Gerrit Blom en Max Nebig – 2

DE TWEE OVERLEVENDEN VAN DE RAZZIA’S VAN 22 EN 23 FEBRUARI 1941 IN AMSTERDAM:

door Wally de Lang

De meeste kennis die is overgeleverd aangaande het lot van de bij de Amsterdamse razzia’s opgepakte mannen is afkomstig van de twee gevangenen die, als enigen van de grote groep van 389 joodse mannen, de oorlog hebben weten te overleven: Max Nebig en Gerrit Blom. Beide mannen hebben samen met de bijna 400 joodse mannen in Schoorl en Buchenwald gevangen gezeten. Max’ leven is gered door medegevangenen in Buchenwald die zich, met alle gevaren van dien, over hem ontfermden toen hij doodziek in het kampziekenhuis lag, Gerrit Blom werd in maart 1941 door de Sicherheitspolizei naar Amsterdam teruggebracht omdat hij moest getuigen over de rol van de communisten bij de grote staking van februari 1941 en over de opzet en organisatie van de communistische partij. Max Nebig werd in april 1946 uitgebreid over zijn ervaringen geïnterviewd door Ben Sijes, toentertijd medewerker van Rijksinstituut voor Documentatie van de geschiedenis in Oorlogstijd – het latere NIOD – en Gerrit Blom heeft tot aan zijn dood in 1965 als journalist in columns en artikelen over zijn belevenissen gepubliceerd. Wie waren die twee mannen en wat hebben zij meegemaakt?

Gerrit Blom
Gerrit Blom werd in 1909 geboren als tweede zoon in het gezin van Willem Blom en Roosje Berlijn die in het hartje van de Jodenbuurt woonden. Hij had nog een oudere broer, Godschalk, een zusje, Marianna, en twee jongere broers, Michel en nakomertje David. Vader Willem onderhield zijn gezin aanvankelijk door als ‘los werkman’ allerlei klussen aan te nemen, waarschijnlijk in de haven. Omdat het niet eenvoudig was met die geringe inkomsten alle kindermonden te voeden, zat hij geregeld in de Steun. Via die uitkeringsinstantie werd hij later ‘bootwerker H.A.R.’ (havenarbeidsreserve), een regeling waarbij arbeiders een contract kregen aangeboden dat bescherming bood in de vorm van een garantieloon en ziekengeld, een nieuwigheid voor die tijd. Ook Willem Blom kreeg op die manier een arbeidsovereenkomst. De vastere inkomsten lijken samen te vallen met de verhuizing van het gezin Blom vanuit de Nieuwmarktbuurt naar betere woningen in Amsterdam-Oost, naar de Blasiusstraat, later de Vrolikstraat en in 1930 naar de nieuwbouwhuizen aan de Tugelaweg.

Zoon Gerrit volgde zes jaar lager onderwijs op een van de buurtscholen in het centrum en later in Oost. Daarna ging hij aan de slag als bakkersleerling en naderhand als knecht in een vishandel. Zijn inkomsten moest hij thuis afdragen. Later werkte hij zich op tot gemeenteambtenaar bij Publieke Werken, daarna was hij jarenlang werkloos. Met zijn werk als badmeester verdiende hij een centje bij. Al vanaf zijn jeugd was hij verbonden met de georganiseerde arbeidersbeweging en was hij een actief lid van de Arbeiders Jeugd Centrale (AJC).  Ongetwijfeld heeft hij meerdere pinkster- en zomervakanties doorgebracht op het kampeerterrein van de jeugdbeweging, de Paasheuvel in Vierhouten.

Begin jaren dertig ontmoette Gerrit de vrouw met wie hij in het huwelijk zou treden: Gretha Nord. Gretha, kleermaakster, was geboren en getogen in de Jodenbuurt en kwam uit het gezin van vijf kinderen van slager Joseph Nord en Kaatje Hakker. Op 20 mei 1931 traden Gerrit en Gretha in het huwelijk. Het was een ‘moetje’: de bruid was op dat moment al vier maanden in verwachting van haar eerste kind. Het stel vond een woning in de ’s Gravesandestraat in Amsterdam-Oost waar eind oktober zoon Willem werd geboren. Een maand later verhuisde het jonge gezin naar de ouders van Gretha in de Blasiusstraat. Weer een half jaar later konden ze een zelfstandige woning betrekken in de Tugelaweg. In de jaren daarna volgden meerdere verhuizingen in Oost, maar vanaf juni 1935 woonde het jonge gezin Blom, dat zich ondertussen met een dochter, Kitty, had uitgebreid, weer in de Jodenbuurt, in de Valkenburgerstraat.

