Joods leven in Amsterdam Noord

door Hartog Hammelburg Mz. – 1929

Bij de vele rampen, welke de wereldoorlog met al zijn verschrikking en vreeselijke gevolgen ons gebracht heeft, is het goede, dat deze veroorzaakt heeft, niet weg te cijferen. De menschheid zag dit in, en putte er een les uit. Het is immers een opmerkelijk verschijnsel, dat in vele landen — er blijven natuurlijk de uitzonderingen — een religieuze opleving merkbaar is bij de verschillende godsdiensten. Waar een dergelijk verschijnsel bijna altijd na een grooten oorlog te constateeren valt, mag dit zeker wel op de creditzijde van den rampzaligen vierjarigen krijg geboekt worden. Ook bij ons, Joden, is een dergelijke opleving te bespeuren. Is het zich bewust worden Jood te zijn, door welken invloed dan ook, niet bij ieder een directe terugkeer tot het oude, voorvaderlijke geloof, toch is ook voor de Joodsche orthodoxie vooruitgang waar te nemen.

De groote Joodsche gemeente te Amsterdam kan zich er op beroemen aan haar taak, die dezen vooruitgang moet helpen bevorderen, op waardige wijze te arbeiden. AI kan men niet ontkennen, dat er nog een onafzienbaar terrein om te bewerken braak ligt, toch mag men de gemaakte vorderingen niet uit het oog verliezen. Vooral het laatste decennium kan op vruchtbare werkzaamheid wijzen. Was vóór dien tijd het godsdienstig leven in onze gemeente beperkt tot het centrum der stad en tot die gedeelten, niet zoo ver van dat centrum verwijderd, thans is dit uitgebreid over geheel Groot-Amsterdam. Reeds in het begin dezer eeuw vestigden zich vele Joodsche families in de toenmalige Watergraafsmeer. In de andere buitenwijken der stad zien wij ditzelfde eerst veel later. De eerste jaren na den oorlog kenmerkten zich o.a. door een schrikbarenden woningnood. Om aan dit euvel tegemoet te komen verrezen er om het oude Amsterdam al spoedig geheele, nieuwe wijken, waar zich natuurlijk ook Joden vestigden. In Oost en West, in Zuid en Noord ontstonden uitgebreide periferieën. Vestigden zich in die buitenwijken in de eerste plaats die Joden, die men gerustelijk met den naam van „liberalen” mag bestempelen, eerst later zien wij de meer behoudenden, door de noodzakelijkheid meestal gedwongen, hun woonplaats elders, dan in het oudere gedeelte der stad, kiezen. Hoe dit te verklaren?

Maakte de liberale Jood zich gemakkelijker van het oude getto los, juist omdat geen band van godsdienstig bewustzijn hem meer bond, voor den orthodoxen geloofsgenoot was deze noodzaak om zich te verplaatsen veel pijnlijker. En wat zien wij nu?

De vrijzinnige Jood, losgemaakt van het Joodsche centrum, verlangt er niet meer naar terug. Maar hij verlangt iets anders. En ook daarin nu is, mijns inziens, een symptoom van die godsdienstige opleving, aan het begin van dit opstel gereleveerd, merkbaar. Hij verlangt in de wijk, waarin hij zich gevestigd heeft, een nieuw, eigen Joodsch centrum. Een onverwelkbare eerekrans heeft Opperrabbijn Onderwijzer zich gevlochten door het initiatief dat hij nam, om te geraken tot de oprichting der verschillende Joodsche buurtvereenigingen, daarin gesteund door de Rabbijnen. Mijn taak zij het, hier te trachten een overzicht te geven van het Joodsch leven en van de lotgevallen der Joodsche buurtvereeniging in Amsterdam-Noord. En wel nu, omdat zondag 24 maart a.s. in vervulling zal gaan de hartewensch van vele Joodsche bewoners benoorden het IJ, omdat dan de kroon gezet zal worden op het onvermoeibaar streven der bestuurderen van de Joodsche buurtvereeniging aldaar.

