scholen – laanweg

laanweg1941godsdientoverhetijOp de Laanweg in Amsterdam Noord was een school die door de bezetter was aangewezen als Joodse school. Al voor de oorlog, in 1931, was hier een Joodse godsdienstschool gevestigd.
De Laanweg liep niet precies op de plek van de huidige Laanweg, maar liep parallel aan de Buiksloterweg.
De  Joodse school ten tijde van de bezetting wordt in verschillende bronnen genoemd. Jacques van der Kar ging er heen, de school was ook een avondschool. Ook de kinderen van Levie de Lange gingen naar deze school.
Verder wordt deze school ook herinnert door een lezer van de site uit Jeruzalem:

“Op een van de hoeken (van de Swammerdamstraat) woonde juffrouw Kroeze met haar zuster. Juffrouw Kroeze was onderwijzeres van de Joodse school aan de Laanweg, het z.g. kippenhok, waar wij, de Joodse kinderen van de Overkant van het IJ onze Joodse lessen ontvingen. Het hoofd was juffrouw Urbach en een lerares was Suze Koster. De laatste ook van een heel arm gezin die er in slaagde iets te worden.
Ik herinner mij dat ik als 7 jarige het beslist niet nodig vond naar Joodse school te gaan waar juffrouw Urbach eens over praten kwam met mijn ouders. Nu wonende in Jeruzalem denk ik vaak hoe goed dat was want het Hebreeuws was door die paar jaar onderricht niet zo ver weg. Ik herinner mij juffrouw Kroeze die klein was met een ronde rug en ogen die ik eens beschreef als gesmolten bruine suiker in de havermout van mijn moeder. Ik zat op de voorste bank en zij zat ook op die bank met haar voeten naast waar ik zat. Eens bezocht ik haar thuis met mijn moeder en herinner mij een loper om haar bed. Dat was zeer vooruitstrevend. Een mens herinnert zich vaak volkomen onbelangrijke details die nu, na alles wat gebeurde, een nieuwe dimensie krijgen
.”

Ook Sal Santen schrijft over deze school in zijn boek “Jullie is Jodenvolk”. Een citaat:

JOODSE SCHOOL
Er is een meneer bij ons, van de Joodse gemeente. Hij heeft er met vader over gesproken dat wij godsdienstonderwijs moeten hebben, er is een joodse school op de Laanweg.
‘Dat is veel te ver voor de kinderen,’ zegt vader.
‘Toch ook aan het overkant van ’t IJ?’
‘Een uur lopen van hier.’
‘Gaat er geen bus?’
‘Dat kan ik niet missen.’
Op zondag, woensdagmiddag en donderdag om 5 uur is het jodenschooltje, dat is — heen en terug — zes keer bussen, zestig cent per kind. Saartje niet meegerekend—zij is op de m.u.l.o. en heeft geen tijd — komt het op ééntwintig per week. Geen denken aan.
Een brief van het jodenschooltje, het bestuur zal voor ons de buskosten betalen. Niemand had daar aan gedacht. Nu móéten we wel. Mijn vriendjes mogen het niet weten, maar het is niet gemakkelijk zo iets te verbergen, drie keer per week.
Ik ben negen, Maupie is zeven, we komen in de eerste klas want we weten er niets van. De meeste kinderen zijn van het Asterdorp, ze hebben schoolkleding aan, hier hoeven we ons niet te schamen voor onze kleren. Als we goed opschieten mogen we naar de tweede klas. Na een maand al kennen we de Hebreeuwse letters, meester Kost beschouwt ons als een wonder. ‘In één maand hebben ze geleerd waar de anderen een jaar over doen,’ zegt hij tegen juffrouw Oerbeek (Urbach). Een kunst, bij die kleine kinderen. Bidden leren we er ook, in het Hebreeuws: Baruch — Geloofd; Ato – Zijt Gij; Adanoi – Heer; de hele klas dreunt het op en gaat verder: Ellouheinoe.
We zitten nu bij juffrouw Kroes (Kroeze), ze heeft een bocheltje. Bij juffrouw Oerbeek moeten we steeds het geld voor de bus halen. Ze vraagt niet eens meer naar de kaartjes. Hier zijn twee dubbeltjes voor Salie, hier twee voor Maurits. Het is hartstikke veel geld. Dat kunnen we zelf verdienen, als we gaan lopen.

Tenminste op de heenweg, op de terugweg komen we anders te laat thuis voor het eten.
Drie keer per week, dat is drie dubbeltjes de man. Vader krijgt de helft, natuurlijk, maar vijftien cent is ook een boel geld. Vooral als je geen zakgeld krijgt, want daar is vader tegen.
We moeten wel hollen, als we uit school komen, om op tijd op de Laanweg te zijn. Soms komen we te laat, dan zeggen we dat we de bus hebben gemist. Ze geloven ons altijd. Op zondag gaan we van het jodenschooltje door, naar opoe en opa in de Foeliedwarsstraat. Over de Jodenhoek. Ik kan daar goed pingelen, beter dan Maurits. Je moet nooit betalen wat ze vragen. Eerst bied je de helft. Dat doen ze nooit en noemen een andere prijs. Je gaat er net tussen in, meestal lukt het wel. Zeggen ze ‘nee’ dan moet je doorlopen, je moet je nooit laten kennen.

Laanweg afbeelding Stadsarchief

bron:
kaart Amsterdam 1941,
Santen, Sal, Jullie is Jodenvolk,
Jacques van der Kar,
Betty van Essen

Illustratie:
“GODSDIENSTSCHOLEN OVER HET IJ.”. “Nieuw Israelietisch weekblad“. Amsterdam, 02-10-1931. Geraadpleegd op Delpher op 14-05-2016, http://resolver.kb.nl/resolve?urn=ddd:010874720:mpeg21:a0075