vossius in de oorlog

Het Vossius is opgericht in 1926 (adres: Messchaertstraat 1). In 1927 kreeg de school de officiële naam Gymnasium Vossianum, maar voortaan zou de naam Vossius Gymnasium zijn.
Het Vossius zit nog steeds in het oorspronkelijke gebouw, gebouwd in een aan de Amsterdamse school verwante bouwstijl (op de eigen website van de school: ‘een verstrakte variant’).
De school heeft vele bekende en ook minder bekende leerlingen én leraren ‘voortgebracht’. Ik verwijs hiervoor naar een website over de school.
Eén van die leerlingen is David de Levita. Hij bezoekt de school vanaf het schooljaar 1938-1939. Les krijgt hij van onder andere de bekende Presser, Roodenburg en Dudok.

Gevolgen van de bezetting
In mei 1940 valt Duitsland Nederland binnen. Dat betekent voor de school dat er tijdelijk geen les wordt gegeven. In eerste instantie betreft het alleen de meidagen van 1940.
Daarna moet de school het eigen gebouw enige tijd ‘delen’ met het R.K. Gymnasium (het Ignatiuscollege). Het waarom hiervan is niet duidelijk. Kort daarna, het zal juni zijn geweest, moest het hele gebouw worden ‘afgestaan’ aan de Duitse politietroepen (de Grüne Polizei). De school, de leerlingen en hun leraren, werden tijdelijk ondergebracht in de 4 e Hogere Burgerschool (de ‘vierde-vijf’), met 5-jarige cursus. Deze school zat op de Jozef Israëlskade 45. Dit opgedrongen “huwelijk” van twee scholen heeft geduurd tot eind november 1940. In die periode werkten beide scholen met een wisselrooster. Daarna kon het Vossius weer terug naar het oude nest in de Messchaertstraat. Een groot gejuich zal er niet hebben geklonken. De school kreeg nu zelf inwoners. De 3e HBS met 5-jarige cursus (de ‘derde vijf’ zittende aan de Mauritskade) kwam inwonen. Het gebouw van de ‘derde-vijf’ was gevorderd voor de Duitse politietroepen. Er kwam opnieuw een wisselrooster. De ‘derde vijf’ verhuist in korte tijd drie keer. Via de Tweede Oosterparkstraat 227 naar de Keizersgracht 177 (‘eerste vijf’) en tenslotte naar Messchaertstraat 1 (Vossius gymnasium).
De gemeente Amsterdam, afdeling Onderwijs, schrijft in een brief van 7 juli 1941 dat deze situatie voor de voortgang van de scholen niet kan voortduren. Deze brief is gericht aan de directeuren en rectoren van de 3 e HBS, het Vossiusgymnasium, het Barlaeusgymnasium, het Amstellyceum, het hervormd Lyceum, de Chr. HBS A en B en het St. Ignatiuscollege (afd. HBS en Gymnasium).

Want, zo schrijft de gemeentesecretaris:
Het behoeft geen betoog, dat dit in hooge mate schadelijk voor het onderwijs is geweest. Het onderwijs kon niet steeds op het gewenschte peil worden gehandhaafd en aan de leerlingen kon niet die zorg worden besteed, welke zij behoeven.”

Deze brief is ondertekent door de gemeentesecretaris J.F. Franken en de Regeringscommissaris voor Amsterdam; E.J. Voûte (officieel was hij overigens vanaf maart 1941 al burgemeester van Amsterdam).

Uit de brief blijkt dat de ondertekenaars niet echt een oplossing hebben voor dit probleem. Er wordt daarom een beklemmend beroep gedaan op de aangeschreven scholen om in goed overleg te komen tot een aanvaardbare oplossing.
Verondersteld mag worden, dat het, indien alle scholen meehelpen, en zoo nodig iets van eigen belangen prijs geven, mogelijk zal zijn, een regeling te maken, waardoor de moeilijkheden een einde nemen. Ik denk aan het zoveel mogelijk profijt trekken van de middagen, waarop thans geen onderwijs wordt gegeven, het zoveel mogelijk benutten van vrije lokalen en van lokalen, die weinig gebruikt worden, het geven van onderwijs in de vakken, waarvoor practicum- of vaklokalen bepaald nodig zijn, in de practicum- en vaklokalen in een andere medewerkende school om zoveel mogelijk lokalen vrij te maken en dergelijke.

