don bamberg – interview Trouw/Ruud van Heese – 02/05/09

bambergdon2
Don Bamberg heeft in meer dan zeven concentratiekampen gezeten. Hij is er laconiek van geworden. En gevoelsarmer. Maar niet wraakzuchtig. “Ik kijk naar de mens.(FOTO MARCO HOFSTRA)

Donald Bamberg werd geboren op 30 januari 1920 als zoon van Tobias Bamberg (Okito) en Lilian Poole. Hij overleed op 31 januari 2013.
Donald Bamberg hoort bij de Bamberg-dynastie, een dynastie van illusionisten en goochelaars. Don is zelf nooit illusionist geworden, was wel de zoon van Okito en de broer van Fu Manchu. Het verhaal van Don is anders, hij overleefde 11 concentratiekampen.
In dagblad “Trouw” werd met hem een interview geplaatst en met de vriendelijke toestemming mag dat interview voor deze site worden overgenomen.

Toen zijn neefje op school vertelde dat oom Don in zeven concentratiekampen had gezeten, reageerde de leerkracht sceptisch. „Zeven? Dat is wel wat veel.” Maar Don Bamberg had mild gereageerd. „Zeg maar tegen je juf dat ik het ook wel wat veel vond.”

‘Mach’s gut”, fluisterde de Feldwebel van de Wehrmacht bemoedigend, toen hij Don Bamberg op 15 november 1942 afleverde bij het doorgangskamp Amersfoort. Voor zijn gevangene begon een reis door de kampen die tot mei 1945 zou duren. Bamberg was wegens spionage ter dood veroordeeld. Maar het vonnis werd omgezet in een ‘Nacht und Nebel’-bevel. Daarmee duidden de Duitsers gevangenen aan die als het ware moesten oplossen in de duisternis en de mist. Nooit zou iemand nog iets mogen horen van Don Bamberg.

Na Amersfoort volgden Buchenwald, Natzweiler, Sennheim, weer Natzweiler, Dachau, Neuengamme, Engerhafen, opnieuw Neuengamme, Gross-Rosen, Dora Mittelbau, Ravensbrück en Malchow.

Dat zijn er toch meer dan zeven?

„Jawel… Maar Sennheim was een buitenkamp van Natzweiler, en Engerhafen van Neuengamme. En in Malchow ben ik maar één dag geweest”, relativeert Bamberg. Even later: „Het hoofdkamp van Dachau heb ik eigenlijk alleen maar vanuit het aangrenzende quarantainekamp gezien.”

Met zijn tweede echtgenote Ax bewoont hij een comfortabele flatwoning in Den Haag, niet ver van de badplaats Kijkduin. Zijn werkkamer is zijn verleden. Boeken over de Tweede Wereldoorlog. Mappen met brieven. Foto’s van kampvrienden. Een stuk graniet uit de steengroeve van Natzweiler. Een sigarettendoosje, gemaakt van aluminiumresten van een vliegtuigmotor. Aan de wand, achter glas, onderscheidingen en herinneringstekens.

In de tegenovergelegen eetkamer praat Bamberg. Hij praat en hij rookt. Een slanke man. Vroeger rijzig, nu enigszins gebogen. Lopen is lastig. Hij is weliswaar nog voorzitter van de Stichting Nationaal Dachau Monument, maar herdenkingsbijeenkomsten bezoekt hij al een tijdje niet meer. Zien is moeilijk door een oogkwaal, waartegen de bril met gele glazen het aflegt. Lezen gaat niet. Een bevriende buurvrouw, die hij al kent sinds ze een klein meisje was, leest hem geregeld voor. Het wereldnieuws volgt hij vooral op het gehoor.

