Borneokade

Luchtfoto van de Entrepothaven en omgeving gezien in noordwestelijke richting. Links onder het Afgesloten IJ. Midden de Borneokade. Rechts het Spoorwegbassin Collectie stadsarchief Amsterdam, afbeeldingsbestand A04139000545

Tussen 1874 en 1927 werd in het Oostelijk Havengebied het Borneo-eiland aangelegd met vanaf 1917 de Borneokade, aansluitend op de Rietlanden. De Rietlanden lagen in eerste instantie buitendijks aan de zuidoever van het IJ en werden aangeplempt in de laatste decennia van de 19e eeuw. Aan het begin van de 20e eeuw was het de aanlegplaats van de rederijen die lijndiensten onderhielden met onder andere Indonesië en Suriname. Na de Tweede Wereldoorlog gaven de reizigers de voorkeur aan het vliegtuig en in 1979 was de KNSM de laatste grote rederij die stopte. Tijdens de oorlog werd de Borneokade voor andere doeleinden gebruikt.

Borneokade / Rietlanden – rangeerterrein
Hier, en in de Rietlanden, was het rangeerterrein van de Nederlandse Spoorwegen (de Rietlanden) gevestigd. In de eerste maanden van 1943 vertrokken veel transporten naar Westerbork, vooral met zieken, vanaf dit rangeerterrein.

Sperrgebiet
Als Sperrgebiet was dit de ideale plek om Joden weg te voeren. Niemand mocht er zonder toestemming komen en de activiteiten van de nazi’s werden daardoor niet opgemerkt. Daarom is het exacte aantal mensen dat vanaf deze locatie werd gedeporteerd niet precies bekend, het waren er zeker vele duizenden. De spoorwegpolitie vermeldt één keer ‘Station Rietlanden’, dit was na het overlijden van de 82-jarige Rachel Breemer-Spijer (Amsterdam, – Amsterdam, ) . Ze overleed op de Panamakade en was naar de Rietlanden gebracht vanaf haar huis aan de Smaragdstraat 26-1. De kampen bleven haar bespaard, haar man Levie Breemer (Amsterdam, – Sobibor, ) ging enkele maanden later wel op transport.
In de week waarin Rachel overleed – 22 tot 29 januari 1943 – vertrokken volgens Han Wieleks De oorlog die Hitler won (1947) 1200 Joden vanaf de Rietlanden naar Westerbork. Zijn  boek is een van de weinige getuigenissen waarin nauwkeurige cijfers worden genoemd.
Op 22 januari ’s avonds is een transport van ca. 200 personen, hoofdzakelijk oude lieden, van de Borneokade te Amsterdam naar Westerbork vertrokken. Hieronder bevonden zich vier strafgevallen en 29 ernstig zieken. Op 25 januari zijn in de loop van de dag ca. 250 personen naar de Borneokade gebracht (hoofdzakelijk zieken en hun gezinsleden) en van daar naar Westerbork doorgezonden. Een aantal zieken is op 26 januari uit de Joodsche Schouwburg naar de Borneokade gebracht. In de loop van 27 januari werden in Amsterdam zieken en ouden van dagen naar de Borneokade gebracht. ’s Avonds werden ca. 250 personen naar Westerbork doorgezonden. Op 29 januari ’s morgens werd een aantal zieken uit de Joodsche Schouwburg naar de Borneokade overgebracht. Vrijdagmiddag is van de Borneokade een transport van ca. 500 personen naar Westerbork vertrokken.”
In Het spoorwegbedrijf in oorlogstijd (2001) van Kees Huurman worden nog drie deportaties vanaf de Rietlanden later dat jaar genoemd. Hij meldt dat vanaf maandag 7 juni 1943 dagelijks “naar behoefte” de facultatieve trein 10093S van de Rietlanden naar Westerbork reed. Die vertrok ’s avonds om vijf over acht en arriveerde in kamp Westerbork rond half een ’s nachts. Als aantallen noemt hij 1000 personen op 11 juni 1943, 600 op 5 juli en 400 op 16 juli. De treinen dienden vanaf 11.00 uur klaar te staan “voor belading”.  Door de getuigenissen over deze zeven data weten we dat in ieder geval 3200 joden vanaf de Rietlanden naar Westerbork vertrokken. Maar er waren meer transporten.
De slachtoffers die dat konden moesten, doorgaans ’s avonds, vanaf de Hollandsche Schouwburg naar het station lopen. Ze liepen door de Plantage Middenlaan, langs de Oranje-Nassaukazerne en over de Cruquiusweg naar de Rietlanden; zieken en bejaarden werden per vrachtauto aangevoerd. Op het rangeerterrein stonden in het begin personentreinen klaar, later werden het goederenwagons.
Wim Sels, als spoorwegman gestationeerd op de Rietlanden, constateerde in 1943 dat de eigendommen van de gedeporteerde Joden door de beruchte firma Puls naar loodsen op de Javakade werden gebracht. Hij vond op de rails weggegooide boeken en fotoalbums.
Dat was ook het moment dat we de activiteiten zagen die aan de Borneokade werden ontwikkeld. Elke week was er een dag waarop joodse mensen rond de trein liepen en er in plaats namen. Wij begonnen te begrijpen dat hier Amsterdammers een reis gingen beginnen.