De brief eindigt met een oproep aan de directeuren en de rectoren om ‘in samenspraak met elkaar’ te komen tot een oplossing voor dit probleem. De ondertekenaars gaan er vanuit dat de directeuren en rectoren zelf het beste kunnen beoordelen wat de beste oplossing is. Het initiatief wordt ‘gegund’ aan de rector van het Vossius. (bron: SAA, inv.nr. 5466-43).
De schade voor het Vossius beperkte zich niet alleen tot de genoemde wisselroosters en het tijdelijk inwonen. Dit blijkt uit de inventarisatie die door het Centraal Bureau voor de Statistiek (afdeling Culturele Statistiek) wordt georganiseerd. De enquête krijgt de titel: Enquête “Invloed van de bijzondere omstandigheden in 1940 op het Voorbereidend en Hooger en Middelbaar Onderwijs”.
Deze enquête wordt door rector Bruijn op ingevuld. Een kopie van deze enquête is bestemd voor de Curatoren en gedagtekend op 19 februari 1941. Behalve de al genoemde inwoning en wisselroosters is er ook sprake van andere schade. De rector noteert:
beschadiging tegelvloeren en meubilair, verdwijning van een tafelkleed, kleerhaken, sleutels, edgl, van diverse leermiddelen en van zeer veel gereedschappen en andere benodigdheden van den amanuensis”.
(bron: SAA inv. nr. 260-167)

Ontslag van joodse leraren
In oktober 1940 doet zich een geheel ander probleem voor. De gemeente stelt de scholen op de hoogte van het feit dat de joodse leraren ontslagen worden. Om dit administratief allemaal goed te verwerken worden de ‘ariërverklaringen’ toegevoegd. Elke docent wordt geacht die naar eer en geweten in te vullen. Elke docent met een joodse achtergrond werd geacht formulier B (zie afbeelding) in te vullen. Niet-joodse leraren dienden formulier A in te vullen. Zes docenten van het Vossius verloren daardoor direct hun baan. Zij werden per februari 1941 officieel ontslagen.
Presser, één van de ontslagen leraren schrijft hierover in Ondergang:
Men zal het de schrijver wel niet euvel duiden dat hij een bijzonder licht laat vallen op de staking, die spontaan uitbrak onder de leerlingen van zijn eigen school, het Amsterdamse Vossiusgymnasium. Hiertoe hadden twee leerlingen van de vijfde klas het initiatief genomen, Lucas van der Land en Bart Joost Romein; als pikante bijzonderheid volge hierop, dat de eerstgenoemde zelfs de school de rug toekeerde, maar, met privaat-lessen van ontslagen Joodse leraren klaargemaakt voor het staatsexamen, zijn einddiploma een jaar eerder haalde dan zijn minder opstandige klasgenoten.”

Opvallend is, Presser noemt het ‘curiositeitshalve’, dat er een financiële regeling werd getroffen voor de ontslagen joodse leraren. De eerste maanden kreeg men 80% van het laatst betaalde salaris, daarna werd het verlaagd tot 75% (voor de volgende vijf jaar). Overigens werd er een verschil gemaakt tussen kostwinners en niet-kostwinners. Deze laatsten kregen 10% minder.

De leerlingen komen in opstand
In de vergadering van Curatoren der openbare Gymnasia van Amsterdam (op 2 december 1940, bron: SAA inv. nr. 260-151/152) is aandacht voor de actie van bovengenoemde leerlingen. Er wordt melding gemaakt van ‘een vergrijp tegen de schoolorde’ door leerlingen van het Vossius gymnasium:
Een aantal leerlingen is bij wijze van demonstratie de school niet binnengegaan. Deze leerlingen zijn door den Rector, na overleg met den President-Curator, voor 7 dagen van de school verwijderd. De demonstratie hield verband met het vertrek de Joodsche leerkrachten.”
Eén van de curatoren vraagt inlichtingen over het gebeurde, om de juistheid van de opgelegde straf te beoordelen. Deze curator is de heer Cohen.

De rector Bruijn deelt mede:
dat de ontstemming onder de leerlingen over het gedwongen vertrek der Joodsche docenten, waaronder ook de heer Presser, die zeer gezien is, bijzonder groot was. Hoewel spreker van te voren tegen demonstraties gewaarschuwd had, wilden ± 100 leerlingen de school niet binnengaan. Na een lange bespreking gelukte het om het grootste deel binnen te krijgen. Degene, die toch geweigerd hebben de school binnen te gaan, moesten streng gestraft worden. De gestraften bleken dit zelf ook wel te begrijpen, evenals de ouders.”

