Herman Polak

‘De eerste keer dat ik Amsterdam bezocht moet nu zo’n 75 jaar geleden zijn. De stad waar vier eeuwen eerder Rembrandt zijn meesterwerken schilderde in een land dat 80 jaar lang verwikkeld was in een opstand tegen hun koning. Een opstand die als belangrijke reden had het gevecht voor de vrijheid van religie; veel bewoners van de Lage Landen hadden hun geloof in de katholieke kerk en de corrupte Paus volledig verloren. 

Hoewel Spanje zich als katholiek land portretteerde was dat niet geheel het geval. In 1492 bepaalden de ‘Reyos Catholicos’, de katholieke koningen Ferdinand en zijn vrouw Isabella, dat alle inwoners katholiek moesten zijn, ook de moslims en de Joden. De Joden kregen als keus zich te laten dopen tot katholiek, te vertrekken of te worden verbrand tijdens een auto-da-fe. Velen lieten zich dopen, velen vertrokken en diegenen die naar Portugal gingen konden in 1496 weer vertrekken toen het Spaanse koningshuis daar als deel van een overeenkomst bij een koninklijk huwelijk bepaalde dat ook daar de Joden moesten vertrekken of zich moesten laten dopen. 

De Joden van het Iberisch schiereiland verspreidden zich rond de Middellandse Zee en andere gebieden in Europa en een deel van hen kwam, vaak als schijnkatholiek, in Antwerpen terecht dat de belangrijkste handelsmetropool was benoorden de Alpen. Nadat, als deel van de Nederlandse Opstand (80-jarige oorlog), de haven van Antwerpen werd geblokkeerd en de economie van de Scheldestad ineen stortte, vertrok een deel van deze handelaars naar Amsterdam waar ze door de relatieve godsdienstvrijheid het aandurfden om het Jodendom, het geloof van de voorouders, weer aan te nemen. Verschillende Nederlandse steden voelden als een thuis voor de Joodse gemeenschap, maar Amsterdam kreeg de eretitel Mokum, de plaats. 

In 1940 werd Nederland ingenomen door een misdadig regime, de nazi’s die zich lieten leiden door twee ideologieën: Europa en de Sovjet-Unie veroveren en alle Joodse inwoners, en tevens de Roma en Sinti, vrijmetselaars en homoseksuelen die in dat gebied woonden te vernietigen. Gedurende deze bezetting leefde ik drie jaar lang in de onderduik, bij 18 moedige gezinnen die mij mijn leven hebben gered en ondanks de vele pogingen die er waren om me aan de nazi’s uit te leveren overleefde ik de oorlog.

Dit is mijn verhaal over de drie jaar in de onderduik, een ooggetuigenverslag van een jongen van vier jaar oud. Een verslag met aan de ene kant onvoorstelbare wreedheid en onmenselijkheid en aan de andere kant enorme moed en goedheid. Dit vond allemaal in deze periode plaats.

1942
Mijn familie woonde in 1942 in Deventer. Mijn vader was er leraar Engels en hij was een humanist. We waren Joods van afkomst maar gingen nooit naar de synagoge. Ons leven kabbelde voort, totdat ook in Deventer de wrede jacht op Joden begon, een jacht die leidde tot bijna de volledige vernietiging van een bevolkingsgroep die ruim 300 jaar in Nederland woonde. Deze groep was maatschappelijk volledig geïntegreerd en had Nederland filosofen als Spinoza geschonken, schrijvers, professoren, musici en had een grote bijdrage geleverd aan de Nederlandse samenleving en… een aantal grote multinationals zoals Shell, Unilever en Akzo. 

Mijn ouders dachten dat de Jodenvervolging niet zo erg zou zijn als velen vreesden, Duitsland was immers – voordat de nazi’s aan de macht kwamen – een zeer beschaafd land met grote filosofen, wetenschappers en componisten. Een vriendin van mijn ouders, een verpleegster die Tine Boeke (1919 – 2018) heette en al in het verzet zat, had een veel pessimistischer blik. Door de communicatie binnen de ondergrondse was in 1941 al informatie bekend over de verschrikkelijke moordpartijen in de Baltische Staten waar al snel nadat de bezetting door de nazi’s was begonnen minstens 100.000 Joodse mannen, vrouwen en kinderen door de plaatselijke bevolking, samen met de nazi’s, was vermoord. Zij werden met machinegeweren vermoord in grote kuilen. Het lukte Tine om mijn ouders ervan te overtuigen dat niets doen en niet in de onderduik gaan een zekere dood voor hen zou inhouden en voor hun twee kinderen. 

