sjnorrers en andere bedelaars

Jan Poepenaatje
Sjnorrers voor de Neie Sjoel op het Jonas Daniel Meijerplein. Illustratie ook in Mozes Heiman Gans, Memorboek, platenatlas van het leven der Joden in Nederland van de middeleeuwen tot 1940 (Baarn 1971) 658

Hoe Jan Poepenaatje aan zijn bijnaam kwam, dat is (nog niet) bekend. Jan Poepenaatje was een bekende sjnorrer…  En hij was niet de enige. Binnen Joods Amsterdam waren er meer sjnorrers en velen van hen kregen bijnamen. Zo zijn bekend:
Kiksie Eenoog, Moossie (Jan)-poep-een-uitje, Anna-je-moer, Jossie Hondemepper, Jaggetje, Moessie-pieppie, Mesjoggene Gans, de President van de Rechtbank, de Chocoladerijksdaalder, Boelie Flikflak, Saartje Paardepoot, Mietje Slagtand, Simon Pijpekop, Feissie Bonenkakker en wellicht nog meer.
Een sjnorrer noemen we in het Nederlands vaak een bedelaar maar toch is er een verschil: een bedelaar vraagt, een sjnorrer krijgt en is zich bewust van zijn belangrijk taak in de Joodse samenleving, want door hem is het mogelijk dat men voldoet aan de belangrijke religieuze plicht van de ‘tsedoke’, de gift aan de armen.

Jan Poepenaatje was de bijnaam van de man van het het echtpaar Sterrekoeker. Zij hingen samen met Japie Schapendief op het Jonas Daniël Meijerplein rond, onder andere bij de deur van de Grote Synagoge (foto boven, het echtpaar Sterrekoeker bij de uitgang van de Nieuwe Sjoel, de trap en het ijzeren hek is van het huis van Rosa Hamburger, de houten overkapping zat bij de ingang van de sjoel). Daar gingen ze staan wanneer er een choppe was (huwelijk), in de hoop dat ze wat toegestopt kregen van de goedgeluimde bruiloftsgasten die de sjoel uitkwamen.
Wat nog bekend is is dat de Sterrekoekers veel ruzie hadden. Ze scholden en vloekten op elkaar dat het een lieve lust had. Het paar heette in het echt De Boer (de man heette Meijer de Boer) en ze hadden twee kinderen, de een startte een kolenhandel, de ander werd poelier. De Sterrekoekers zongen op straat en ze handelden in carbolstenen. Carbolstenen was een blok aan een touwtje tegen vlooien, vliegen, muggen en de stank. Op de plee, of op de beer-emmer, kon de carbolsteen de stank nog enigszins verdrijven. En ze bedelden. De uitgang van de sjoel was een favoriete stek. Ze leefden van de giften van de (Joodse) buurtbewoners.
Van Meijer de Boer is er een gedicht overgebleven. Hij zong het omdat de gemeente in 1892 had besloten de markt van de Nieuwmarkt / Jodenbreestraat naar het Waterlooplein te verhuizen – wat toen op aardig wat weerstand stuitte. Het gedicht van Meijer werd gezongen in een in “De Doofpot” opgevoerde revue:

“De gemeenteraad heeft besloten.
Dat je moet naar ‘t Waterlooplein.
Zowel de kleinen als de grooten.
Gedoemd zijn daar te zijn.
Maar nu vraag ik U:
It ‘t geen schande,
Te komen aan zijn brood,
Wat zeg jij, wat zeg jij,
Nee we willen niet,
En wij kunnen niet”.

Zagen Poepenaatje, Schapendief en Sterrekoeker zich als bedelaars? Waarschijnlijk niet. De Tenach schrijft immers voor dat vrome Joden goede daden moeten doen. Goede daden zijn een van de mitswot, een van de geboden. Sjnorrers stelden de gelovige Joden in staat om deze mitsweh na te komen en dat zij daarbij hielpen.
Jan was overigens een invalide man. Hij werd door de nazi’s gearresteerd aan het einde van 1941 of het begin van 1942. Dat gaf veel onrust in de Joodse buurt. In de literatuur komt overigens ook de naam Eitje-Poepeneitje voor, wellicht was dit dezelfde persoon.

Japie Schapendief wordt ook herinnerd. Joop Emmerik meldde over hem: “Je had ook Japie Schapendief, ik zie hem nog zó lopen met z’n stokkie. Als de mensen gingen trouwen, dan stond hij te bedelen, wij noemen dat ‘bietsen’. En als hij nou wat kreeg, dan zei hij: “Mazzel en broche voor je hele misjpoge”, dus veel geluk voor je hele familie, he.”
Japie Schapendief was een porder. Met een knoestige stok sloeg hij op de huisdeuren wanneer de mensen wakker moesten worden. Dat was natuurlijk van te voren afgesproken en daarvoor werd Japie betaald.
Zijn klanten gaven hem een scheldnaam, Slapendief, maar die l werd onder invloed van Amsterdam-Jiddisch een ch en vandaar…. Schapendief. Waarschijnlijk was Japie Schapendief Jacob van Gelder (maar de naam Mossel wordt ook genoemd) en kwam van buiten de stad. Een buitenmannetje dus, een mediene-stamper. Japie viel op in de stad door de vele jassen die hij droeg en zijn onvolwaardige benen.

Joedele Saar
Joedele Saar

Joden Saar (Joedele Saar)
Joden Saar maakte muziek en bedelde op deze wijze. Haar zang was onverstaanbaar en de manier waarop ze met de gitaar omging verried weinig inzicht in de werking van dit instrument. Ze was altijd in gezelschap van haar twee kinderen, waarbij het ene kind al die jaren 18 maanden bleef, en het andere kind, verstopt tussen haar rokken, een jaar of 8.
Ze woonde in de Duvelshoek, een aantal stegen met zeer arme bewoners op de plek waar nu het Tuschinski theater staat.

bron:
interview C Aldewereld juni 2013,
trouw 21 sep 1999,
interview Johannes Zoutberg voor Netherlands Documentation Project,
Sluyser, Meyer, “hun lach klinkt van zo ver“,
Meijer, Jaap, Het verdwenen Ghetto (Amsterdam 1948) 11
gedicht Meijer de Boer Herinneringen aan oud-Joods Amsterdam, bijlage bij Hakehilla, 30e jaargang nummer 1, september 1984, 6.
Eitje-Poepeneitje: “Kippesoep was ondenkbaar zonder saffraan” in Tamara Benima, “Kippesoep was ondenkbaar zonder saffraan” (Den Haag 1983) 59

Illustratie
Joedele Saar tekening Braakensiek

Laatst bijgewerkt:
27 september 2019