Tijdens deze bijeenkomst wordt afscheid genomen van dezelfde mijnheer Cohen. Rector Bruijn betreurt het dat de heer Cohen: ‘het college op deze wijze moet verlaten’. Hij hoop ook dat de persoonlijke band die hij met hem heeft niet zal worden verbroken, maar zelfs nog zal worden versterkt. Het antwoord van de heer Cohen is dat hij dankbaar is dat hij nog eenmaal bij de vergadering heeft mogen zijn en spreekt zijn dank uit voor de vriendelijke woorden. Hij vervolgt:
In den tegenwoordigen tijd moet men veel op zich nemen en de last valt menigmaal zwaar. Gaarne zou spreker het onderwijs verder hebben willen dienen, wanneer hem daarvoor de gelegenheid zou zijn geboden. Mocht men buiten het Curatorschap op zijn hulp een beroep willen doen, dan is hij steeds bereid die hulp te verleenen. Jegens Curatoren past dankbaarheid voor de aangename samenwerking en de prettige verstandhouding in het college.”

Dat de rust op school niet echt is teruggekeerd, valt af te leiden uit een brief van 17 januari 1941. Deze brief is van de Curatoren der Openbare Gymnasia van Amsterdam en gericht aan de ouders, voogden en verzorgers van de leerlingen.
In de brief stellen de curatoren dat de ernstige waarschuwing die eerder was uitgesproken (in een circulaire van 28 november 1940) tegen de leerlingen nog onvoldoende tot hen is doorgedrongen. De brief vervolgt:
De gedragingen van enkelen hunner, die zich blijkbaar nog niet het juist beeld hadden gevormd van den ernstigen plicht om al datgene te vermijden wat indruischt tegen de houding, welke tegenover de bezettende overheid en de van haar uitgaande maatregelen dient te worden aangenomen, kortom alles, wat henzelf of anderen of de geheele school in gevaar kan brengen, hebben ons genoopt opnieuw leerlingen te berispen en te straffen. Wij binden U daarom nog eens op het hart Uwer kinderen of pupillen er van te doordringen: …. .“

Daarna volgt een lijstje met zaken waaraan de leerlingen zich dienen te houden. Kort samengevat komt het erop neer; dat leerlingen zich niet mogen uitspreken, in welke vorm dan ook, tegen de bezettende overheid; dat ze zich niet met roddels en geruchten mogen bezig houden; dat het in bezit hebben en verspreiden van geschriften zich richten tegen de bezettende overheid en dat zij geen onderscheidingstekens van welke aard dan ook mogen dragen.
Onderaan de brief zit een strookje dat ingevuld en voorzien van handtekening moet worden teruggezonden aan de rector van het gymnasium.
Of deze oproep ook door elke ouder etc. is opgevolgd is niet helemaal duidelijk In ieder geval is er één ouder die heeft gereageerd. Die persoon is Jan Romein (de bekende historicus). Hij schrijft een brief aan de heren Curatoren waarin hij aangeeft dat hij al naar aanleiding van de eerdere brief van 28 november 1940 met zijn zoon heeft gesproken. Hij schrijft dat hij er zijn zoon op gewezen heeft dat hij:
1e zijn geweten zuiver moest houden, 2e moest doen wat dat zuivere geweten hem te doen ingeeft en 3e daarbij de uiterste zorg moest betrechten noch zijn rector noch zijn leraren noch zijn mede-scholieren in verlegenheid te brengen.”

Volgens hem heeft zijn zoon zich daar altijd aan gehouden. Hij is van mening dat hij zijn zoon niet nogmaals hoeft aan te spreken. Hij kan en zal de brief dan ook, ‘tot zijn spijt’, niet ondertekenen. (bron: SAA inv. nr. 260-153)