Wat hij meekrijgt, stemt hem niet vrolijk. „Wij dachten dat we een goede wereld zouden binnenstappen als Hitler eenmaal was verslagen. Een paradijs. Maar het tegendeel bleek waar. We hebben nog nooit zoveel oorlogen gehad als daarna. Dat was een geweldige teleurstelling. Op een gegeven moment heb ik besloten wat meer afstand te nemen.”
Zoals zovelen had hij na de bevrijding, die voor hem in Duitsland kwam, maar één doel voor ogen: de achterstand inhalen, en zorgen voor brood op de plank. Hij runde van 1946 tot 1952 een agentschap van de Volkskrant in Den Haag. Later werd hij directiesecretaris op de afdeling buitenland van verzekeringsmaatschappij De Zeven Provinciën. Hij maakte carrière, werd procuratiehouder en chef van het bureau buitenland. Zijn kampervaringen verzweeg hij. Daarover praatte hij alleen met kampvrienden en mensen die hem na stonden.

Was dat voldoende om het leed te verwerken?

„Ik dacht dat ik het daarmee allemaal wel had afgesloten. Ik kon er neutraal over praten. Maar tegen mijn 50ste kreeg ik toch last. Woedeaanvallen, onbeheerstheid, onredelijkheid. Op kantoor voerde ik eens een telefoongesprek. Twee collega’s stonden achter me, de directeur erbij. Ik voelde de woede opkomen. Het liefst had ik ze alle drie een optater verkocht.”

Op een Buchenwaldreünie hoorde hij voor het eerst van het begrip ‘postconcentratiekampsyndroom’. Hij zocht steun bij dokter Hers, zelf oud-kampbewoner. Stoppen met werken, vandaag nog, luidde diens advies. „Ik heb nog een paar maanden doorgewerkt. Daarna ben ik 25 jaar vrijwilliger bij de Stichting ’40-’45 geweest. Ik ben reünies blijven bezoeken en bij de Natzweilergroep blijven hangen.”

Ax, met wie hij trouwde na het stranden van zijn eerste huwelijk, spoorde hem aan zijn ervaringen op papier te zetten. Bamberg: „Ik probeerde het in de derde persoon. Maar het lukte pas toen ik overging op de ik-vorm. Dat is mijn therapie geweest.” Aan publicatie dacht hij aanvankelijk helemaal niet. Maar uitgever Van Holkema & Warendorf toonde belangstelling. In 1985 verscheen Dossier NN, Nacht und Nebel.

Zou hij zijn leven weer op het spel zetten?

„Ik geloof het wel… Ja, ik weet het wel zeker. Ik kan nog steeds niet de andere kant op kijken als er iets voor mijn ogen gebeurt.”

Dat had hij als jongen al. In Wenen, waar hij van zijn vierde tot zijn dertiende woonde, zag hij hoe fanatieke nazi’s politieke tegenstanders en joden in elkaar ramden. „Ik liep met vriendjes mee in demonstraties van het communistische Rotfront tegen de nazistische Heimwehr. Ik had geen idee waar communisten voor stonden, maar ik voelde een diepe afschuw jegens de nazi’s.”

Heeft u van huis uit meegekregen dat je moet opkomen tegen onrecht?

„Dat niet. Maar mijn Engelse moeder was niet bang haar mond open te doen. In ons Weens pension woonde ook een student. Aan de binnenkant van zijn revers droeg hij het speldje van de nazipartij. Toen mijn moeder dat zag, zei ze tegen hem: ‘Als je een vent bent, draag je dat aan de buitenkant!’”

Aan zijn moeder, Lillian Maud Poole, denkt hij met warmte terug. Zijn vader Theo Bamberg zag hij maar weinig. Theo was telg uit een geslacht van goochelaars en illusionisten. Onder de artiestennaam Okito had hij wereldwijd succes. Don werd als derde en jongste kind op 30 januari 1920 geboren in New York. In 1924 streek het gezin neer in Wenen. Toen Adolf Hitler in 1933 in Duitsland aan de macht kwam, verhuisde Don met zijn ouders naar Nederland. „Maar dat was geen politieke keuze”, zegt hij. „Mijn vader had geen benul van politiek. Hij wilde zich weer in zijn vaderland settelen.”

