader en broer (waarvan het de bedoeling was dat hij mij een dag later zou volgen) achterlatend. Het was de laatste keer dat ik ze zou zien.

goudekettingmauritsroutePerpignan
In Perpignan ging ik naar de Nederlandse ambassade, de enige ambassade die nog in functie was. Mijn paspoort was verlopen en ik had een nieuw paspoort nodig. Dat lukte en we staken ’s nachts de grens over. Wanneer we binnen 2 km van de grens door de Spaanse politie gepakt zouden worden zouden we teruggebracht worden. Dus ik bleef lopen. Na enkele uren kwamen we in een klein plaatsje met een station. Vandaar ging er een trein naar Barcelona, waar ik naar de ambassade wilde. De trein ging na een half uur en uiteindelijk kwam ik met die trein in Barcelona aan.

Barcelona
In Barcelona verbaasde het me enorm dat hier geen oorlog was en de oorlog ver weg leek. Alles ging zoals het gewoonlijk gaat. Ik werd er geholpen, kreeg de benodigde papieren en kon vertrekken naar Madrid.

Madrid dec 1942 – mei 1943
In Madrid verbleef ik in een geweldig hotel waar ik nog 20 andere Nederlandse mannen tegenkwam die, net zoals ik, allemaal de grens waren overgekomen. Zij wilden allemaal naar Engeland. Een dag of drie later kwam ik in het hotel bekenden tegen. Mijn oom, zijn zoon Leo en zijn schoonzoon Joop. Zij waren ook de grens overgestoken nabij Andorra. Zij werden in Spanje gearresteerd en door de inspanningen van de Nederlandse ambassade vrijgelaten. Ondertussen was de ambassade druk bezig om ons Spanje uit te krijgen. Ze lieten ons weten dat men verwachtte dat wij de Nederlandse strijdkrachten in de nabije toekomst zouden gaan versterken. In mei 1943 kregen we het bericht dat we naar Lissabon moesten gaan. Vanuit Lissabon ging er elke avond een vlucht naar Engeland en een vlucht naar Duitsland. Engeland en Duitsland waren overeen gekomen deze diplomatieke vluchten met rust te laten. Wanneer de Britse vlucht een lege stoel had, kon een van onze groep mee. Op een gegeven moment kon ik mee. Het verdrag tussen de Britten en de Duitsers werd niet altijd geëerd. Een van de vluchten werd neergeschoten. De acteur Leslie Howard was aan boord, de Duitsers dachten wat Winston Churchill in het vliegtuig zat.

Bristol, 26 juni 1943
Ik kwam aan op de luchthaven van Bristol en werd op de trein naar Londen gezet. Daar kwam ik terecht in een afgezet gebied waar iedereen gecontroleerd werd. Daaruit kon ik op een gegeven moment ontsnappen, kwam terecht in een metrostation en vond op de kaart een station dat Barton Court heette. Dat was bijzonder want mijn oom Kobus, die in Londen woonde, woonde daar. Ik nam de metro, kwam in de straat die Barton Court heette en liep naar nummer 23, het appartement van mijn oom. Ik vergeet nooit meer de uitdrukking op zijn gezicht toen ik voor zijn deur stond. Hoewel we eerst leuk aan elkaar vertelden hoe alles was verlopen werd mijn oom bezorgd toen ik vertelde ontsnapt te zijn. Hij maakte me duidelijk dat ik daarvoor doodgeschoten kon worden. Hij bracht me meteen terug. Na een paar dagen waren alle onderzoeken naar mij klaar en mocht ik gaan en staan waar ik wilde.
Er werd me gevraagd of ik bij de marine, de landmacht of de luchtmacht wilde meevechten. Ik koos de luchtmacht. Daarvoor moest ik in training en dat zou in Canada plaatsvinden. Het zou 1,5 tot 2 jaar duren door deze training afgerond zou zijn. Ik vroeg dus of er ook werk bij de luchtmacht was met minder trainingstijd en een boordschutter zou maar 6 weken nodig hebben.

goudekettingmauritsNa mijn training werd ik gestationeerd in Morpeth (ten noorden van Portsmouth) en ik werd gekozen als boordschutter in een B25. Op 4 september 1943 had ik mijn eerste vlucht. Maar de eerste vlucht dat we bombardeerden was op 5 jan 1944.

D-day
6 juni 1944 was D-day. Hoewel op die dag de landing was op de stranden van Normandië werd al ver daarvoor begonnen met het beschieten en bombarderen van Duitse doelen in Frankrijk. Vanaf half april 1944 werd het aantal vluchten geïntensiveerd. We bombarderen kanonnen-posities bij St Marie le Bois (24 april), Marschall Yards bij Parijs (25 april), Montreuil (26 april), Marshall Yards bij Cambray (28 mei) en Namur (29 mei), kanonnen aan de kust bij Calais (30 mei) en zo ging het door. Het maakte de weg vrij voor de grote operatie van 6 juni. Belangrijke Duitse posities waren beschadigd of vernietigd. Het was ook moeilijk, want bij bommen weet je nooit hoeveel onschuldige mensen erbij omkomen (NOS Journaal 6 sep 2014).

België
Op 18 oktober 1944 ging ons squadron naar Melsbroek in België. België was in september al bevrijd. Ik had toen al 58 missies gevlogen.
In die maand kwam Koningin Wilhelmina bij ons op visite. Zij spelde ons allemaal het Vliegerskruis op. Ze vroeg me wat ik deed in een vliegtuig. Ik antwoordde dat ik schutter was, en ze ging verder. Mijn 15 seconden van beroemd zijn!
Op 15 december 1944 diende ik het verzoek in of ik mijn familie mocht gaan zoeken. Die toestemming kreeg ik en de dag erna ging ik per trein naar Frankrijk. Op 17 december 1944 kwam ik aan op het station van Chateauneuf les Bains, 390 km ten zuiden van Parijs. Ik kwam in contact met een lid van het Franse Verzet en vertelde hem dat ik een vrouw van 50 zocht, haar dochter van ca. 30 en een kind van ca 3 jaar. Hij bleek deze mensen te kennen en na een half uur waren we bij een klein huis. Ik vroeg de verzetsstrijder te vragen of de vrouw van 30, mijn schoonzus, naar buiten te komen want ik was bang wat de shock zou doen bij mijn moeder. Toen ik bij het huis kwam zag ik Esther in de deuropening. Even later zag ik mijn moeder. Ik zal nooit vergeten wat ze zei: “Ik heb er één terug”. Mijn moeder, schoonzus en nichtje waren drie jaar in de onderduik geweest met behulp van het Franse verzet.
Mijn vader en broer waren gedeporteerd naar de kampen. Het Rode Kruis kon later laten weten wat er met mijn broer was gebeurd, maar de omstandigheden rond mijn vaders dood bleven altijd onduidelijk.
Van mijn directe familie waren veel mensen vermoord, van de verdere familie waren het er tientallen.

Na de oorlog
Na de oorlog trouwde Maurice met Bianca Wiener, een Joodse vrouw in het verzet in Nederland. Ze emigreerden naar Canada en bouwden daar een nieuw leven op.

bron:
Goudeketting, Maurice, Memoirs of my life before, during and after World War Two, 2012
joodsmonument.nl