In 1918 vinden wij reeds sporen van georganiseerd Joodsch leven in Amsterdam-Noord. In het zogenoemde Bloemendorp aldaar, dat thans spoedig zal verdwijnen, was een aantal Joodsche gezinnen gevestigd, waarvan sommigen zich beijverden om te geraken tot de stichting van een Joodsche vereeniging. Mochten hun pogingen in den beginne succes hebben, en kwam men inderdaad tot de oprichting eener vereeniging „Vriendschap zij ons doel” genaamd, wier doel het was „de belangen der in het Noordelijk stadsgedeelte gevestigde Israëlieten te behartigen”, lang bleef echter deze vereeniging niet bestaan. Een belangrijke zaak echter hebben wij aan haar te danken. Op instigatie van haar bestuur namelijk, hetwelk godsdienstonderricht verlangde voor de kinderen zijner leden, drong het Rabbinaat der N.I. Hoofd-synagoge bij het schoolbestuur er op aan, een Joodsche school aan de overzijde van het IJ te vestigen, welke school in december 1918 geopend werd aan den Laanweg, waar zij thans nog gevestigd is.

Een tweede poging om bewust Joodsch leven te scheppen in Amsterdam-Noord gaat uit van Opperrabbijn Onderwijzer. Door tusschenkomst van den heer B. A. Koopman, later ijverig bestuurslid en voorzitter van Sjoloum Wereingoes, worden er in februari 1920 circulaires verspreid, door den Opperrabbijn geteekend, waarin bij de Joodsche bewoners wordt aangedrongen om, ter versterking van het Joodsche saamhoorigheidsgevoel, een Joodsche wijkvereeniging te stichten. Een aantal Sjabbosous kwamen des ochtends eenige heeren bijeen ten huize van den heer Goudeket, om te trachten met Minjan het gebed te verrichten. De geringe medewerking, welke men bij een en ander ondervond, deed ook dit weldra falen. In het jaar 1922 zou het echter beter gaan.

In de maand juni van dit jaar begon Rabbijn L. H. Sarlouis iederen zondagochtend zitting te houden ten huize van den heer M. Poons, aan de Ranonkelkade. Bijna zonder onderbreking heeft hij tot nu toe dit wekelijksche bezoek aan den overkant van het IJ gebracht. En dit is zeker wel een van de oorzaken geweest, dat de in ditzelfde jaar gestichte Joodsche buurtvereeniging haar werk heeft kunnen voortzetten en het op een hoogte, welke het thans bereikt heeft, kon brengen. Op woensdag 19 Juli 1922 werd wederom op initiatief van Opperrabbijn A. S. Onderwijzer een groote openbare vergadering uitgeschreven voor alle Joodsche bewoners in Amsterdam-Noord in het café „Het oude Tolhuis”. Aan dezen oproep gaven thans velen gehoor. De vergadering stond onder de voortreffelijke leiding van Rabbijn Sarlouis. Men kwam tot de oprichting eener Joodsche buurtvereeniging, onder den naam van „Chizoek Emmoeno” met als doel de behartiging der Joodsche belangen benoorden het IJ. Een voorloopig bestuur werd gekozen en reeds den 30sten juli werd de naam der vereeniging „Chizoek Emmoeno” om verschillende redenen veranderd en kreeg zij tot naam „Sjoloum Wereingoes” (Vrede en Vriendschap), onder welken naam zij nu bekend is. Geestelijk adviseur der Vereeniging werd Rabbijn L. H. Sarlouis.

