Château de la Partoucie

Een Frans kasteel werd op initiatief van de Nederlandse regering in 1940 een opvangadres voor Nederlandse en Nederlands-Joodse vluchtelingen. Het bijzondere verhaal van La Partoucie.

La Partoucie nu
In 1998 werd het totaal vervallen kasteel met bijgebouwen door Nederlanders gekocht. In de afgelopen 20 jaar is het smaakvol, met behoud van vele oude details en met veel liefde, zweet en soms ook tranen opgeknapt. Maar vooral met heel veel plezier en voldoening om het bouwwerk van Babaud Laribière, het onderkomen van vele Joodse vluchtelingen, af te maken. De eigenaren bewonen zelf het koetshuis en verhuren in de zomer het unieke kasteel per week als Gîte au Château. De huurder kan zich dan voor een weekje “chatelain/chatelaine” (kasteelheer/kasteelvrouw) voelen.  In het voor- en najaar organiseren ze er, samen met yoga-lerares Nell Berger, inspirerende yoga-retraites. La Partoucie is te bereiken via de link.

La Partoucie is een 19e eeuws kasteel, gebouwd rond 1854 in strakke Moorse stijl. De eerste eigenaar, François Charles Babaud Laribière, een Franse officier die had gevochten in de Oriënt met het leger van Napoleon III, kwam terug uit die oorlog met de gebouwen met kantelen op zijn netvlies. Hij stierf voordat hij zijn Moorse kasteel in de Charente had afgebouwd. 
Het kasteel stond bijna 90 jaar leeg en werd nooit bewoond tot de Tweede Wereldoorlog. In 1940 vroeg de Nederlandse regering kunstschilder Conrad Kickert (Den Haag, 1892 – Parijs, 1965), die in Parijs woonde en exposeerde met Picasso en Gaugin (bekend als “le peintre Néerlandais de Montparnasse”), een onderkomen te zoeken voor Nederlands-Joodse vluchtelingen.
Het antwoord van Kickert aan de regering is bewaard gebleven en begint met de woorden: Ben geslaagd!!! Heb verkregen misschien het allerlaatste kasteel wat te krijgen is, maar ik heb het gekregen. 

“Etenstijd bij de Nederlandsche vluchtelingen, die op het Chateau de Partoucie te Lessac liefderijk waren opgenomen”. “Christelijk sociaal dagblad voor Nederland De Amsterdammer”. Amsterdam, 1940/07/15 00:00:00, p. 8. Geraadpleegd op Delpher op 01-04-2020.

Er werd een busdienst tussen Breda en het vervallen La Partoucie opgezet en gedurende de gehele oorlog hebben honderden Nederlandse en Belgische vluchtelingen met verschillende achtergronden op La Partoucie, wat zich op het randje van het vrije Frankrijk bevond, gewoond. Dagboeken van Joodse bewoners, onder andere dat van Jeannine Beem en Nelly v. d. Sluijs, zijn bewaard gebleven en liggen nog altijd ter inzage op La Partoucie. Ook liggen er dagboeken, zoals dat van Mariette Cohen, bij het NIOD in Amsterdam.
Conrad Kickert raakte bevriend met de kleinzoon van Babaud Laribière,  die woonde in “La Partoucie en bas”, en schilderde daar de Joodse meisjes, deze schilderijen hangen in het Musée CK, in de Cantal.

Op het Waterlooplein in Amsterdam werd een keer per toeval een fotoalbum van de busreis en het leven op La Partoucie tijdens de Tweede Wereldoorlog gevonden. Dit album is naar het Leidse Prentenkabinet gebracht. En deze foto’s hangen sinds jaren in de gang van La Partoucie. Sabine van der Hoorn heeft er haar scriptie “de weg van duizend moeilijkheden” over geschreven. Na de bevrijding in 1945 stond La Partoucie weer jaren leeg, alleen het koetshuis/boerderij werd door een Franse boer bewoond en de 80 ha grond voor vee en landbouw gebruikt.  In 1969 kreeg La Partoucie nieuwe eigenaren, zij begonnen aan het dichten van het platte dak van het kasteel. In de omgeving bekend als “ le Château Plat”  In 1998 werd het chateau door Nederlanders gekocht.

Jeannine Beem
Jeannine Beem (Parijs, 24 oktober 1927 – Morenci, Michigan, 23 november 2007) was een van de Joden die in La Partoucie verbleef. Wat was het verhaal?
Jeannine woonde met haar vader Salomon Beem (Deventer, 6 januari 1892 – Brussel, 1975), haar moeder Anna Simone Ester Konijn (Anderlecht, 1904 – Brussel, 1996) en haar twee zusters Rosine (Parijs, 5 maart 1925 – 2018) en Berthe (Parijs, 10 april 1926 – Monrenci, Michigan, 1994) aan het begin van de oorlog in Brussel. De invasie in Nederland begon op 10 mei 1940 en de nazi’s kwamen over de grens België binnen. De moeder van Jeannine besloot dat het gezin naar Parijs moest, waar Jeannine en haar twee zusters geboren waren. In Parijs verbleef het gezin in een loods, met andere Nederlandse vluchtelingen. De Franse autoriteiten hadden ze daarheen gestuurd omdat vader een Nederlands paspoort had. Het bericht kwam dat de nazi’s Parijs zouden gaan bereiken en de Nederlandse regering stuurde een bus waarmee de vluchtelingen 400 kilometer naar het zuiden gebracht werden naar een kasteel, La Partoucie, bij Confolens. Het was het begin van een avontuur in een kasteel dat vijf jaar duurde, terwijl de oorlog over Europa raasde.