Ontsnappingen

Maar sommigen ontkwamen. In het Amsterdamse wijkblad De Eilander vertelde Henk Smit (2010, toen 79 jaar oud) hoe zijn vader met paard en wagen broden moest afleveren aan de treinen en hoe hij Joden zag rondzwerven op het omheinde terrein: “Mijn vader heeft er heel wat weggehaald. Hij stapelde ze om en om onder de bok, er ging een dekzeil overheen en, nota bene onder begeleiding van een ‘goede’ Duitser, ene Rudolf, bracht hij ze weg van het terrein.”
Mensen ontkwamen van het ‘perron’ uit de nog stilstaande trein of ontsnapten meteen na vertrek. Dat kon in de flauwe bocht na het station, wanneer de trein nog niet op snelheid was. Als je het lef had was het niet onmogelijk om daar uit de trein te springen. 

Medewerkers van de Joodsche Raad waren af en toe bij ontsnappingen betrokken. Zij haalden Nederlandse politiemannen die voor dit doel waren opgeleid in Schalkhaar, de over het algemeen niet goed bekend staande Karabijnbrigade, over om de andere kant op te kijken. Het kon ook dat een lid van deze brigade een kopie Heel af en toe lukte het medewerkers van de Joodsche Raad iemand uit een trein te krijgen. Ze haalden een van de mannen van de karabijnbrigade – voor dit soort klusjes in Schalkhaar opgeleide Nederlandse politiemannen die gedurende een periode de transporten begeleidden – over om een andere kant op te kijken. Rebecca Arian-Witteboon (Amsterdam, 22 februari 1914 – Amsterdam, 7 maart 2004) en Rika Caun ontsnapten op deze manier.

Voor Rebecca was het haar derde arrestatie. Ze moest na deze arrestatie mee naar de Rietlanden en ontsnapte dankzij medewerkers van de Joodsche Raad.  Ze kreeg een verpleegstersschort en een mouwband, deed dit aan en om en wandelde de trein uit. Na de oorlog werd Rebecca herenigd met haar zoontje Max die via de crèche aan de Plantage Middenlaan naar pleegouders in Limburg was gebracht. Haar man, reclameschilder Arnold Arian (Amsterdam, 5 maart 1908) werd op 14 augustus 1943 in Auschwitz vermoord.

Rika Caun-Leezer (Onstwedde, – Amsterdam, ) woonde begin 1943 met haar man, Salomon Caun (Amsterdam, 23 maart 1887 – Heerde, ), dochter Sara (Amsterdam, 22 oktober 1919 – Amsterdam, ), dochter Bertha (Amsterdam, 11 april 1923 – Amsterdam, ) en zoon Simon (Amsterdam, 20 maart 1926 – Auschwitz, ) op de Plantage Doklaan 28-2. Om maar niet thuis te zijn bij een razzia zwierf de familie hele dagen rond op straat. Op een ochtend in de eerste week van februari bleef Rika thuis om schoon te maken en juist toen kwamen de overvalwagens. Ze belandde in de Rietlanden, maar in de trein fluisterde een ordebewaker van de Joodsche Raad haar toe: “Zorg dat je wegkomt, niemand ziet dat je Joods bent.” Rika’s vader, broers en zussen werden vermoord. Haar gezin en de hoogblonde Rika overleefde, op zoon Simon na.