Gerrit had zich inmiddels tot een fervent communist ontwikkeld. De verslechtering van de economische omstandigheden door de jarenlange crisis had velen, inclusief Gerrit zelf, tot de rand van de afgrond gebracht en afhankelijk gemaakt van de Steun. Hij hoefde maar om zich heen te kijken in zijn eigen buurt om de ellende te zien: duizenden leidden een uitzichtloos bestaan. De politieke onvrede nam toe, fascisme en antisemitisme groeiden, partijen op zowel de rechter- als linkerflank radicaliseerden en Gerrit besloot lid te worden van de Communistische Partij Nederland (CPN). Hij woonde partijcongressen bij, kandideerde zich voor de Amsterdamse gemeenteraad (1935) en later voor het partijbestuur (1936) en voor het district Noord-Holland/Utrecht (1939). De binnenlandse veiligheidsdienst – destijds CID, Centrale Inlichtingen Dienst – had hem op de korrel en zette zijn naam op de lijst van links-extremistische personen (1939).1 Eind jaren dertig liep het ledenaantal van de partij gestaag terug: waren eind oktober 1937 nog bijna 11.000 mensen lid, in augustus 1939 was dat aantal teruggelopen tot 9000. Na de Duitse inval en capitulatie werd de partij verboden en ging de organisatie ondergronds. Gerrit bleef actief, onder andere bij de organisatie van het illegale CPN-apparaat en het verspreiden van vlugschriften en kritische berichten over de vijand. Later zou hij de drijfveren voor zijn verzet als volgt omschrijven: ‘In de eerste maanden na de bezetting ontwikkelde zich reeds een geest van verzet tegen de politieke knechting, tegen de economische verslechteringen, tegen de pogingen om arbeiders naar Duitsland te slepen en tegen de Jodenvervolgingen die hadden moeten dienen om een pogromstemming bij ons volk te kweken’.2 Als bewoner van de Valkenburgerstraat in de Jodenbuurt maakte Gerrit de dreiging en vechtpartijen vanaf eind december 1940, en vooral in de maanden januari en februari 1941, bijna dagelijks zelf mee. Niet bekend is of hij ooit zelf gevochten heeft of slachtoffer was, maar hij kende vast en zeker buurtbewoners en marktkooplui die wel waren uitgescholden, geschopt of geslagen of van wie de kar met karige handel in de gracht was gegooid.   

In 1953 schreef kameraad-communist Gerard Maas een artikel in dagblad De Waarheid waarin ook hij aangeeft dat de aanvallen op de Amsterdamse joden voor Gerrit de motor waren om acties tegen de bezetter te blijven ondernemen. Hij geeft een beeld van de sfeer en het werk van Gerrit:

‘Wie zijn de vrienden van het volk? Wie zijn de vrienden van de vervolgde Joodse mensen? De Jodenwijk in Amsterdam is een Judenviertel geworden. Daarbinnen voert de orgie van de rassenhaat. De schurken in hun zwarte pakken overtroeven elkaar in het hanteren van boksbeugels en ploertendoders en slaan in op de weerloze Joodse mannen, vrouwen … kinderen. Het gulle, vrijheidslievende Amsterdam trilt van woede.  (…) Amsterdammers ballen hun vuisten (…) maar wat te doen? (…) Razend kun je worden op de kranten. Het Volk schrijft dat het de joden hun eigen schuld is als wat hardhandig de orde in de Jodenwijk hersteld moet worden. (…) ‘Blijf rustig’, maant het Parool. In de Jodenwijk scharrelen provocateurs rond en fluisteren tegen de jonge Joden: het is tijd voor gewapend verzet! Het is de twintigste februari, een roetzwarte avond. Over de uitgestorven Zeedijk loopt een man met een pak onder zijn arm. Hij belt aan bij een huis. Coenradi staat op het naambordje.3 Binnen zitten Coenradi en nog vier jongens. De man maakt zijn pak open en allen lezen: ‘Wij doen een beroep op de Amsterdamse bevolking om gemeenschappelijk actie te voeren tegen de Jodenpogroms. Voert geen afzonderlijke acties. De vervolging van de Joden is een zaak van de gehele bevolking. Komt eensgezind tot verzet! Volgt de parolen van de illegale leiding van de CPN.’ De man geeft instructies. De pamfletten moesten de bedrijven in. De tijd is aangebroken om de vijand, de nazibarbaren en hun Nederlandse lakeien de kracht van het Amsterdamse volk te laten voelen. Dan verdwijnt de man weer in de nacht. Hij kent iedere straat in het deel van Amsterdam dat nu begrensd wordt door prikkeldraad. Hij kent haast ieder huis en de families. Hij is er één uit de Jodenbuurt. Hij is niet in verwarring, hij is niet één die zich willoos laat leiden door de heren van de Joodse Raad die buigen voor de nazi-tiran. Hij is communist, verantwoordelijk voor het werk van de CPN in de Joodse wijk. Hij is één der vrienden van het volk die de joden de helpende hand zullen reiken, de helpende hand die het volk zal leiden naar de machtige uitbarsting van de volkswoede, van het volksverzet: de algemene staking. (…).   De man die bij Coenradi op de Zeedijk parolen van de illegale CPN voor deze staking doorbracht, die de bevolking in de Joodse wijk daarop voorbereidde (…) heet Gerrit Blom.’4

