rebbe jokev

rebbejokew3Een bekend figuur uit het Joods Amsterdam van tweede helft negentiende eeuw was Rabbi Jacob Mozes Content (1818 – 1898 ), meer bekend onder de naam Rebbe Jokef. Hij was de grootvader van mijn grootmoeder van vaderskant. De Rebbe was gezien en geliefd bij jong en oud.
Overgeleverd in een oude doos uit de boedel van mijn oom zaliger trof ik een paar knipsels over hem aan en een oude brief, met behulp waarvan ik een beeld van de oude rebbe en een klein beetje joodse negentiende-eeuwse sfeer probeer te schetsen.

Middels zijn geschiedenis worden we zo’n ruim anderhalve eeuw teruggeplaatst naar dit plekje van Amsterdam, de Joodse buurt, waar de Uilenburgerstraat, de Batavierenstraat, de Valkenburgerstraat smalle sloppen waren, tot begin twintigste eeuw extreem dicht bevolkt door voornamelijk Asjkenazische Joden, die in de 18e eeuw de pogroms in het oosten waren ontvlucht; er woonden soms 10 mensen op een kamer en besmettelijke ziekten kwamen veelvuldig voor. Pas begin 20ste eeuw, nadat in 1902 de Woningwet is aangenomen, begint de sanering van deze wijk.
Terug naar Jacob.

Student
De jonge Jacob was een nijver student, die dag en nacht studeerde.
Te arm om een lamp te laten branden studeerde de jonge man bij een vetkaars en viel een keer vroeg in de ochtend in slaap, waarop zijn haar vlam vatte; vroege marktgangers zagen een vreemd licht flakkeren achter het gordijn, tikten op de ruit en redden zodoende de wakker schietende jongen van een rampzalig ongeluk.
Hij liep het Nederlandsch-Israëlietisch seminarium af en werd in 1838 ‘Ba’al Darjan’, een week later ‘Magid Misjna’ en twee jaar later in 1840 ‘Magid Talmud’. Maar ook in de seculiere wereld bekwaamde hij zich als onderwijzer en in datzelfde jaar 1840 slaagde hij voor ‘maatschappelijk onderwijzer van den derden rang’.

Het jaar 1841 was een succesjaar voor de ambitieuze jonge student.
Hem werd de Bronzen Erepenning toegekend wegens een voortreffelijk afgelegd examen als Rabbinaal-Aspirant in de Humaniora. Die toekenning geschiedde door de “Hoofdcommissie tot de zaken der Israëlieten”. Dat was een bijzonder invloedrijke commissie van joodse notabelen, die in 1817 door de overheid was ingesteld en die tot taak had de toen machtige minister van erediensten te adviseren inzake allerlei aspecten van kerkorganisatie, onderwijs e.d. in het joodse wereldje, dit alles met de onderliggende bedoeling om van de sinds kort gelijkberechtigde Joodse bevolkingsgroep loyale staatsburgers te maken en hun Nederlandse identiteit te bevorderen. Komt ons dat bekend voor. *)

Een van de aandachtspunten van de Hoofdcommissie was bevordering van het gebruik van het Nederlands.
Die landstaal was toen voor Joden nog helemaal niet vanzelfsprekend: een dikke tien jaar daarvoor, in 1829, had koning Willem I bij Koninklijk Besluit erepenningen uitgeloofd voor diegenen die preken of leermiddelen voor Israëlieten in het Nederlands zouden vervaardigen. Er werd een jaarlijkse prijsvraag uitgeschreven voor de beste Nederlandstalige preek. De strijd tegen het Jiddisj – rond de eeuwwende al begonnen – en de introductie van het Nederlands ten koste van die oude volksspraak was in die eerste helft van de negentiende eeuw nog geen eenvoudige zaak en er was sprake van een ware taalstrijd.

Ook allerlei synagogale gebruiken werden kritisch bekeken in een streven de chaotische Joodse eredienst in meer voor de burgers acceptabele en beschaafdere banen te leiden. Zo werden gaandeweg de negentiende eeuw allerlei zaken uit met name de protestante kerk overgenomen, de preek bijvoorbeeld, allerlei termen als ‘kerkenraad’ – die momenteel in de joodse gemeenten weer in onbruik zijn geraakt- en als we het enig overgebleven konterfeitsel van Rebbe Jokev bezien, dan zou je zweren dat hij de outfit van een dominee aanhad met zijn baret en zijn witte bef.