De Beems zaten bij de eerste groep die in het verlaten kasteel aankwam, en zouden bij de laatsten zijn die het weer verlieten. Jeannine zou later vertellen dat er een constante stroom van vluchtelingen was. Wie geld had kon het zich veroorloven om naar een veiliger gebied in Europa te reizen of om de Atlantische Oceaan over te steken. Het kasteel was in een matige conditie. Er was geen elektriciteit, geen stromend water en geen verwarming.

Conrad Kickert organiseerde alles en gaf taken aan de vluchtelingen, zoals koken, schoonmaken en lesgeven. Hij bracht discipline in La Partoucie. Wanneer de bewoners bezig bleven konden ze niet teveel stilstaan bij wat de omstandigheden waren, zowel op het kasteel en bij wat ze in de oorlog waren verloren. “Na een tijdje had iedereen een een eigen kamer en probeerden we allemaal er het beste van te maken in dit 19e eeuwse kasteel”, vertelde Jeannine.

In 1943 haalde de Franse politie, die collaboreerde met de nazi’s, de Salomon, de vader van Jeannine, op om hem naar een werkkamp te sturen. Hij was een goede kok en een goede zanger en die kwaliteiten hielpen hem om de oorlog te overleven.
De zusjes Beem liepen op marktdagen vaak naar het 5 kilometer verder liggende Confolens en ze verzamelden bosbessen, kersen en ander fruit. La mure – grote zwarte bessen – konden gebruikt worden om jam of taart te maken. “We aten wat we konden vinden”, herinnerde Jeannine zich. “Er was ‘s zomers niet veel anders te doen.”

Tegen het einde van de oorlog vonden Jeannine en haar zusters werk in Confolens. Ze werkten daar voor verschillende families en deden taken zoals het wassen van kleren in de rivier de Vienne. Confolens werd nooit door de nazi’s bezet, maar soldaten kwamen af en toe en ook op die verschrikkelijke dag in 1944. Jeannine vertelde dat toen het duidelijk werd dat de oorlog het einde naderde het gevaar voor de burgers groter werd. De nazi’s wisten dat ze verloren hadden en er werden veel burgers afgemaakt. Op zekere dag kwamen er legervoertuigen Confolens binnen en deze blokkeerden de straten en de brug over de rivier. Moeder had vertelt dat als er gevaar was in het dorp ze terug moesten naar La Partoucie over de kleinere weggetjes. Jeannine herinnerde zich dat ze op weg naar het kasteel aan het zingen en aan het lachen waren en dat ze zich niet realiseerden hoe ernstig de situatie was. Later kwamen de zusters er achter dat diezelfde troepen vlak daarvoor een van de ernstigste bloedbaden in Frankrijk hadden georganiseerd. In een stadje vlakbij, Oradour, hadden de nazi’s alle bewoners bijeen gedreven in een kerk, meer dan 600 mannen, vrouwen en kinderen, en deze kerk en de huizen erbij in brand gestoken.

De Beems overleefden de oorlog in La Partoucie. “Het waren erg slechte tijden, maar we kwamen er doorheen. Positief blijven was essentieel”, vertelde Jeannine.

Betere tijden
De Beems gingen terug naar Parijs waar de zusters naar school konden. Jeannine, 17, studeerde aan de Ecole de beaux Arts en Berthe, 18, ging naar een business school. Rosine was in verwachting van haar eerste kind. Het Parijs van na de oorlog was een geweldige plaats om te zijn. Jeannine: “De oorlog was voorbij en we waren in de mooiste stand van de wereld. We hadden een geweldige tijd. We waren in Parijs op het juiste moment.” De stad zat vol met Amerikaanse soldaten. Een van die soldaten was een jonge man uit Morenci, Vernon Harper. Hij trouwde met Berthe op 2 december 1946 en vertrok naar Amerika waar Berthe de naam Betty gebruikte. Jeannine spaarde om ze achterna te kunnen reizen en in april 1948, stapte op het schip de Mauretania voor de reis. Uiteindelijk ontmoette ze de neef van Vernon, Bob Price. “Hij was zo Amerikaans” zei Jeannine, “precies waarvan ik gedroomd had.” Maar eerst moest Bob kiezen tussen Jeannine en een andere vrouw die hij op het oog had. Hij maakte zijn keuze. Maar ook Jeannine moest kiezen tussen hem en een rijke man die ze aan boord had ontmoet. Ook zij maakte haar keuze en een lang huwelijk begon van meer dan 59 jaar.

bron:
email Jeanine Jungslager, 1 april 2020 met verslag
“Etenstijd bij de Nederlandsche vluchtelingen, die op het Chateau de Partoucie te Lessac liefderijk waren opgenomen”. “Christelijk sociaal dagblad voor Nederland De Amsterdammer”. Amsterdam, 1940/07/15 00:00:00, p. 8. Geraadpleegd op Delpher op 01-04-2020.
NIOD, 244 Europese Dagboeken en egodocumenten, 1434, Cohen, Mariette
Conrad Kickert, le peintre Hollandais de Montparnasse,VIII – Les réfugiés en Charente  > Secours aux réfugiés néerlandais via
https://www.conrad-kickert.org/article_173.shtml (geraadpleegd 2 april 2020)
David Green, Jeannine Beem Price: puts life history into book (oktober 2007) via https://statelineobserver.com (geraadpleegd 2 april 2020)

illustratie:
“Etenstijd bij de Nederlandsche vluchtelingen, die op het Chateau de Partoucie te Lessac liefderijk waren opgenomen”. “Christelijk sociaal dagblad voor Nederland De Amsterdammer”. Amsterdam, 1940/07/15 00:00:00, p. 8. Geraadpleegd op Delpher op 01-04-2020.

laatst bijgewerkt:
2 april 2020