Twee dagen later, op zaterdag 22 februari bevond Gerrit zich op het verkeerde moment op de verkeerde plek: de grüne Polizei had de wijk afgegrendeld en hield een razzia. Ook Gerrit werd opgepakt en samen met honderden andere joodse jongens en mannen in open vrachtwagens naar Kamp Schoorl overgebracht. Veertien jaar na de oorlog zou hij zijn herinnering aan de eerste nacht in het kamp in de Noord-Hollandse duinen beschrijven:

‘Daar lagen ze dan, sidderend van koude en emotie (…) in kribben, op horrengaas, verkleumd, ieder met zijn gedachten thuis bij vrouw en familie. (…) In de drukkende stilte van de avond klinkt plotseling het nachtgebed op (…). Dan barst een gehuil los. De spanning ontlaadt zich in dit gebed. Was het een protest? Of was het een uiting geven aan wat hen verbond?’5

Even verderop schrijft hij:

‘Als drie dagen later het bericht van de solidariteitsstaking in Amsterdam ook het kamp in Schoorl bereikt, is er even twijfel. Men vreest de wraak: allen hebben op wel zeer hardhandige wijze kennis gemaakt met de beesten. Dan vinden er discussies plaats en de angst maakt plaats voor begrip. Men beseft, dat het zo moet en dat het niet anders kan. Het fascistische monster moet door strijd worden vernietigd en men is vol bewondering voor de moedige stakers.’

Registratiekaart van de Effektenkammer in Buchenwald waarop werd aangetekend wat Gerrit Blom aan kleding en bezittingen na aankomst in het kamp had ingeleverd. Met het plaatsen van zijn handtekening ondertekende hij als het ware zijn eigen doodvonnis zonder dat hij zich daarvan bewust was. Arolsen Archives

Een paar dagen later, op donderdag 27 februari 1941, werden de mannen in Kamp Schoorl met veel schoppen en slaan door Duitse bewakers in Alkmaar de trein ingejaagd. Ze hadden geen idee waar ze heengingen. Ook onderweg treiterden de bewakers hun slachtoffers met allerlei uitputtende bevelen: ‘Staan, zitten, staan, zitten’, etc. Enkele mannen werden in elkaar geslagen. Aangekomen op het station in Weimar was de situatie niet anders. Voor de ogen van burgers werden ze met geweld gedwongen in het gelid te gaan staan waarna de lange mars naar het kamp een aanvang nam. Acht kilometer lopen, bergopwaarts en in de kou. Na aankomst in kamp Buchenwald moesten de uitgeputte mannen eerst nog uren op appèl staan voordat ze het interneringsritueel konden ondergaan: spullen inleveren, zichzelf met ijskoud water afspoelen en laten desinfecteren, hun haar laten afscheren, zich in gevangeniskleding hijsen en de gang maken naar de barak.

Gerrit kwam in barak 15 terecht. De volgende dag werd hij aan het werk gezet in de Steinbruch, de steengroeve, de zwaarste kamparbeid die alleen door joden mocht worden verricht. Dagenlang moest hij met een houweel stenen uithakken, terwijl anderen die in een lorrie smeten en tegen een hoge kluft omhoog moesten rijden. Met stokslagen werden de gevangenen door de SS’ers opgejaagd om hen tot een hoog tempo te dwingen. De eerste dagen was het werk voor de Nederlandse mannen nog enigszins te doen omdat ze in zekere zin ‘doorvoed’ vanuit Nederland waren aangekomen, maar naarmate de tijd vorderde en hun lichaam door het uitputtende werk en gebrek aan eten verzwakte, werd de arbeid steeds moeilijker vol te houden.

Bij het werk van de Nederlandse mannen was ook een Duitse kapo betrokken. Evenals bij Max Nebig het geval was, had ook deze kapo het niet slecht voor met de gevangenen die hij moest bewaken. Hij gaf waarschuwingen door die voor hen van belang konden zijn. Gerrit wilde graag met de kapo in contact te komen, maar hoe moest hij dat doen? Voorzichtigheid was geboden. Hij wilde weten of er buitenlandse communisten in het kamp waren, een vraag die grote gevaren in zich droeg. Drie dagen lang wachtte hij tijdens het stenen sjouwen op het juiste moment om een gesprek aan te knopen. De vraag was natuurlijk of de kapo te vertrouwen was of niet. Na enige woorden gewisseld te hebben verwees de man hem naar een barak waar Gerrit heen kon gaan. Hij voegde er de waarschuwing aan toe dat hij vooral moest oppassen dat SS’ers niet zouden zien dat hij zich in een andere barak bevond dan was toegestaan.