Daar van de drie grondzuilen van ons Jodendom: Touroh, ‘Awoudoh en Gemiloes Gassodiem, de eerste al eenigszins gefundeerd was in den vorm van de Joodsche school, meende de Geestelijke Adviseur met het volijverige bestuur, daaraan aansluitend ,,’Awoudoh” als voornaamste punt op het werkprogram der vereeniging te moeten plaatsen, Gemiloes Chassodiem aan ieder lid individueel overlatend. En inderdaad werden dan ook de eerste godsdienstoefeningen aan den overkant van het IJ gehouden op Rousj Hasjonoh (5683) en Jom Hakkiepoeriem in het IJ-paviljoen en op Soekkous ten huize van den heer J. Viskoop aan den Distelweg. De benoodigdheden voor deze diensten werden op welwillende wijze door het kerkbestuur der N.I.H.S. verstrekt. Ook op Sjabbos Chanoekoh van dat jaar, evenals op Poeriem en Pesach, werden de sjoeldiensten door den heer Vorst ten huize van den heer Viskoop verricht. Vanaf den eersten Sjabbos na Pesach van het jaar 1923 werden er elke week de diensten gehouden door den heer H. Hammelburg. die ook nu nog bij „Sjoloum Wereingoes” als Gazan fungeert. Al spoedig echter werd de ruimte ten huize van den heer Viskoop te klein, zoodat vanaf 1 januari 1924 de Sjoel in de bovenzaal van het Tolhuis werd gevestigd. De moeilijkheden echter, die zich daar bij de godsdienstoefeningen in den loop der jaren voordeden, wettigden ten zeerste de plannen, die geopperd werden, om te geraken tot de stichting van een eigen Sjoellokaal. De vereeniging beperkte haar werkzaamheden echter niet slechts tot de bevordering en instandhouding der synagogediensten. Ook andere zaken vorderden haar aandacht. Zoo werden talrijke cursusavonden en lezingen georganiseerd. Vooral de cursussen, op bevattelijke en tevens aangename wijze geleid door Rabbijn Sarlouis, mochten en mogen zich altijd in een vasten kring van trouwe bezoekers verheugen.

Op allerlei wijzen trachtte „Sjoloum Wereingoes” verder het Joodsche leven in het Noordelijk stadskwartier te bevorderen. Ouderavonden werden belegd, waarop contact gezocht werd met de ouders der kinderen, die de Joodsche school bezoeken. IJverige propagandisten uit het bestuur der vereeniging spoorden steeds de ouders aan hun kinderen de Joodsche school te laten bezoeken en deden en doen al het mogelijke tot het weren van het bij het Joodsch godsdienstonderwijs zoo veelvuldig voorkomend en zoo fnuikend werkend schoolverzuim. In de verschillende wijken, waarin Amsterdam-Noord weer is onderverdeeld, werden bijeenkomsten belegd, om de bewoners dezer wijken nog in het bijzonder eens het doel en streven der vereeniging uiteen te zetten en tot werkzaam aandeel aan haar arbeid op te wekken, zoo o.a. in juni 1927 in het toen pas voltooide Asterdorp.

Ondertusschen had het Bestuur verschillende wijzigingen ondergaan. Zoo was in juli 1925, na het aftreden van den heer B. Reiss als voorzitter, de heer B. A. Koopman als zoodanig gekozen. De heer Koopman heeft zich in deze functie zeer verdienstelijk voor Sjoloum Wereingoes gemaakt, hetgeen ook duidelijk bleek, toen in september 1928, bij zijn verhuizing naar elders, hem het eerelidmaatschap der vereeniging werd aangeboden. In 1926 werd op initiatief van Sjoloum Wereingoes een bond van Joodsche buurtvereenigingen opgericht, onder den naam van „Beries Sjoloum”. Aangesloten bij dezen bond zijn Sjoloum Wereingoes, als oudste der bestaande Joodsche buurtvereenigingen, Benei Teimon (in Zuid), Nachaliel (in Oost) en Ahawo Weachawo (in West). Langzamerhand echter werd het verlangen naar en de noodzakelijkheid van een eigen vereenigingslokaal steeds sterker gevoeld. Begin 1926 reeds werd het kerkbestuur met klem op den onhoudbaren toestand gewezen. Immers de goede voortgang der synagogediensten werd ernstig belemmerd door het feit, dat deze nog steeds in een café gehouden werden. Toen al werden er voorstellen gedaan om tot de stichting van een vereenigingscentrum te geraken. In verband hiermede werd op 26 januari 1926 een Feestcommissie benoemd, die de noodige gelden zou bijeen brengen, om bij een eventueele opening van het te stichten lokaal een waardig geschenk namens de leden van Sjoloum Wereingoes te kunnen aanbieden. Deze commissie heeft onder leiding van haar actieven voorzitter zeer veel tot stand weten te brengen. Het zou echter nog lang duren, voordat het beoogde doel bereikt zou zijn.

Het nieuwe Synagoge-lokaal in Amsterdam-Noord (over het IJ), dat op Zondag 24 Maart a.s. zal worden ingewijd.