In Rijswijk kocht vader Bamberg een villa aan de Vliet. De sfeer was er idyllisch, vergeleken bij het grimmige Wenen. Maar het was voor Don wel wennen. „Ik sprak Duits met een Weens accent en Engels. Maar geen Nederlands. De middelbare school was een ramp. Ik had met Frans een grote achterstand. De lerares die mij bijspijkerde, leerde me meteen ook Nederlands. Mijn taalgevoel is altijd mijn enige talent geweest. Dáár heb ik mijn hele leven veel aan gehad.”

Het was in Rijswijk een komen en gaan van artiesten en uit Duitsland gevluchte joden. Hun schrijnende verhalen voegden zich bij de herinneringen aan de straatterreur in Wenen. Ze misten hun uitwerking niet. Maar de doorslag gaf het bombarderen van Rotterdam op 14 mei 1940.

„Ik had inmiddels een band gekregen met die stad. Ik werkte er, had er veel vrienden. In de meidagen vocht ik als onderofficier bij de Grenadiers in Den Haag. Aan de horizon zagen we de gloed van de branden. Na de capitulatie ben ik erheen gereden. De verwoesting… De lijkengeur… Toen ik de vraag kreeg of ik bij het verzet wilde komen, aarzelde ik niet. Ik was eigenlijk wel trots dat ik iets kon doen.”

Twee oude dienstmakkers polsten hem aanvankelijk voor de Ordedienst, de organisatie die in het geheim werd opgebouwd om te voorkomen dat Nederland ten prooi zou vallen aan chaos als de Duitse bezetter ooit verslagen zou zijn. Later vroeg de geheime dienst Bamberg voor spionagewerk. Voor de Engelsen maakte hij situatieschetsen van Duitse kuststellingen, militaire vliegvelden en wapendepots.

Was u zich bewust van de risico’s?

„Ik denk het niet. Mij kan niets gebeuren, dacht ik, een tikkeltje lichtzinnig. Ik had de pest aan de moffen. Ik voelde me trots. Ik hoopte dat door mijn toedoen de Engelsen een wapendepot of een vliegveld zouden kunnen bombarderen. Maar het was óók wel een beetje de zucht naar avontuur. Ik leefde toen wel héél intens. Mijn zintuigen functioneerden op topniveau. Dat voelde lekker.”

Een paar keer ging het bijna fout. ’s Nachts in de duinen bij Egmond aan Zee naderden Duitse soldaten hem tot op 30 meter. Hij hield zich zo stil mogelijk. Andere keren deed hij dat juist niet. Dan snauwde hij zich door nachtelijke controles heen door zich in authentiek Weens klinkend Duits uit te geven voor ‘Zivilingenieur’ Bayer van de Organisation Todt, de bouwmaatschappij van de nazi’s.

In juli 1941 kreeg hij een telefoontje. Een Nederlander die voor de Duitse Sicherheitsdienst werkte had hem verraden. Bamberg dook onder in Scheveningen. Daar werd hij op 19 augustus gearresteerd. De smoes van de SD-mensen had gewerkt: de verloofde van Bamberg had het adres gegeven. „Zij kende het schuiladres, was wel eens bij me op bezoek geweest.” Met een ironisch lachje: „Tsja, dat was natuurlijk niet helemaal volgens de veiligheidsvoorschriften.”

Twee maanden zat Bamberg in het Oranjehotel, de strafgevangenis in Scheveningen. Daarna werd hij overgebracht naar het huis van bewaring aan de Weteringschans in Amsterdam. Het Feldkriegsgericht had maar weinig tijd nodig: ‘Zum Tode verurteilt’. Na dertien maanden dodencel reisde hij via kamp Amersfoort als Nacht- und Nebelgevangene naar Duitsland.

Had u enig vermoeden wat u te wachten stond?

„Nee. Ik vond Amersfoort aanvankelijk een bevrijding na 13 maanden dodencel.”

Maar toen begon de ellende pas?

„Ja… Ik heb nog heel vaak naar die rotcel terugverlangd.”