In een naoorlogs krantenartikel beschreef Gerrit wat hij die dag meemaakte, een belevenis waar hij hoop uit putte:  

‘Wanneer ik binnenkom, zit daar de dikke oude Joodse kameraad kleding te naaien en kijkt mij vorsend aan; dan vraagt hij wat ik kom doen. Als ik besluit hem te vertellen dat ik contact wil hebben, ontwijkt hij een antwoord en vraagt langs de neus weg: ‘Hoe is de toestand?’ Ik begrijp dat hij mij wil toetsen. Van het antwoord zal afhangen of hij mij vertrouwen zal. Ik vertel hem van de politieke informatie die wij kort voor mijn arrestatie hadden ontvangen. Hij stelt nog een paar vragen en na mijn beantwoording is hij tevreden. Hij reikt mij de hand.  Het contact is er. Als ik bij hem zit, komen er nog enige kameraden en ik word voorgesteld. Het zijn Polen en Tsjechen. De politieke informatie, kort voordien in Holland verkregen, neemt nu haar loop in concentratiekamp Buchenwald.6 Maar er gebeurt meer. Een jonge Poolse jongen komt na een dag van hard werken met zijn groep binnen en wordt hartelijk begroet. Hij is die dag juist veertien jaar geworden. Er wordt gelachen en ze kloppen hem op de schouder, doch wanneer even later een taart met veertien brandende kaarsjes wordt aangedragen zijn allen diep onder de indruk. Het is een ontroerende belevenis. De oudste kameraad vertelde mij, dat de ingrediënten voor de taart door de niet-Joodse gevangenen, werkzaam in het voorraadmagazijn van de SS, naar de keuken waren gesmokkeld en dat de taart door de kok was bereid. Hij vertelt verder over het contact dat één van hen heeft met niet-Joodse communistische gevangenen. Deze helpen zoveel ze kunnen door het ‘organiseren’ van eten uit de keuken en het bevoorradingsmagazijn van de SS.7 Vele joden worden op die manier geholpen. Onnodig te zeggen dat het veel moed vereist van de niet-Joodse kameraden. Worden zij geschaakt, dan betekent dit in de regel overplaatsing van hun bevoorrechte posten naar strafafdelingen en dit kan door honger en ondervoeding de dood ten gevolge hebben (…) Enige uren later, wanneer ik op mijn matras lig, overpeins ik hetgeen ik die middag heb meegemaakt (…). Een ding weet ik stellig: ik was gelukkig en vervuld van trots over onze beweging. Internationalisme en solidariteit, moed en strijdgeest, zij waren geen frase. Het fascisme was er niet in geslaagd deze op enigerlei wijze te ondermijnen. Dit was haar belofte voor haar uiteindelijke nederlaag.’8

Achterzijde van registratiekaart bij de Effektenkammer waarop staat aangegeven dat Gerrit Blom op transport is gegaan en dat hij zijn spullen heeft teruggekregen (portemonnee, bosje sleutels en Ausweis). Arolson Archives

Gerrit kon op dat moment niet bevroeden dat hij kort daarna kamp Buchenwald zou verlaten en naar Nederland zou terugkeren, niet in vrijheid, maar omdat de Duitsers direct na de grote staking van 25 en 26 februari in Amsterdam op zoek waren gegaan naar de initiatiefnemers daarvan. Aangezien de naam van Gerrit al jaren op de lijst-Broekhoff van extremistische communistische actievoerders stond en men op de hoogte was van zijn Amsterdamse en regionale activiteiten, werd hij als een belangrijke inlichtingenbron gezien.9 Dat werd bevestigd toen een van de andere gearresteerde stakingsleiders, Frans Lavell, tijdens een zwaar verhoor doorsloeg en de naam van Gerrit Blom liet vallen. Liever had hij zijn tong afgebeten, maar hij noemde die naam uiteindelijk toch omdat hij wist dat zijn kameraad inmiddels in Buchenwald zat en dacht hem met het noemen van die naam verder geen kwaad te kunnen berokkenen. Op die manier kon hij ook andere joodse en niet-Joodse ondergedoken of nog vrij rondlopende kameraden beschermen. Het was een gok die uiteindelijk bewaarheid bleek te worden. De aanklagers vonden op dat moment Gerrits politieke overtuigingen en organisatietalent belangrijker dan zijn gevangenschap als Volljude in Buchenwald. Op 17 maart 1941 werd hij door de kampautoriteiten gesommeerd om bij de Effektenkammer in Buchenwald zijn in bewaring gegeven kleding en spullen op te halen, daarna werd hij overgebracht naar het Huis van Bewaring in Amsterdam.

Vermoedelijk werd hem in de gevangenis wel toegestaan bezoek te ontvangen. Brieven schrijven en ontvangen mocht ook. Onderaan een bewaard gebleven brief van 4 mei 1941 krabbelde Gerrits echtgenote Gretha nog een klein stukje tekst over de gewone dingen des levens.

’Lieve Man,’ schreef ze, ‘ik moet je nog wat zeggen, daar zal je om lachen, ik heb in de keuken last van muizen. En als ik dan ’s avonds alleen zit te werken, dan ga ik in de slaapkamer werken met de deur dicht omdat ik bang ben dat ze naar binnen komen. Dat is echt iets voor mij, zal je zeggen. Gerrit, de kinderen schrijven de volgende brief weer want ik wou de brief gauw weg hebben. Wim [zoontje Willem  – WdL] is bezig zijn les te leeren en dan moet ik in zijn schrift kijken of dat hij het goed doet. Je ziet Gerrit, mijn tijd gebruik ik wel voor eten verzorgen, boodschappen doen, naaien, alweer zijn lessen overhoren. Maar Gerrit, ik denk aan jou en dan ben ik weer flink. Dus Gerrit, hou je flink en sterk dat wenscht je vrouw en kinderen, want Kitty zegt altijd ‘goedenacht papa, blijf gezond.’ Want als zij niest zegt ze, dat papa gauw thuis is. Dat is haar wensch. Dag Gerrit, hou je flink. Dag schat, van ons, heel veel kussen van ons allemaal en van allemaal de groeten en apart van je lieve vrouw die heel veel aan je denkt.’