Ik werd naar mijn eerste onderduikadres gebracht, ‘Kindjeshaven’ op de Prins Hendriklaan in Utrecht, geleid door Truitje van Lier (Utrecht, 13 november 1914 – Ede, 29 november 2002) en Jet Berdenis van Berlekom (Hoogeveen, 9 september 1920 – Erickson (Manitoba, Canada), 23 april 2010). Truitje was student rechten en voorzitter van de zeer conservatieve Utrechtse studentenorganisatie. Kindjeshaven had ze opgericht met geld uit de erfenis van haar moeder. Ze zag dagelijks hoe de misère was voor de Joodse kinderen van wie de ouders al vaak vermoord waren in Sobibor of Auschwitz. De kinderen werden van hot naar her gesleept zonder dat er een echt veilige plaats voor ze gevonden werd. Een plek waar ze konden onderduiken en overleven. Truitje wist ook van het grote aantal babies dat werd geboren door affaires tussen Duitse militairen en Nederlandse meisjes.  Dat was iets dat de nazi’s haatten, een kind dat voortkwam uit de superieure veroveraar die een veroverde had bezwangerd. Truitje ging naar een hoge Duitse officier met een gewaagd voorstel. Breng de Duits/Nederlandse bastaardkinderen naar mijn opvang en daar worden ze volledig onzichtbaar voor het publiek. 

Dat vonden de nazi’s een goed idee en daarna gebruikte Truitje deze half-Duitse kinderen. Dit gaf haar de mogelijkheid om vele Joodse kinderen en babies op te vangen en zo redde zij deze kinderen van een zekere dood. Ook ik verbleef een poos in Kindjeshaven. Na de oorlog werd aan Truitje gevraagd tijdens een TV-interview of ze ooit overwogen had om met dit gevaarlijke werk te stoppen. ‘Stoppen?‘, antwoordde ze, ‘hoe?  Deze kinderen konden nergens heen.’ En daarom is tegenwoordig het auditorium voor de Masterstudenten van de Universiteit van Utrecht het ‘Truitje van Lier-auditorium’ genoemd. 

Herman en zijn zus Felice (1933-2019) bleven drie maanden in Kindjeshaven. Felice ging naar Enschede en werd ondergebracht bij een gezin dat bij het Leger des Heils was aangesloten. Zij ging daar naar school, had een vervalst identiteitsbewijs en was veilig tot aan het einde van de oorlog. 

Tine bracht me naar Amsterdam, het begin van mijn bizarre tocht langs 18 gezinnen. Van mijn leeftijd van 5 jaar tot 8 jaar was ik onzichtbaar voor mijn ouders. Zij wisten niet waar ik was en niet of ik nog leefde. Ik was zelfs onzichtbaar voor de wereld en mijn ouders wisten niet of ik al vergast was. Nu ik zelf kinderen heb, begrijp ik hoe ze zich gevoeld moeten hebben. 
Achttien moedige gezinnen gaven me steeds een paar weken onderdak en probeerden daarmee het leven te redden van een voor hen onbekend, klein, naamloos, scheel Joods jongetje. Dat deden ze met een groot gevaar voor zichzelf en voor hun eigen kinderen.

Veel van deze gezinnen die onderduik gaven waren lid van het verzet. Ze behoorden tot een Amsterdamse Ondergrondse groep van strikte fanatieke Trotskisten, veel artiesten, beeldhouwers, schilders en schrijvers. Zij haatten de nazi’s als de builenpest. 
Ik ga niet alle 18 adressen beschrijven, maar twee ervan zijn diep in mijn geheugen gegrift. Het eerste gezin is:

De familie Pelgrom
De ouders in dit gezin waren Greet en Rinus Pelgrom. Hun namen kom je tegen in zeker drie boeken over de Tweede Wereldoorlog en in vele studies over het lot van de Joden in Amsterdam gedurende de vijf jaar van de oorlog. 
Het gezin Pelgrom woonde op twee verdiepingen en een zolder van een oud huis aan de Kloveniersburgwal 91. In dit oude en uitgewoonde huis woonden de ouders met hun tien kinderen en dertien Joden in de onderduik.  Dus inderdaad tien kinderen, dertien Joden en de ouders dus in totaal vijfentwintig angstige mannen en vrouwen. 
Rinus en vijf van zijn kinderen waren kunstenaar. Drie van hen leven nu nog en ik heb nog steeds contact met deze onderduikbroers en – zussen. 
Vader Rinus zorgde voor het geld om ons te voeden en om distributiekaarten te kopen, de kaarten die je moest hebben om eten te kunnen kopen. Hij deed dat door wekelijks tabak te smokkelen en  een zak rond zijn middel van België naar Nederland. Elke avond zongen we samen De Internationale. 

Herman Polak in Artis. © collectie Herman Polak

De meeste tijd verbleef ik op zolder, ik werd er vaak getekend door een jonge Joodse tekenaar, die later in Auschwitz vermoord werd. Ik herinner me vooral de verveling. Ik had geen speelgoed maar wel veel energie die ik niet kwijt kon. Om de tijd te doden leerde ik mezelf lezen. 
ik kan me nog steeds twee geluiden goed herinneren die ik er op zolder hoorde. Het geluid van de kerkklokken van de Zuiderkerk achter ons huis en het huilende geluid van de Britse bommenwerpers die probeerden de Duitse oorlogsschepen op de rivier te vernietigen.
Drie jaar lang mocht ik beslist niet buiten spelen en ik mocht ook niet in de buurt van de vensters komen, zodat ook niemand van buiten me kon zien. Ik kon mijn energie niet kwijt en ik was lastig, irriteerde iedereen en was zeer creatief in het bedenken van kattenkwaad. Op zekere dag had vader Rinus zoveel medelijden met me dat hij me, bedekt met een zwarte cape over mijn hoofd, meenam naar Artis, de dierentuin. 

Vader en moeder Pelgrom waren onvoorstelbaar moedige mensen die niet konden leven met onrecht of dat konden accepteren. Ze konden de moord op onschuldige mensen alleen omdat ze joden waren niet accepteren, ondanks de grote risico’s die zijzelf en hun grote gezin liepen. Ze waren mensen met het morele niveau van Nelson Mandela. Ze lieten aan de mensheid een enorm waardevolle morele erfenis na. En voor mij is het nog altijd een privilege dat ik deze mensen heb gekend.

Dit onderduikadres werd eind maart 1944 verraden door de Nederlandse politie, inderdaad – de Nederlandse politie. Zij stormden het huis binnen in het holst van de nacht, joegen iedereen uit bed en er was geen tijd om de onderduikplek te bereiken. Iedereen werd in een rij gezet, ook de kinderen, en de papieren moeten worden getoond. Er heerste een totale chaos, huilende mensen en iedereen wist dat dit het begin was van een ramp, de vernietiging, de weg naar de gaskamers. 

Als kleine jongen had ik geen idee wat er allemaal gebeurde en vond het laat uit bed zijn grappig en interessant. Ik vond het een onverwacht stuk verstrooiing. Misschien is het beeld in de film ‘La vita e bella‘ waar de vader de verschrikking van Auschwitz omzet in een onrealistisch blije scene voor zijn zoon vergelijkbaar met dit moment.

In deze chaotische situatie zei Ari, een Joodse slager, tegen me: ‘Herman, probeer terug naar je bed te gaan’.  Dat deed ik, maar een kleine pluk zwart haar was zichtbaar van onder de dekens. Ari manoeuvreerde zichzelf steeds tussen mij en de Nederlandse politie-agent die ons bewaakte. Zo zorgde hij ervoor dat ik onzichtbaar bleef. Tilly, een Joods meisje, kroop in bed bij moeder Pelgrom die op dat moment longontsteking had. Die besmettelijke ziekte hield de lafaards op een afstand en Tilly was gered. De andere Joden moesten mee en werden enkele dagen later gedeporteerd en vergast in Auschwitz. 
In deze fase van de bezetting waren de meeste Nederlandse joden naar de concentratiekampen gebracht en vermoord. De paar die er nog waren werden nog steeds opgejaagd. Hulp aan Joden werd zelf nog gevaarlijker. Om een en ander te versnellen bestond er een systeem waarbij men een beloning kreeg voor het verraden van een Jood – het Kopgeld. Dit bedroeg ƒ 7,50 per persoon en werd in de loop van de oorlog meer. Het Kopgeld werd betaald uit de geroofde Joodse tegoeden die bij de LiRobank moesten worden ingeleverd. Er werden zelfs groepen georganiseerd om op joden te jagen. Nederland had naast helden als de Pelgroms en Truitje van Lier ook heel veel lafaards en mensen die wegkeken en niets deden. Het idee dat wellicht door het Dagboek van Anne Frank wordt gesuggereerd, namelijk dat er veel verzet en hulp was, is niet terecht. 