In Buchenwald, bij Weimar, vormden honden, laarzen, zwepen en geweren het ontvangstcomité. Voor Bamberg dreigde de steengroeve. Maar toen zag hij een oude makker uit de Weteringschans terug. Sportleraar Jan Robert werkte in Buchenwald als masseur voor de SS’ers. Hij regelde dat Bamberg eerst op krachten kon komen in de ziekenboeg en daarna aan de slag kon op de administratie van de kampkleding. Otto Halle, de Duitse kapo, wilde dolgraag Engels leren van de nieuwkomer.

Bamberg: „Buchenwald heeft me echt het leven gered. Daar heb ik de kracht opgedaan om de kampen daarna te kunnen doorstaan. Onder de gevangenen waren de Duitse communisten de baas. Ze waren niet bij iedereen geliefd. Bekend was dat zij de namen van kameraden die op transport moesten doorstreepten, en anderen op de lijst zetten.”

Zou u dat niet ook hebben gedaan?

„Dat heb ik me vaak afgevraagd. Ik denk het wel. Stel dat wij bevriend zouden zijn en samen in een kamp zouden zitten… Ja, natuurlijk zou ik dat ook doen.”

Maar dat betekent toch dat anderen weg moeten?

„Ja… Maar dat was het kampleven. Duivelse dilemma’s. Mensen werden gedwongen een rotzak te zijn en deden dat ook om te overleven. Bij de steengroeven kregen de kapo’s van SS’ers opdracht iedere dag voor doden te zorgen. Deden ze dat niet, dan werden ze vervangen en raakten ze hun privileges kwijt. Maar niet alle kapo’s waren bloedhonden. Toen ik na de oorlog Otto Halle in Weimar terugzag, vielen we elkaar in de armen.”

Bent u ook een rotzak geweest?

„Ik was korte tijd voorman in kamp Engerhafen. Tankvallen graven. Een voorman hoefde zelf niet te werken en kreeg extra rantsoenen. Mishandelen kon ik niet. Ik heb wel mensen uitgevloekt. In het Duits, zodat de SS’ers het konden verstaan. Maar het hielp niet. We boekten te weinig vooruitgang. Dus ik werd voor de hele ploeg in elkaar geslagen. De nieuwe voorman, een Berlijner, deed het wél goed. Die sloeg er meteen op los met een knuppel.”

Een ‘Erhohlungsheim’, een herstellingsoord, werd Buchenwald schamper genoemd door de SS’ers en kapo’s in Natzweiler. In dat kamp, vlak bij Straatsburg in de Elzas, ontsnapte Bamberg niet aan de steengroeve.

Hoe houdt een mens dat vol?

„Ik was naïef. Ik dacht dat de oorlog niet lang zou duren. Ik was taai. In de dodencel had ik geleerd angst en onzekerheid te overwinnen. Ik keek niet verder dan dezelfde dag. En ik had mijn gevoel voor humor. Ik kon relativeren.”

Hoe relativeer je dat iemand voor je ogen wordt doodgeknuppeld?

„De eerste keer dat je dat ziet ben je volkomen van de kaart. Maar het gebeurde zo vaak… Het ging bij het leven horen. Je stompte af, uit zelfbescherming. Anders redde je het niet. Dus stapte ik bij de latrine gewoon over lijken heen. En sliep ik in goederenwagons op lijken. Je gevoel werd uit je geperst… Terug in Nederland zag ik in Delft feestende, dansende mensen. Ik keek er met verbazing naar. Ik voelde geen enkele vrolijkheid. Zei tegen mezelf: Don, jij zult nooit meer gelukkig zijn. Huilen kon ik pas weer in 1965 toen een oude verzetsvriendin op veel te jonge leeftijd overleed.”

En geluk ervaren?

„Ik heb wel perioden van geluk gehad. Maar het was nooit 100 procent. En nooit van blijvende aard.”

Had u houvast aan een religie?

„Toen was ik niet gelovig. Nu wel. Ik ben overtuigd geraakt van het bestaan van God, van een hogere macht die mij er doorheen heeft gesleept. Anderen hebben in het kamp hun geloof in God juist verloren.”