Opzienbarend    
En dan zijn er nog de verhalen rond juriste en verzetsvrouw Lau Mazirel. Als dochter van een spoorwegman zou ze geleerd hebben om op en van rijdende treinen te springen. Dat zou ze hier hebben ingezet om mensen uit de treinen te redden. Haar weduwnaar, Robert Hartog, schreef in 1996 over zijn vrouw: 
Ze was steeds als advocaat aanwezig op het perron van het Centraal Station als er een transport wegging. Ze sprong dan op het laatste ogenblik op de trein. Zij heeft vele malen kinderen uit deze treinen gered door met ze eruit te springen op het rangeerterrein na het Centraal Station.
Als het verhaal klopt moet het rangeerterrein de Rietlanden geweest zijn.
Heere Heeresma schreef in Een jongen uit Plan Zuid (2005) hoe hij tijdens een zwerftocht bij de Rietlanden terechtkwam: “Ik sta stil voor een hek van zwaar gaas en zie daarachter een rangeerterrein. Even verderop staan al wat gekoppelde goederenwagons. En dan zie ik hen. Twee vrachtwagens die ze bezig zijn te verlaten, terwijl een groepje moffen, de geweren in de hand, met elkaar staat te praten. En niemand wijst die gesterden de weg. Die weten ze zelf wel. Heel rustig gaan ze met elkaar een hek door. Twee vrouwen met een kind op de armen. Een oude dame, een bejaard echtpaar dat stevig gearmd gaat. Een tiental jongeren. En niemand heeft iets van bagage bij zich. De oudere mensen nemen moeizaam de rails, zoeken een biels of sjouwen door de zware kiezel. Zo is het nog een eind voor ze bij dat rijtje goederenwagons zijn gekomen. En inmiddels helpen de jongeren. Twee meisjes nemen een kind over en dragen het verder, en het gearmde echtpaar struikelt, maar  weet zich alsnog voor vallen te behoeden.  Een lid van de Wehrmacht is vooruitgelopen en springt een meter omhoog op de treeplank van een goederenwagon. Met de stalen stootplaat onder de kolf van zijn geweer ramt hij omhoog tegen de sluitbeugel van de grote deur, springt weer naar beneden, vat een beugel, trekt en rolt de zware deur open. De wagon staat al vol mensen, van wie er een paar tussen de benen van de anderen neerhurken of op de bodem zitten. En terwijl de soldaten toekijken, begint het inladen. De kinderen worden bij een armpje de ruimte ingetrokken en met wat geduw volgt het bejaarde paar, maar de oude mevrouw geeft problemen. Ze durft niet en moet toch. Tenslotte ligt ze met het bovenlijf op de bodem van de goederenwagon en wordt er dan in geduwd. Regen spet op de capuchon van mijn poncho en ik wil roepen. Nu kan het nog! Spring naar beneden en waaier uit!
Geen kerm. Geen klacht, geen geschreeuw. Iedereen is nu in de wagon en staat hutjemutje met het gezicht naar de deur. De moffen lopen wat terug en kijken dan ook, de geweren in beide handen. En dan gebeurt er iets onbegrijpelijks. De mensen binnen duwen de roldeur zelf weer dicht totdat deze met een heldere ting in het slot valt. ‘Jullie zijn gek’, roep ik ineens. Mijn stem gaat gelukkig in de ruimte verloren. De wagons die daar staan, vol van leven, zijn levenloos in een put van stilte.”

Borneokade – Koos Caneel
Koos Caneel was adjunct-directeur van het Joods jongensweeshuis in Amsterdam. Toen de jongens via de Borneokade werden gedeporteerd naar Westerbork heeft hij op deze kade nog dertig kinderen uit de trein kunnen halen.

Borneokade 25 – IJzerhandel Hollandia
Dit bedrijf van Isidore Markus was tijdens de oorlog gevestigd op dit adres en op de Herman Heijermansweg 2.

 

bron:
Bianca Stigter, De Bezetter Stad, Plattegrond van Amsterdam 1940 – 1945 (Amsterdam 2005) 146.
https://debrugkrant.nl/borneokade/ (geraadpleegd 16 maart 2019)
Mieke de Moor, Van Rietlanden naar Westerbork, een onbekend stuk Amsterdam in Ons Amsterdam, nummer 5, mei 2010
Stadsarchief Amsterdam, gezinskaart Salomon Caun
Stadsarchief Amsterdam, gezinskaart Arnold Arian
www.joodsmonument.nl, lemmata familie Caun (geraadpleegd 16 maart 2019)
Stadsarchief Amsterdam, woningkaarten (algemene beschrijving Borneokade)
“N.V. IJZERHANDEL „HOLLANDIA””. “Algemeen Handelsblad”. Amsterdam, 30-04-1942. Geraadpleegd op Delpher op 18-03-2019, https://resolver.kb.nl/resolve?urn=KBNRC01:000054726:mpeg21:a0094

Illustratie:
Collectie stadsarchief Amsterdam, afbeeldingsbestand A04139000545
“N.V. IJZERHANDEL „HOLLANDIA””. “Algemeen Handelsblad”. Amsterdam, 30-04-1942. Geraadpleegd op Delpher op 18-03-2019, https://resolver.kb.nl/resolve?urn=KBNRC01:000054726:mpeg21:a0094

laatst bijgewerkt:
27 september 2019