Gevolgen voor de leerprestaties
Bovenstaand verhaal over het ontslag van de joodse leraren, de reacties van de leerlingen daarop, de wisselroosters en het bij ‘elkaar inwonen’ van scholen moeten hun weerslag hebben gehad op de leerprestaties van de leerlingen. Er is in ieder geval één klacht ingediend. Het gaat om een vader van twee zoons die beiden op het Vossius zitten. Zijn oudste zoon zit in het examenjaar, zo blijkt uit de brief.
Aan hem werd in het schooljaar 1940-1941 geen diploma uitgereikt. Het staat er niet met zoveel woorden, maar waarschijnlijk behoorde hij tot de 8 gezakte kandidaten van in totaal 40 leerlingen die examen deden. Daarnaast zijn er 25 herexamens opgelegd.
Hoe komt dit, vraagt de vader zich af, in een brief van 8 juli 1941.
Tengevolge van de oorlogsomstandigheden heeft bovengenoemd gymnasium (i.c, het Vossius) sinds Mei 1940 halve schooldagen, d.w.z. òf ’s ochtends of ’s middags wordt lesgegeven. Het onderwijs heeft door deze regeling ernstig geleden.”

In vergelijking met andere scholen als het Barlaeus gymnasium en andere scholen van voorbereidend hoger onderwijs scoort het Vossius slecht, zelfs als de herexamens met succes bekroond zouden worden.
De vader kijkt ook naar de schoolcarrière van zijn zoon. Nooit is hij blijven zitten. Nimmer heeft hij een herexamen gehad, nooit een extra taak. Zijn zoon is een gewone ‘middelmatig goede leerling, oplettend, rustig en bescheiden’. Tot aan het eindexamenjaar verliep alles naar wens. Maar door de slechte schooltijdenregeling zijn het juist leerlingen van de zesde klassen, meer dan de overige leerlingen, gedupeerd:
Zij hebben de stof niet onder de knie gehad, de minder goed gedisponeerden werden slachtoffer”.

De heer Machielsen beëindigt zijn brief met: “Tenslotte veroorlooft ondergetekende zich deze vraag: Verdient het geen overweging de gezakte candidaten alsnog na verlengde, d.w.z. voltooide studietijd, een herexamen of te nemen? Dan zou daarmede de onbillijkheid van de onvoldoende schooltijdenregeling voor de examinandi 1941 vervallen.”

Op 31 juli 1941 krijgt de heer Machielsen antwoord van de wethouder Smit van Onderwijs. Deze erkent de problemen, er wordt ook hard gewerkt aan een oplossing. Maar zijn antwoord is verder negatief. Een verzoek om te komen tot een herexamen zit er niet in: ‘is niet voor verwezenlijking vatbaar’. Hij baseert zich daarbij op een brief van rector Bruijn. Deze geeft in een korte brief van 15 juli 1941 aan dat de cijfers van de heer Machielsen niet kloppen. Weliswaar erkent hij dat bepaalde klachten gerechtvaardigd zijn, maar in dit geval gaat het toch vooral om falen: ‘…als gevolg van examenpsychose die echter wel verhevigd zin door de nerveuze spanningen dezer dagen’. (bron: SAA, inv.nr. 5191-7410)

Deze kwestie is ook in het vergadering der Curatoren aan de orde geweest (die van 8 juli 1941). Daar ging het niet alleen om de zoon van de heer Machielsen, maar ook om de dochter van een zekere heer Stadler.

De dochter van de heer Stadler was geheel onverwacht gezakt, zij had een slecht eindexamen gedaan. De examencommissie had verwacht dat de gecommitteerden haar een gelegenheid zouden geven om twee herexamens te doen. Dit verzoek werd door de gecommitteerden afgewezen, de leerlinge werd afgewezen. De vader zocht in de afwijzing, volgens rector Bruijn, een vijandige houding tegen een Duitser. Geheel ten onrechte natuurlijk, de gecommitteerden waren louter en alleen uitgegaan van de cijfers. Ondanks ‘bevredigende inlichtingen’ heeft de vader zich gewend tot de inspectie. Vanwege het bijzondere verloop van het examen geven de gecommitteerden toe. De rector betreurt dat hierdoor een beeld is ontstaan van een zekere ongelijkheid. Maar, zo geeft hij aan, de zoon van de heer Machielsen had het met enkele herexamens niet gered. De beide gevallen kunnen dan ook niet ‘op één lijn worden gesteld’. (bron: SAA inv. nr. 260-152)

