Robert van Furths zoektocht

Robert van Furth hoopt dat hij binnenkort weer een blik kan werpen op de herdenkingsplaquette die hij als jongetje in het Provinciaal Ziekenhuis bij Santpoort-Zuid onthulde. FOTO TACO VAN DER EB

door Carlo Nijveen
Robert van Furths zoektocht naar oorlogsgeschiedenis van zijn familie is bijna ten einde: ’De oorlog loopt als een rode draad door mijn leven’.

Zo’n 200 Joodse onderduikers houden zich tijdens de Tweede Wereldoorlog schuil in een ziekenhuis bij Santpoort-Zuid. Robert van Furth is een van hen.
Als vierjarig jongetje onthult hij daar na de bevrijding een plaquette die de herinnering aan de onderduikers én de hulp die zij kregen levend moet houden. Het ziekenhuis bestaat niet meer. Daarom wil Van Furth dat de plaquette een plek krijgt in een museum.

Robert van Furth kan zich opmaken voor een zeer memorabel moment. Tenminste, dat hoopt hij. Als alles meezit, loopt Van Furth over enige tijd het volledig gerenoveerde Museum van de Geest ’t Dolhuys in Haarlem binnen. Om daar weer een blik te kunnen werpen op de plaquette die Joodse onderduikers ruim zeventig jaar geleden mede uit naam van zijn familie cadeau gaven aan de directie en het verplegend personeel van het voormalige Provinciaal Ziekenhuis bij Santpoort-Zuid.

Robert van Furth met zijn ouders Max en Betty. PARTICULIERE FOTO

Taboe
Stilzwijgen. Van jongs af aan wordt Van Furth daarmee geconfronteerd, als hij probeert helderheid te krijgen over de tragische gebeurtenissen die zich tijdens de Tweede Wereldoorlog rond zijn ouders, grootouders en andere familieleden hebben afgespeeld. Ook over het onderduikersbestaan in het Provinciaal Ziekenhuis – van oorsprong een psychiatrische zorginstelling – krijgt hij van z’n dierbaren weinig of niets te horen. Net als in veel andere Joodse gezinnen is praten over de oorlog voor hen taboe.
Van Furth (77) is dan ook decennialang bezig geweest met speurwerk. Zijn ouders Max en Betty moeten ergens in de zomer van 1942 in het Provinciaal Ziekenhuis bij Santpoort-Zuid zijn beland, met hulp van een bevriende arts. Niét wegens psychische nood, maar omdat ze in hunwoonplaats Amsterdam door hun afkomst steeds meer gevaar lopen. Betty van Furth is dan al zwanger van Robert.
„Niet alleen mijn ouders, ook m’n grootouders van moederskant zaten in het Provinciaal Ziekenhuis. We verbleven daar niet heel lang. Al vrij snel na mijn geboorte, op 25 oktober 1942, zijn we teruggegaan naar Amsterdam. Wanneer dat precies was en waarom? Dat weet ik nog steeds niet. We kwamen terecht op verschillende onderduikadressen. Mijn ouders op twee hoog aan de Maasstraat. Ik in een woning op een daarboven gelegen etage, bij een verzetsman.”

In eerste instantie lijkt het goed te gaan. Van Furth: „De verzetsman bij wie ik was ondergebracht, kende een vrouw die ook bij de ondergrondse zat: een zekere Sophia Maria Leijdel. Zij heeft in de oorlog een heel merkwaardige en ook kwalijke rol gespeeld. Leijdel werkte namelijk óók voor de Duitsers. Op een gegeven moment zorgde zij ervoor dat mijn ouders zich elders in Amsterdam, in een woning aan de Jacob van Lennepkade, konden schuilhouden.
Ook ik kwam daar eind 1943 terecht. Maar omdat in dat huis nog twee andere onderduikers zaten, heeft Leijdel mij een tijdje later uit voorzorg naar het oosten van het land gebracht, naar Kampen. Dat vind ik nog altijd heel vreemd, gezien haar collaboratie met de Duitsers. Mij heeft ze dus in zekere zin het leven gered.