Die bronzen erepenning is waarschijnlijk nog te vinden in de collectie van het Joods Historisch Museum. Een paar maanden vóór die erepenning in dat jaar 1841 mocht de jonge Jacob Content een proeve van zijn bekwaamheid in het Nederlands aan den volke tonen. In een plechtige openbare vergadering van het Nederlandsch Israëlitisch Seminarium in aanwezigheid van voorname gasten, notabelen van diverse gezindten, hielden hij en twee andere ‘kwekelingen’ een voordracht in de landstaal, het Nederlands dus.

De Regent van het seminarie, de heer S.P. Lipman, opende de bijeenkomst met een ronkende inleiding, die hij besloot met de tot de notabelen gerichte woorden:
“Gij mensenvrienden, voor wie elke vordering welgevallig, iedere aanwinst dierbaar, elke zegepraal verblijdend is, zult de pogingen dezer jongelingen, hoe gebrekkig en onvolkomen, toejuichen, om het gewicht der zake, hetwelk onafhankelijk is van hun zwakheid, en om den invloed, welke de prediking eenmaal zal voortbrengen onder uw medeburgers van de Israëlitische geloofsbelijdenis”.

Toen hielden de kwekelingen Hirsch, Hillesum en ook Jacob Content hun voordracht en die van de aanstaande Rabbijn Content ging over “De verplichting die op den mensch en in het bijzonder op den Israëliet rust, aan zijn kinderen een godsdienstige en doelmatige opvoeding te geven”. Het handschrift van deze voordracht is waarschijnlijk aanwezig in de Bibliotheca Rosenthaliana.

Rebbe en dajan.
In 1843 behaalde Jacob zijn getuigschrift van bevoegd religieus onderwijzer, zijn moré-diploma. Daarop studeerde hij een aantal jaren in het buitenland, aan de leerscholen te Würzburg en Emden, onder andere onder de beroemde leraar Samson Raphaël Hirsch.

Terug in Amsterdam werd hij leraar aan het ‘Beth Hamedrash’, docent aan het Ned. Isr. Seminarium en bekleedde hij nog vele andere functies in dat negentiende-eeuwse Joodse Amsterdam; onder andere werd hij Dajan (rabbijn met beslissingsbevoegdheid in belangrijke zaken).
Ook werd hij door “het kerkbestuur van den Grooten Kerkeraad der Gemeente” aangesteld tot “Predikant der Gemeente”, weliswaar zonder bezoldiging, en vele preken heeft hij gehouden in de diverse synagogen, genoemd worden de “Stroomarkt- , Uilenburger- en Rapenburgerstraatkerk” . Opvallend zijn de kerkelijke aanduidingen, in navolging van de Protestante terminologie.

De Rebbe woonde met zijn vrouw, de rebbetsin Gelle Weinthal, in de Rapenburgerstraat, eens een straat waar de beter gesitueerden van het Amsterdamse Jodendom woonde. Zijn huis lag vlak naast een smalle gang, die toegang gaf tot een soort hofje (vermoedelijk het ‘Rustenburgerhofje’). De meeste mensen die in dit rustiger deel van de drukke Amsterdamse Jodenbuurt woonden, waren bezadigde lieden, een beetje op leeftijd.

De meeste Joden, die in het gangetje en hofje woonden, waren zeer godvruchtige mensen. Kwam men op Vrijdagmiddag het smalle straatgangetje in en op het hofje, dan kon men van blank geschuurde straatstenen eten. Geel en donkerrood waren de straatstenen. waar de Joodse huisvrouwen de hele vrijdag op geboend hadden.