Een paar dagen na het schrijven van de brief zou zij het huis in de Valkenburgerstraat 102a-III waar ze met Gerrit en de kinderen had gewoond, verlaten. Ze had een nieuw onderkomen gevonden in de Zandstraat, in de Nieuwmarktbuurt.

Arrestatiebevel Gerrit Blom, 8 augustus 1941. Privécollectie M. Mooy, Amsterdam

Op 8 augustus 1941 werd het officiële arrestatiebevel voor Gerrit uitgevaardigd en op 1 september werd hij vanuit Amsterdam overgebracht naar de strafgevangenis in Scheveningen, het zogenoemde Oranjehotel.

In het 85 pagina’s dikke Anklageschrift van de Duitse procureur-generaal bleken degenen die de Februaristaking hadden voorbereid, beschuldigd te worden van Hoogverraad. Zij hadden volgens de aanklacht het Duitse rijk benadeeld met het propageren van werkweigering: Staakt!! Staakt!! Staakt!! Ook Gerrit zou verhoord worden over zijn aandeel in de staking en het organisatiemodel van de mede door hem opgebouwde illegale CPN. Hij moet zijn proces in doodsangst hebben afgewacht. In de weken daaraan voorafgaand waren immers 110 communisten gearresteerd en een paar maanden daarvoor, in maart 1941, waren een aantal joden, waaronder de eerdergenoemde Herman Coenradi,  op de Waalsdorpervlakte gefusilleerd.10 Niemand wist wat de Duitsers deze keer aan straffen voor hem en zijn medebeklaagden in petto hadden.  

Van 8 tot 28 september reden iedere dag vier auto’s van de grüne Polizei de strafgevangenis uit en begaven zich naar het gebouw van de Hoge Raad op het Plein in Den Haag. De twintig mannen en twee vrouwen, Rosa Boekdrukker en Annie van Kampen, werden de brede trappen opgeleid. Op de eerste dag zag een handvol voorbijgangers dit tafereel aan, niet wetende wat er aan de hand was, maar het werd iedere dag voller. Leden van het verzet hadden familie, vrienden en kennissen opgeroepen om de aangeklaagden te steunen en moed toe te roepen. Om de beklaagden tot spreken te dwingen dreigde de aanklager niet alleen dagelijks met de doodstraf, maar werden zij ook vreselijk mishandeld. De gearresteerden verweerden zich fel. Rosa Boekdrukker werd zelfs vier weken in een strafcel gezet waar ze veel te zout eten kreeg en nauwelijks drinken. In een naoorlogse brief schreef zij aan haar ouders in Palestina: ’Nu brak voor mij een zware maar ook grote tijd aan. Ik heb vanzelfsprekend goed standgehouden en ondanks alle ‘bemoeienissen’ van de Gestapo gezwegen.’ Haar woorden ‘een grote tijd’ maken duidelijk dat de gevangenen een immens innerlijk gevecht leverden om staande te blijven tijdens de verhoren met de sadistische aanklagers.11 Rosa hield zich flink en kreeg zelfs de bijnaam ‘Hollandse Jeanne d’ Arc.’ Ook Gerrit bleef sterk en hield in de rechtszaal zo’n een fel betoog tegen de Jodenvervolging dat de nazi-rechter hem het woord ontnam.

Pieter Gnirrep, een van de andere verdachten, schreef na de oorlog over de gang van zaken tijdens het proces:  

‘Op de houten stoelen in rijen van zes, zaten we al die uren en dagen letterlijk schouder aan schouder. Een lichte handdruk van Cor Haringa links van me, de knie van Joop van Wezel een enkele maal tegen de mijne, zo stroomde als door accu’s gevoed onze hoop, ons vertrouwen in elkaar over. Ze konden schreeuwen in hun akelige taal, ze konden dreigen en blauw aanlopen van haat, wat begrepen ze van onze accu’s (…) Het gehele proces was een slecht geschreven en uitgevoerd toneelstuk. Wij beklaagden, de moedigen, de minder moedigen en de moedigsten trokken ons aan elkaar op en weerstonden het gekwaak van de Rechtsanwalt en de droge irritante stem van de Oberrichter. Wat ons heeft gered was de afgang van het hoofd van de Sicherheitsdienst Willy Lages en de hoofdverantwoordelijke voor de Jodendeportaties Aus der Fünten. Want beiden hadden het doen voorkomen dat ze de illegale leiding van de Communistische Partij hadden opgerold. Nog hoor ik het rode bierhoofd van de aanklager giftig sissend uitvallen tegen de twee mensenjagers en over ons zeggen: ‘Aber dass sind doch alle kleine Leute!’ Voor hun grote bazen in Berlijn hadden deze twee SS-opperhoofden in Nederland een goeie beurt willen maken.’12