Nederland heeft het hoogste percentage vermoorde Joodse inwoners van West-Europa. Nederland heeft het hoogste aantal vrijwilligers dat in de Waffen SS en de SS ging. 

Muizen
Ik wil nog een adres in herinnering brengen. Mijn verblijf daar heeft diepe littekens achtergelaten in mijn karakter en me tientallen jaren na de oorlog nog achtervolgd.  
Deze onderduik was in een leeg industrie-gebouw aan de Nes in Amsterdam, zo’n 300 meter vanaf het Koninklijk Paleis. Het was een voormalige fabriek van houten speelgoed. De verfvlekken waren nog zichtbaar op de houten vloer. Het gebouw was geheel leeg. Op de derde verdieping lagen een matras, een fles water en een po voor me. Elke avond bracht de ondergrondse me wat eten en ‘s nachts renden horden muizen rond mijn matras. Ik zat daar drie maanden, geheel alleen. Geen speelgoed, geen boeken, geen menselijk gezelschap maar erg veel muizen. 

Ik werd hier een overtuigd antisemiet. Is een Joodse antisemiet mogelijk? Zeker. Sartre schreef al het boek Der Selbsthaß der Juden. Laat me het uitleggen:

Alle ellende die me overkwam in mijn jonge leven had te maken met mijn Joods zijn, zoals:
– niet buiten mogen spelen zoals alle niet-Joodse kinderen
– nooit geknuffeld worden door de onderduikouders zoals hun eigen kinderen
– geen vader en geen moeder
– niet bij het raam mogen komen en
– altijd de waarschuwingen: let op, kleine Herman, als de moffen je pakken vergassen ze je. Omdat je Joods bent. Wat is vergassen? Wat is een Jood? Ik wist het niet, niemand om mij heen had de tijd of de energie om het me uit te leggen. Iedereen was bezig met maar een ding – overleven.
Hier werd ik dus een overtuigd antisemiet. Het abnormale, de idiotie, werd het normale voor me. Het heeft me zeker dertig jaar gekost om dat wat als kind werd ingeprent los te laten.

Was ik boos? Alleen? Leed ik er aan zelfmedelijden? Was ik bang? Nee….ik was ervan overtuigd dat deze verschrikkelijke situatie mijn eigen schuld was, omdat ik een Jood ben. Het was mijn eigen schuld, had ik maar niet als Jood geboren moeten zijn. Ik begon mezelf te haten omdat ik een Jood ben en mijn naam en persoonlijkheid te verloochenen. Ik haatte mezelf tot mijn veertigste. 

1945
Op 5 mei 1945 was Nederland bevrijd. Ik zat in mijn laatste onderduik in een klein plaatsje ten noorden van Amsterdam. Als door een groot toeval zat mijn vader in onderduik in Zaandam, dus niet ver van mij verwijderd. Door de communicatiekanalen van de ondergrondse hoorde mijn vader dat er een klein Joods jongetje wat ondergedoken zat in een dorp, niet ver van zijn plaats af. Op de 6e mei ging mijn vader met een fiets met houten banden naar dat dorp, reed een paar keer op en neer en kwam een blond meisje tegen die met een donkerharig erg Joods uitziend jongetje speelde. Het was de eerste dag dat ik buiten mocht spelen in drie jaar. Mijn vader vroeg me wat mijn naam was, en hij dacht me na drie jaar te herkennen. Mijn vader werd overmand door een tsunami van immense gevoelens van hoop. Misschien is dit mijn zoon, misschien is hij niet vergast. Hij huilde van blijdschap. 