Eerst in november 1927 kwam het kerkbestuur met zijn bekend winkelhuisplan, om namelijk op een terrein, gelegen aan het Mosveld, een huis te bouwen, het benedengedeelte als winkel te verhuren en de bovenverdieping tot sjoellokaal in te richten, welk plan nog al wat kritiek uitlokte. In de Kerkeraadsvergadering van den 23sten oktober 1928 werd het kerkbestuur verzocht, vooralsnog de kwestie „Sjoellokaal over het IJ” op een andere wijze op te lossen. De oplossing kwam snel en afdoende in Januari van dit jaar. Het bestuur van „Sjoloum Wereingoes” kreeg namelijk bericht van den pachter van het Tolhuis, dat het café 1 april wegens restauratie gesloten zou worden, zoodat men van dien datum af de Sjoeldiensten ergens anders zou moeten houden. Wat nu te doen? Men besloot naar een gelegenheid om te kijken, waar voorloopig de sjoel gevestigd zou kunnen worden. Het geluk diende echter. Men vond niet alleen dat, wat men zocht maar bovendien was voor het kerkbestuur de moeilijke kwestie op eenvoudige wijze opgelost. Men wist namelijk de hand te leggen op een ruim winkelpand, gelegen aan de Latherusstraat, hoek Mosveld, dat voldoende ruimte bood voor synagoge annex vereenigingslokaal. De winkel met het bovenhuis werd voor 5 jaar gehuurd en met bekwamen spoed toog men aan den arbeid, om zoo spoedig mogelijk met de inrichting van het lokaal gereed te zijn. Den 17den juli 1928 verkreeg Sjoloum Wereingoes de Koninklijk goedkeuring op haar statuten. In december 1928 werd op eenvoudige wijze het tienjarig bestaan der Joodsche school herdacht, welke op zegenrijke wijze, onder de eminente leiding van mej. E. de Jonge Urbach (Elisabeth de Jonge Urbach; Amsterdam, – Sobibor, – red), haar taak in Amsterdam-Noord verricht.

Ook Beis Jisroeil strekt thans haar werkkring naar den overkant van het IJ uit. Sinds eenigen tijd worden er door haar wekelijksche bijeenkomsten georganiseerd in het Asterdorp, voor welke bijeenkomsten, als leiders en leidsters, bewoners van den overkant zich spontaan hebben aangeboden.

Veel is er nog te doen voor Sjoloum Wereingoes doch veel is ook al bereikt. Doch dit kon en kan ook niet anders. Immers de Geestelijke Adviseur, Rabbijn Sarlouis, vuurt met zijn bezielend woord aan tot groote en grootsche daden. Geen moeite is hem te veel, weer en wind trotseert hij, waar het geldt bewust Jodendom te kweeken, de Joodsche vonk, die altijd nog gloeit in de harten der menschen, te doen oplaaien tot een warmen, bezielenden gloed. Veel, onnoemelijk veel heeft Rabbijn Sarlouis voor Slojoum Wereingoes gedaan. Het wakkere bestuur, onder voorzitterschap van den heer J. Frankfoorder, kan met voldoening op den afgelegden weg terugzien. Als zondag 24 maart 1929 het synagogelokaal ingewijd wordt door Amsterdam’s grijzen opperherder, zal de kroon gezet worden op het onvermoeibaar streven en den nooit falenden ijver van den eminenten Geestelijken Adviseur en zijn noeste helpers, het bestuur en de feestcommissie.

Moge onder Godes rijken zegen Sjoloum Wereingoes een tijdperk van verhoogde bloei tegemoet gaan, moge de godsdienstzin harer leden groeien, zoodat het sjoellokaal bij de diensten steeds gevuld zal zijn met een talrijke schare. Moge Sjoloum Wereingoes steeds voor oogen houden het mooie devies, waarmede haar Geestelijke Adviseur zoo vaak zijn altijd boeiende en bezielende woorden eindigt: „Het zal en het moet!”

 

bron:
De vrijdagavond; joodsch weekblad jrg 5, 1929, no 50, 15-03-1929. Geraadpleegd op Delpher op 01-05-2021, http://resolver.kb.nl/resolve?urn=dts:37452:mpeg21:0001

gepubliceerd:
1 mei 2021