Naast het feit dat de hoofdaanklager de poging tot mannetjesmakerij van Lages en Aus der Fünten had doorzien en een grotere vangst en meer inlichtingen had verwacht, hadden de tweeëntwintig gedagvaarden geluk dat hun proces niet voor een militaire rechtbank werd gevoerd. Reden daarvoor was dat hun acties hadden plaatsgevonden vóór 22 juni 1941, de dag waarop Duitsland de Sowjet-Unie was binnengevallen. De ‘misdrijven’ die de beklaagden hadden begaan, werden derhalve niet beschouwd als een actie ten gunste van de Sowjet-vijand en daardoor vielen de straffen gunstiger uit dan menigeen verwacht had. Er werden geen doodvonnissen uitgesproken zoals eerder wel het geval was geweest voor vergelijkbare daden, maar veroordelingen van twee tot twaalf jaar, straffen die in Duitse gevangenissen moesten worden uitgezeten.13 Het Plein stond op de dag van de uitspraak zwart van de mensen. ‘De weg terug leek een triomftocht’, schreef De Waarheid in een terugblik aan de vooravond van de eerste herdenking van de Februaristaking in 1946.14

Op 12 juIi 1945 schreef Gerrit Blom voor het Afwikkelingsbureau Concentratiekampen in Vught op in welke Duitse gevangenissen hij had gezeten. De volgorde bleek later niet helemaal te kloppen. Archief Rode Kruis.

Voor Gerrit begon een lange onzekere tocht langs Duitse gevangenissen. Zou de behandeling van gevangenen hetzelfde zijn als in Buchenwald? Het grote verschil met het concentratiekamp was dat hij nu als politieke gevangene te boek stond. In Buchenwald was hij een Joodse politieke gevangene, een Volljude, en behoorde hij tot de categorie gedetineerden die het slechtste werd behandeld van alle kampingezetenen.  

Op 17 oktober 1941 werd Gerrit naar de gevangenis van Rheinbach, een stad in Noordrijn-Westfalen, overgebracht. Het was een groot gebouw, er konden ruim zevenhonderd personen worden ondergebracht. Na 1933 waren dat vooral veroordeelde criminelen en politieke gevangenen. De gevangenen werkten voornamelijk op de militaire afdeling van Dynamit Nobel AG, waar munitie geproduceerd werd en waar zij ontstekingen en kabelbomen in elkaar moesten zetten. Gerrit zou er iets meer dan vijf maanden verblijven. Hij bleek niet de enige Nederlandse gevangene in Rheinbach te zijn en, zoals het nu eenmaal vaak gaat, zochten landgenoten elkaar op om steun bij elkaar te vinden en laatste nieuwtjes uit Nederland uit te wisselen die via brieven aan hen werden toevertrouwd. Ook deelden ze zaken over de situatie thuis, over moeilijke ogenblikken zoals bijvoorbeeld verjaardagen van echtgenotes en kinderen waar ze niet bij konden zijn en van wie ze zeker wisten dat die dagen ook voor hen extra zwaar waren.

Een celgenoot van Gerrit schreef ter gelegenheid van de verjaardag van Gerrits dochter Kitty, die op 26 november 1941 acht jaar werd, zelfs een gedicht voor hem, medeleven waar hij steun en hoop uit putte.

In maart 1942 werd Gerrit overgeplaatst naar Siegburg, een gevangenis niet ver bij Rheinbach vandaan. Het jaar daarvoor waren alle joodse gevangenen vandaaruit naar concentratiekampen gestuurd. De Duitse fabrieken Dynamit Nobel AG en Rheinische Zellwolle haalden ook hier hun werkkrachten vandaan. Het werk leverde gevaar op voor de gezondheid. Gevangenen werden blootgesteld aan gevaarlijke stoffen met alle gevolgen van dien: vergiftiging en nier- en ooginfecties. Ook was er geregeld sprake van een tuberculose-uitbraak. Gevangenen met die ziekte werden in 1942 en 1943 met onbekende bestemming afgevoerd. Dat lot werd Gerrit bespaard, maar hij werd wel ziek en moest geregeld het bed houden. Hij had last van zijn benen, kon nauwelijks meer staan, en later kreeg hij – vermoedelijk door zijn werk – ook veel pijn aan zijn handen, waardoor hij zelfs een tijdlang van arbeid werd vrijgesteld.15

Gedicht voor Kitty, Rheinbach 26 november 1941. Privécollectie M. Mooy, Amsterdam

Zoals blijkt uit brieven die bewaard zijn gebleven, mocht Gerrit corresponderen. De brieven die hij een keer per maand naar huis schreef, hebben de tijd niet overleefd, maar in zijn nalatenschap bevinden zich meerdere brieven, vanwege de censuur uiteraard in het Duits geschreven, van onder andere zijn moeder Roosje en van Liesje Lobo, een kennis uit de communistische partij.16