Dat huis was een veel bezochte plek.
Elke vrijdagmiddag hield hij een soort spreekuur voor de gehele buurt. Iedereen kon bij hem om advies aankloppen. In een hoge ouderwetse leunstoel, met zwaar trijp bekleed, zat Rebbe Jokef Content dan met zijn gebogen rug aan de tafel tegenover de bezoeker of bezoekster, die met een probleem bij hen kwam. Op de tafel stond een grote zilveren snuifdoos, gevuld met snuif en zijn neusgaten waren zwart van het tabak snuiven dat hij jaren lang met grote hartstocht had gedaan.
Naast de zilveren snuifdoos lag zijn chommesj* (boekwerk met de Tora). Kwam men met een treurig gezicht binnen dan bracht rebbe Jokef snel een lach op het gezicht van zijn bezoeker. Want rebbe Jokef Content kende vele geestige verhalen uit de Joodse literatuur van het verleden, maar ook uit het Joodse leven van zijn tijd en zijn buurt.
Was de bezoeker een beetje opgevrolijkt, dan kwam Rebbe Jokef met zijn advies, meestal gekruid met verhalen en citaten uit Thora of Talmoed.
Rebbe Jokef was een groot Talmoedist. Daar was hij zelf ook van overtuigd.
Een van zijn vele zoons was een bekend biljarter, die zich aan religieuze zaken weinig gelegen liet liggen. Maar de rebbe was een verdraagzaam man. Als over zijn niet-godsdienstige zoon de biljartspeler gesproken werd zei hij: “Wat ik ben in de Talmoed, is mijn zoon in het biljarten”.

buurtkaartuilenburg2Naar sjoel
Op Sjabbatmorgen ging de rebbe naar sjoel, naar de Lange Houtstraat (op de plek van het Waterlooplein, lang geleden afgebroken) of de Uilenburgersjoel in de toen nog smalle Uilenburgerstraat in die overbevolkte Joodse buurt op de eilanden Uilenburg, Rapenburg en Valkenburg.
Stapje voor stapje liep hij deftig en langzaam op straat, zomer en winter in een zwart lakens pak met een hoge zijden hoed op, de zilveren snuifdoos in zijn hand. Hij werd altijd vergezeld door een paar buurtgenoten. Als het gesprek heftig werd, bleef de rebbe op straat stilstaan. Met brede gebaren maakte hij zijn metgezellen zijn bedoelingen duidelijk. Dan liep het gezelschap weer verder.

Soms kwam een buurtgenoot naar hem toe, die hem op straat om een antwoord op een moeilijke vraag vroeg. “Rebbe, waas du?”, dan antwoordde hij, “Wen ich es nit soll wissen, bin ich kein rebbe”. De Rebbe was een vraagbaak voor velen.
Hij was een geliefde darsjan, prediker, een voortrekker in predicaties in het Nederlands, waar ook de joodse man van de straat graag naar luisterde: ‘het was een feest als Rebbe Jokef in de Uilenburgersjoel een droosje kwam houden’ , herinnert zich een ongetwijfeld zeer bejaarde briefschrijfer uit 1957.

NIW knipsel joodse vaderlandsliefdeEn aan een andere scribent in een nummer van het NIW uit 1949 danken wij deze anekdote. Het was Jom Kippoer (Joum Kipper in het Jiddisj) in de Uilenburgersjoel en het was overvol en snikheet. Er ontstaat gekrakeel onder de biddenden, moeten de ramen open of niet. Er is een partij van frisseluchtliefhebbers tegenover tochtvrezenden. Het wordt aan de rebbe voorgelegd, Rebbe Jokew. De frisseluchtliefhebbers zeggen: Mach of (maak open), de tochtvrezenden zeggen: Sieh su (trek dicht). Rebbe Jokew vertaalt het Jiddisj geestig op fonetische wijze naar het hebreeuws: ‘Sisoe’ – juicht – is altijd beter dan ‘Machof’ – lijden – , dus de ramen blijven dicht.

Als redenaar werd de welbespraakte Rebbe Jokew veel gevraagd. Bovenstaand knipsel uit het oudste weekblad van Nederland getuigt daarvan en van het betoon van vaderlandsliefde, waarvan de ‘Israëlitische bevolking’ van Mokum graag blijk gaf.

Hoe geliefd hij was, bleek wel bij zijn begrafenis. Als een vorst in Israël werd hij begraven. Zijn buurtgenoten weenden achter de begrafenisstoet. Iedere Jood voelde, dat met Rebbe Jokef Content een goede Jood, een wijs man uit Israël, was heengegaan.

herzien 071209 RC

*) over de Hoofdcommissie: lees Bart Wallet, Nieuwe Nederlanders, de integratie van joden in Nederland 1814-1851

Rob Cassuto

bron: http://www.robcassuto.com. Met vriendelijke toestemming van Rob Cassuto.