Terwijl mijn ouders daarna vrijwel zeker door haar toedoen zijn opgepakt en weggevoerd.” Van Furths ouders blijven na zijn vertrek achter in Amsterdam. Daar slaat begin 1944 het noodlot toe. „Op 5 januari stonden Nederlandse politieagenten op de stoep. Een van de andere onderduikers wist als enige te ontsnappen. Mijn vader was net even buiten en werd meteen meegenomen. M’n moeder verstopte zich in een kast in de woning. Maar ook zij werd door die agenten gevonden. Ze belandde via Westerbork in Auschwitz. Waar ze in juli 1944 overleed. Ze zou aan tyfus zijn bezweken.”

Verraden
Roberts vader moet in werkkampen bij Auschwitz dwangarbeid verrichten, belandt daarna in Buchenwald en wordt uiteindelijk in Dachau bevrijd, door Amerikaanse troepen onder leiding van generaal Eisenhower. Van Furth: „Mijn ouders zijn zeer waarschijnlijk door Leijdel verraden, nadat zij een keer ruzie had gekregen met m’n vader. Omdat hij haar in persoonlijke bezittingen zag rondsnuffelen.

Leijdel was goed bevriend met Gerrit Mozer, een berucht Jodenjager. Ze is na de oorlog ook gestraft. De aanklager eiste dat Leijdel een levenslange gevangenisstraf zou worden opgelegd. Maar uiteindelijk kreeg ze slechts twaalf jaar cel.” Van Furth vervolgt: „Nadat ik bij mijn ouders was weggehaald, was ik aanvankelijk dus ondergebracht in Kampen. Daar werd ik blijkbaar erg verwaarloosd. Uiteindelijk ben ik in Nijverdal terechtgekomen.

Daar maakte ik de bevrijding mee, door Canadese troepen. Mijn moeder was dus al gestorven. M’n vader vertelde me later dat hij van het Rode Kruis te horen kreeg waar ik zat. Eind 1945 werden wij in Nijverdal herenigd.” Een weerzien met een gitzwarte rand. Naast Roberts moeder blijken ook veel andere familieleden de oorlog niet te hebben overleefd. Van Furth senior hertrouwt in 1946. Maar de komst van deze nieuwe huisgenote – eveneens een concentratiekampslachtoffer – brengt voor Robert geen troost.

Ook door het verlies van m’n biologische moeder is mijn oorlog pas ná de oorlog begonnen

Getraumatiseerd
„Mijn vader was door de oorlog zwaar getraumatiseerd, net als zijn tweede vrouw. Ook om haar niet te kwetsen, weigerde hij over m’n moeder te praten. Pas toen ik een jaar of acht was, heeft m’n vader verteld dat de vrouw die bij ons in huis woonde niet mijn echte moeder was. Daarvoor wist ik het eigenlijk al. Ik voelde het, intuïtief. Ook door het verlies van m’n biologische moeder is mijn oorlog pas ná de oorlog begonnen. Mijn tweede moeder kwam in Nederland terug met een kogel in haar been. Zij werd door de nazi’s ergens voor dood achtergelaten in een greppel en is gered door de Russen. Ze probeerde een moeder voor mij te zijn. Maar omdat ook zij met een trauma worstelde, was dat natuurlijk moeilijk.” Met vallen en opstaan lukt het Robert van Furth de naoorlogse jaren door te komen en stukje bij beetje een eigen bestaan op te bouwen. Anno 2020 woont hij in Lisse, met zijn tweede vrouw. Uit een eerder huwelijk heeft hij twee kinderen, een zoon en een dochter. En na een werkzaam leven heeft Van Furth enige tijd terug de deur van zijn eigen zaak definitief achter zich dichtgetrokken.