In Amsterdam was de echtgenote van Gerrit, Gretha, intussen vanwege haar functie bij de Joodse Raad, waar ze op kantoor en in de ‘Joodse leesbibliotheek’ werkte, enige tijd vrijgesteld van deportatie, maar in april 1943 verviel haar Sperre. Ze werd opgeroepen om alsnog met de kinderen naar doorgangskamp Westerbork af te reizen. Op 6 april arriveerden ze en werden ondergebracht in barak 57. Mogelijk werd een van de kinderen daar ziek, aangezien ze weer een Sperre kreeg, waardoor ze niet onmiddellijk op transport gesteld werden. Op 18 mei 1943 gebeurde dat alsnog en vertrokken Gretha, Willem en Kitty met een afgeladen trein met 2511 personen naar Sobibor. Een paar maanden later in oktober 1943, schreef Roosje Berlijn, de moeder van Gerrit, in een brief aan hem: ‘Fijn dat je weer aan het werk bent in de avondploeg. (…) Ik hoop dat Greet zich sterk houdt en ik weet zeker dat ze jou altijd voor ogen heeft. Dat heeft ze altijd gedaan, dan valt het haar minder zwaar. De laatste keer dat ik haar zag was ze ook heel dapper.’17 Blijkbaar was Roosje, vijf maanden na het vertrek van Gretha niet op de hoogte van wat er in de ‘werkkampen’ in het oosten gebeurde. Haar schoondochter en kleinkinderen waren direct na aankomst in Sobibor vermoord.

Uit vier andere brieven die Gerrit in 1943 ontving – een aantal waren per post retour gezonden, een drama voor de achterblijvers die zich angstig afvroegen of hun geliefde inmiddels was overleden – blijkt dat Gerrit in het kamp steun had aan twee goede ‘kameraden’. Gerrits Amsterdamse partijgenoot en kameraad, Liesje Lobo, afzender van een brief van 6 januari 1943, schrijft: ‘Ik weet wat een kracht je daaraan [aan de kameraadschap – WdL] kan ontlenen, anders kan je al het leed toch niet dragen?’ Op 1 mei 1943, de internationale Dag van de Arbeid, schrijft ze dat ze blij is en dat ze zelfs bloemen op tafel en op de kast heeft staan. ‘Ik geloof dat ik deze dag innerlijk nog nooit zo sterk heb gevierd.’ En even verderop: ‘In deze dagen denkt iedereen dat er een invasie op handen is.’

Liesje zat zelf ook in een zeer moeilijke situatie. Haar echtgenoot Samuel Jacques (Sem) Jessurum Lobo was op 24 januari 1942 in Neuengamme om het leven gekomen en als alleenstaande moeder droeg ze de zorg voor haar dochtertje Manja, die in november 1940 geboren was. Meermalen schrijft ze dat de kleine meid zo op haar vader lijkt. ‘We moeten in deze tijd zeer hard zijn, maar dat lukt niet altijd, we hebben toch zo onze menselijke gevoelens. Zähne auf einander. (…) Ik ken je niet goed, maar ik heb vertrouwen in je kracht. Voor ‘zwakken’ is het allemaal nog moeilijker dan voor ons.’

Ook Gerrits moeder probeerde telkenmale haar zoon een hart onder de riem te steken: Nadat ze gevraagd heeft hoe het met zijn gewicht is schrijft ze: ‘Houd je dapper tot het laatste moment. Aan alles komt een eind. Laten we hopen dat 1944 ons brengt wat we allen hopen: het weerzien van allen die we liefhebben en dat we volgend jaar gezamenlijk oud en nieuw kunnen vieren. Behalt guter Mut und viel Kraft. Mama’. Overigens werd in elke brief, zowel van Liesje als van zijn moeder, gewag gemaakt van de verstuurde pakketten en de vraag of de spullen waren aangekomen en wat hij nodig had. Ook de inhoud werd vermeld: meestal ging het om zeep, scheergerei en tandpasta.

In maart 1944 werd Gerrit wederom overgeplaatst, dit keer naar Börgermoor, nabij de stad Surwold in de deelstaat Nedersaksen. Börgermoor stond vanaf 1933 onder leiding van de SS en was een concentratiekamp. In totaal werden 920 verzetsmensen in de maanden maart en april 1944 naar dat kamp gestuurd. Gerrit kwam terecht in strafkamp Papenburg. Onbekend is hoe lang – weken of maanden – hij vastgezeten heeft, omdat na Börgermoor ook nog de gevangenissen van Rottenburg en Ulm volgden.

In Börgermoor ontving hij zijn laatste brief van Liesje, gedateerd 15 mei 1944. Ze schreef hem dat ze verhuisd was en dat ze hem niet langer kon schrijven en vroeg of hij de brieven naar een ander adres wilde sturen, naar Hanna in de Atjehstraat 133-I. Daar woonde op dat moment de eerdergenoemde kameraad Frans Lavell en zijn echtgenote Hanna. Vermoedelijk liepen Liesje en haar dochtertje gevaar: ‘Het was voor mij niet meer aangenaam daar.18 Ik ga ergens in het land werken. (…) Er waren hier nog enkele diamantwerkers, maar de laatste zijn allemaal weggevoerd, met uitzondering van de gemengd gehuwden.  (…). Het is momenteel zeer zwaar. Vaak verlies ik het vertrouwen in de mensheid. Gerrit, ik wil je zoveel schrijven, maar het lukt me niet. (…) Ik weet niet of het je zal sterken, maar mijn gedachten zijn zeer vaak bij jou. Bis nach dem Krieg. Liesje.’