Natzweiler, hoe hard ook, was niets vergeleken bij Gross-Rosen (Rogosnica), het kamp bij Breslau (Wroclaw) waar Bamberg later terechtkwam. Uit de gloeiende schoorsteen van het crematorium steeg voortdurend een vette walm op. Alles rook naar verbrande beenderen. Van broodmagere lijken waren lichaamsdelen verwijderd. Wanhopige gevangenen vulden zo hun karige rantsoen aan.

„Een vijandig kamp”, zegt Bamberg. „Poolse beroepsmisdadigers waren de baas. Vrienden had je niet, behalve een klein clubje Nederlanders. De temperatuur zakte tot min 30 graden. We moesten de hele dag in dunne kleding buiten blijven. Werk om warm te blijven hadden we niet. Alles was bevroren. Je kon je dus ook niet wassen. En de latrine was overvol. Je zat tussen de stront van anderen. Het weinige eten werd gestolen door de Polen. Het was er zo erg, dat jongens die uit Auschwitz kwamen op hun knieën wilden terugkruipen. In Gross-Rosen gaf ik even de moed op.”

Op een dag werd Bamberg betrapt op het achteroverdrukken van een bevroren biet. De klap die hem bijna velde, was nog het minste. Veel ernstiger was het bevel zich de volgende morgen bij de kapo te melden. Voorovergebogen over een houten bok zou hij 25 stokslagen krijgen. Bamberg stelde zich opnieuw in op een executie. Vrijwel niemand overleefde zo’n afranseling, wist hij. Russische kanonnen redden hem. Het gebulder kwam zo dichtbij dat die avond het besluit tot ontruiming viel. In de chaotische aftocht de volgende dag vergat iedereen de ’25 am Arsch’ die Bamberg nog tegoed had.

„Ik heb veel geluk gehad”, kijkt hij terug. „Geluk, en mensen die me in bescherming namen en me er doorheen sleepten: Pim Boellaard, Jan Robert. En Herman Fröhling, een communistische mijnwerker uit Limburg. Je hield van elkaar, als vriend. Dat bleef ook na de oorlog zo. Onvoorwaardelijke solidariteit, die je alleen krijgt als je eerst vriendschap hebt gesloten in de hel.”

Hoe hebben de kampjaren u veranderd?

„Positief is dat ik erg laconiek ben geworden. Niet snel onder de indruk, en totaal niet bang voor de dood. Maar ik ben ook gevoelsarmer geworden. Ik bagatelliseer soms problemen van anderen. Dat is niet eerlijk. Ik ben blij dat ik er niet wraakzuchtig uit ben gekomen. Bij mij is het niet zwart-wit. Ik kijk naar de mens. Mijn zoon is met een Duitse getrouwd. Totaal geen moeite mee. Ik heb verzetsmensen meegemaakt met wie ik absoluut niet bevriend zou willen zijn, maar ook Duitsers en SS’ers die ik tot mijn vrienden zou kunnen rekenen.”

Hoe kijkt u terug op uw leven?

„Toch wel voldaan. Ik ben heel blij dat ik aan de goede kant heb gestaan en heb bijgedragen aan de vernietiging van dat monsterlijke apparaat. Ik heb de oorlog natuurlijk met nog geen seconde bekort. Maar het gaat om de houding. Zoals Van Randwijk dichtte: als een volk voor tirannen zwicht, dan dooft het licht. Ik ben één van degenen die de fakkel brandend hielden. Ik was als verzetsman niet belangrijk. Maar dat er verzet wás, was heel belangrijk. Het hield de hoop levend.”

Heeft u niet het gevoel dat de oorlog u jaren heeft ontstolen?

„Nee, ik had dit juist niet willen missen. Als ik naar het lijden van anderen kijk, kan ik dat natuurlijk niet zeggen. Maar voor mij persoonlijk geldt: het leven was toen zó intensief. Als deze periode zou worden gewist, zou er een grote leegte zijn.”

bron:
interview in Dagblad Trouw, met vriendelijke toestemming door G J van Loenen d.d. 15 oktober 2013.
Met dank aan Ruud van Heese, schrijver van het artikel en voor de nadere informatie.

foto:
behorend bij het artikel.