Ik rende weg, naar mijn duikmoeder omdat zij altijd mij had gewaarschuwd: ‘kleine Herman, blijf weg bij vreemdelingen. Misschien zijn het moffen of Nederlandse politie-agenten‘. Mijn vader kwam achter me aan. Er volgde een gesprek met mijn duikouders. Wat wisten ze over me – vanwege de veiligheid bijna niets. Aan het einde stelde mijn vader de sleutelvraag: ‘Weet je wat de naam van je zus is?… en dat wist ik, Felice.

Mijn vader wist nu dat zijn zoon nog leefde. Hij huilde als een baby, hij wilde me mee naar huis nemen. 

Vanwege de hongerwinter 1944-1945 hadden we nauwelijks te eten op wat suikerbieten na. De Canadezen waren begonnen met het droppen van voedsel, waaronder ingeblikt vlees, sigaretten, biscuits en chocolade en deze blikken werden gedropt in de weilanden achter ons huis. De burgemeester had beloofd dat alle kinderen in het komende weekend een stuk chocolade zouden krijgen om de bevrijding te vieren. Wat was chocolade? Ik had geen idee, ik had het nog nooit gezien of geproefd. Ik wilde echter niet mee met deze onbekende man. Ik wilde blijven, ik wilde mijn chocolade. Ik prefereerde deze exotische delicatesse boven een huilende onbekende man die beweerde mijn vader te zijn. Soms geeft het leven vreemde maar duidelijke prioriteiten.

 

Zo eindige mijn drie jaar in Amsterdam. Een stad waar ik nooit de grachten mocht bekijken, een stad die ik leerde kennen terwijl ik verborgen zat op zolders en verstopt onder vloeren. Mijn odyssee langs de 18 dappere families kwam tot een einde en ik had de criminelen overleefd die me voor Kopgeld wilden verraden en dankzij deze dappere families ben ik de trotse vader van vijf kinderen, tien kleinkinderen en drie achterkleinkinderen. 

In de jaren na de oorlog werd ik met de hulp van vakkundige psychologen en psychiaters genezen van mijn oorlogstrauma’s, zoals mijn bindingsangst. Deze drie jaar maakten me ook wantrouwig, ik vertrouwde niemand en leed jarenlang aan nachtmerries. En ik wilde altijd reizen en wilde dan opgaan in de massa. Een paar keer per jaar ging ik voor mijn werk naar New York, gaf lezingen over International Marketing en daarna deed ik een oude spijkerbroek aan, liep urenlang door New York, voelde me onzichtbaar en was dan heel, heel gelukkig. 

En nu? Hebben we iets geleerd van de Tweede Wereldoorlog en de vijftig miljoen doden? Open een krant en wat lees je? misère, moord, terrorisme en oorlog. Syrië, Somalië, Sudan, Palestina, Myanmar. Er is niets veranderd. Al deze oorlogen hebben nog steeds dezelfde excuses en oorzaken zoals regionale en globale geopolitieke macht, olievoorraden en rassenhaat en dergelijke stommiteiten’. 

Wat is nou eigenlijk belangrijk in ieders leven. Geluk en gezondheid. Wijzelf en onze kinderen. En dat zou voor ieder het belangrijkste doel in het leven moeten zijn.

 

bron:
Interview Herman Polak d.d. 4 oktober 2019

aantekeningen Herman Polak
aanvullend: Felice Polak via https://www.trouw.nl/nieuws/felice-leendertz-polak-1933-2019-overleefde-als-enige-van-haar-klas-de-oorlog~b0f3159f/
“Advertentie Pelgrom”. “Het Parool”. Amsterdam, 1946/07/10 00:00:00, p. 4. Geraadpleegd op Delpher op 21-10-2019, http://resolver.kb.nl/resolve?urn=ABCDDD:010828502:mpeg21:p004
Tine Boeke via https://www.trouw.nl/nieuws/voor-tine-boeke-1919-2018-was-niets-doen-geen-optie~b47ae7e0/ (geraadpleegd 22 oktober 2019)
filmpje AT5  Herman (82) werd door 18 Amsterdamse gezinnen gered van de nazi’s

laatst bijgewerkt:
22 oktober 2019

met dank aan Herman Polak