Aandacht voor plaquette en onderduikers tijdens expositie
Museum van de Geest ’t Dolhuys wil bij een grote tentoonstelling over gebeurtenissen in instellingen voor psychiatrische patiënten en verstandelijk gehandicapten tijdens de Tweede Wereldoorlogóók aandacht schenken aan het relaas van voormalig onderduiker Robert van Furth. Dat laat collectiebeheerder Willem Oosterbaan van het museum desgevraagd weten.
De plaquette die Van Furth kort na de bevrijding in het voormalige Provinciaal Ziekenhuis bij Santpoort-Zuid onthulde, zal volgens de collectiebeheerder eveneens deel uitmaken van deze expositie. De tentoonstelling is naar verwachting in de lente en zomer van 2021 te zien.
Het Haarlemse museum kan volgende maand – na ingrijpende verbouwingswerkzaamheden – de deuren weer openen. Uitzonderlijke gebeurtenissen die zich tijdens de Tweede  Wereldoorlog in Nederlandse psychiatrie- en gehandicapteninstellingen hebben afgespeeld, zijn volgens collectiebeheerder Oosterbaan tot nu toe ’vrijwel verborgen gebleven’.
Daarin wil het museum verandering brengen. Niet alleen met de tentoonstelling, maar ook met andere activiteiten.
De expositie wordt opgezet in samenwerking met Stichting Vergeten Slachtoffers, instituutvoor oorlogs-, holocaust- en genocidestudies NIOD en nabestaanden van oorlogsslachtoffers. Naast historisch-wetenschappelijke feiten kunnen bezoekers ook kennisnemen van persoonlijke verhalen. Oosterbaan: „Er zal daarbij onder meer aandacht zijn voor de Joodse onderduikers in het Provinciaal Ziekenhuis nabij Santpoort. Wij willen het glasmozaïek dat in 1946 ter herinnering door Robert van Furth werd onthuld in de tentoonstelling opnemen. In combinatie met zijn persoonlijke verhaal. Door aandacht voor alle slachtoffers in Nederlandse instellingen in de Tweede Wereldoorlog geven we hen niet alleen erkenning. Ook kunnen uit hun situatie en lotgevallen morele lessen worden getrokken die in de huidige tijd maatschappelijk relevant zijn.”

Over wat zich in de Tweede Wereldoorlog rond de voormalige onderduiker, zijn ouders en andere familieleden heeft afgespeeld, zijn inmiddels vrijwel al z’n vragen beantwoord. Toch koestert Van Furth nog een vurige wens: de plaquette terugzien die in zijn ogen symbool staat voor de hulp die hij en 200 andere Joden tijdens de bezetting kregen, in dat ene ziekenhuis bij Santpoort-Zuid.

Het glasmozaïek is nu nog te vinden in een opslagruimte van Museum van de Geest ’t Dolhuys, dat wordt gerenoveerd. Wat Van Furth betreft, wordt het zo snel mogelijk ergens tentoongesteld.

Ook Paul Kuiper van de Historische Kring Velsen pleit daarvoor. Als lid van deze vereniging heeft hij er bij ’t Dolhuys op aangedrongen de plaquette tijdelijk aan een ander museum uit te lenen. Maar daar is het niet van gekomen.

Van Furth: „De oorlog loopt als een rode draad door mijn leven. Als kind bouwde ik figuurlijk een muur om me heen, Ik heb door de omstandigheden veel ongelukken en ziektes gehad. Ik ben iemand die van ijsschots naar ijsschots springt. Maar ik zal de overkant halen.”

bron:
Carlo Nijveen, Roberts zoektocht is bijna ten einde in verschillende regionale dagbladen Mediahuis, zaterdag 24 oktober 2020.
Met toestemming van en vriendelijke dank aan Carlo Nijveen.
Met toestemming van Pascal van Dongen Chef onlineredactie Mediahuis Regionaal

laatst bijgewerkt:
27 oktober 2020