briefgemeenteGedwongen vertrek van joodse leerlingen
Met de huisvesting is het uiteindelijk goed gekomen. Maar niet omdat de scholen een oplossing voor het ruimtelijke probleem wist te vinden.
De oplossing kwam van ‘elders’, van de Duitse Overheid.
Wat er gebeurde is het volgende. Het recht op onderwijs aan niet-joodse scholen werd de joodse leerlingen ontzegd. Zij werden gedwongen naar een joodse school te gaan. Deze maatregel gold alle scholieren; voor jong en oud, van kleuterschool tot gymnasium.
Uit het jubileum boek van het Vossius (Het Vossius 1926-2001) blijkt dat er al in mei 1941 een brief is gestuurd. Deze brief, geschreven door wethouder Smit van Onderwijs, verzoekt de scholen aan te geven hoeveel joodse leerlingen er op school zitten. In de brief wordt verzocht aan dit schrijven geen ruchtbaarheid te geven.
Het is augustus 1941, woensdag de dertiende om precies te zijn als er een nieuwe brief volgt. De diverse hoofden scholen van openbare middelbaar en voorbeidend hoger onderwijs en de Gemeentelijke Kweekschool krijgen een brief van de wethouder van Onderwijs Smit:
Thans is door de Duitsche Overheid bepaald, dat de Joodsche leerlingen met ingang van 1 september a.s. de openbare onderwijsinrichtingen moeten verlaten. Ik verzoek u derhalve mij zoo spoedig mogelijk, zo noodig na onderling overleg, waar het gelijksoortige scholen betreft, mede te deelen welke wijzigingen dit brengt, in Uw opgaven betreffende het aantal klasseafdelingen en de verdeeling der lesuren aan Uw school.

Levita004webLevita005webHet briefje vervolgt met de dringende oproep, dat eventuele wijzigingen uiterlijk op de 16e augustus in het bezit dient te zijn van de wethouder. Dat is dus binnen twee dagen indien dit briefje op de 14e is bezorgd. Het ‘nieuwe plan’ zo schrijft de wethouder zal op de 21e worden besproken op het stadhuis, in kamer No. 36.
Op maandag de 18e augustus volgt een nieuwe brief (circulaire). Deze keer van de al eerder genoemde Franken en Burgemeester Voûte. Het gaat er om, wie er tot het Joodse volk gerekend dient te worden. Verder dat zij, die daar inderdaad toe behoren, niet langer toegelaten mogen worden tot openbare en niet-joodse bijzondere scholen.
Blijkbaar zijn er vragen gekomen over wie er tot het Joodse volk gerekend moet worden. In deze circulaire wordt verwezen naar artikel 4 (achterzijde van de brochure) van verordening no.189.1940 van de Rijkscommissaris (zie afbeelding: artikel 4).
Mogelijk dat ook dit weer vragen op heeft geroepen. Nog dezelfde maand, niet nader gepreciseerd, volgt een korte aanvulling (zie afbeelding ‘aanvulling’). Het gaat om punt 2 van het aangehaalde artikel 4.
Tegelijkertijd geven zij in de brief van 18 augustus aan dat zij de ouders van de ‘bedoelde leerlingen’ hebben medegedeeld dat hun kinderen zullen worden geplaatst in een door de Gemeente te vormen school ‘voor Joodsche kinderen’. (bron: SAA inv. nr. 5466-43)

Het onderwijs op het Vossius ging door. Het wisselrooster dat was ingesteld in verband met de samenwoning met een andere school kon worden afgeschaft. Het aantal leerlingen aan het Vossius daalde van 239 naar 149.
Meer is er niet bekend, in ieder geval geeft het al eerder aangehaalde jubileum boek van het Vossius geen verdere informatie. Het boek gaat wel verder met een beschrijving van het Vossius in de oorlog. Het gaat dan over problemen met de verwarming (schaarste), een dreigende opheffing van de school de razzia’s verband houdende met de Arbeitseinsatz (jongens die achttien jaar waren of ouder). Al deze problemen hadden hun weerslag op het schoolleven.
Er zijn gelukkig ook, mijns inziens, positieve zaken te vermelden over het Vossius in deze moeilijke tijden. In de school wordt namelijk een bergplaats gevonden voor zilveren kerkstukken en gebedsrollen uit de Portugese Synagoge (op verzoek van leraar De Miranda). Later in de oorlog wordt er ook bergplaats gecreëerd voor wapens van de Binnenlandse Strijdkrachten (de B.S., vanaf september 1944). Leden van de B.S. oefenden in de gymzaal van de jongens. Ook werd het Vossius distributiepunt voor voedsel, bestemd voor onderduikers.

bron:
Slicht, Frits, Het Vossius in de Oorlog (Amsterdam nov 2013)
met dank aan Frits Slicht