Onduidelijk is wanneer Gerrit naar de gevangenis in Rottenburg en later naar Ulm in Baden-Württemberg werd overgeplaatst. De stad lag in 1945 geregeld onder vuur van de geallieerden en vele inwoners vonden de dood. De Gerichtsgefängnis Ulm bleef gespaard. Op 24 april 1945 werd de stad door het Amerikaanse leger bevrijd. De politieke gevangenen, onder wie ook Gerrit, werden pas tussen mei en juli 1945 vrijgelaten. Volgens het Rode Kruis keerde hij echter reeds op 30 april naar Nederland terug. Hoe en met wie hij Nederland wist te bereiken is onduidelijk, alsook hoe het met zijn fysieke conditie gesteld was en waar hij zich ophield tot aan de werkelijke bevrijding van heel Nederland op 5 mei 1940.

Terug in Amsterdam overviel hem de enorme leegte. Zijn hele familie bleek uitgemoord te zijn. Niet alleen zijn echtgenote Gretha en zijn twee kinderen Willem en Kitty, ook zijn ouders Willem en Roosje en zijn broers David met zijn echtgenote, Godschalk met echtgenote en twee kinderen, broer Michel en zus Marianna en haar echtgenoot. Vanwege de naoorlogse administratieve chaos duurde het enige tijd voordat hij zeker wist dat zij allen waren omgebracht. Hij begreep ook dat zijn eigen leven door een toeval was gered: zijn opvattingen – communistisch en Deutschfeindlich – hadden hem tot een politieke gevangene gemaakt en die waren iets beter af dan Joden en Polen die in de nazi-opvattingen Untermenschen waren die vernietigd moesten worden.

Verklaring politieke betrouwbaarheid. Privécollectie M. Mooy, Amsterdam

Eenmaal in Amsterdam kon hij uiteraard niet terug naar het huis waar hij het laatst gewoond had, in de Wagenaarstraat. Echtgenote Gretha had die woning al drie maanden na zijn arrestatie tijdens het razziaweekend in 1941 verlaten, en ook in de Zandstraat woonden inmiddels andere mensen. Naast zijn geliefden was hij dus ook nog eens al zijn bezittingen kwijt. Waar moest hij naartoe? In juli 1945 vond hij onderdak bij Siem Korper die aan de Tugelaweg woonde. Siem was een van zijn vooroorlogse kameraden die tijdens de bezetting, en zelfs tijdens zijn onderduik, voor het verzet werkzaam was gebleven. Als ex-politiek gevangene moest Gerrit een bewijs van goed gedrag en van politieke betrouwbaarheid zien te verkrijgen zodat hij weer aan de slag kon gaan om geld te verdienen. Het werd hem op 19 juli 1945 verleend door het bestuur van het Solidariteitsfonds Amsterdam.

Via Volksherstel – de nationale hulporganisatie die zich richtte op de ‘bevordering van de geestelijke en lichamelijke wederopheffing’ van Nederlanders die als gevolg van de Tweede Wereldoorlog in nood verkeerden- kreeg hij een legitimatiekaart waarmee hij als ex-politieke gevangene voorrang verkreeg bij ondersteuning in natura, en zijn voormalige werkgever De Waarheid gaf hem een tijdelijke ‘perskaart’, een verklaring waarop stond dat de Nederlandse geallieerde autoriteiten werden verzocht hem geen enkele belemmering in de weg te leggen bij de uitoefening van zijn taak, en hem alle mogelijke hulp te verlenen. Hij ging weer aan het werk, als verslaggever van de krant.

legitimatiebewijs ex-politieke gevangene. Privécollectie M. Mooy, Amsterdam

In de brieven die Gerrit in de Duitse gevangenissen van zijn moeder en van Liesje had ontvangen, stond een ander hem bekend adres: 1e Atjehstraat 133-I, het adres van zijn politieke kameraden Frans en Hanna Lavell. Na-oorlogse Rode Kruis-documenten geven aan dat Gerrit daar op een gegeven moment inderdaad naartoe is gegaan en tijdelijk onderdak kon krijgen. Wat zal er veel te bespreken geweest zijn. Ze hadden allen zoveel meegemaakt in de lange oorlogsjaren dat ze elkaar niet hadden gezien. Ongetwijfeld heeft Frans toen spoedig verteld over het verhoor van maart 1941 waarbij hij was doorgeslagen en Gerrits naam aan de vijand had ‘verraden’ en de reden waarom hij dat gedaan had. Al die jaren had hij vol schaamte en schuldgevoel rondgelopen over wat hij als ‘zwakheid’ had beschouwd tijdens dat verhoor. Zijn medegedetineerde Rosa Boekdrukker had notabene geen enkel woord losgelaten tijdens de gewelddadige verhoren.19 Frans was door het noemen van Gerrits naam de vijand weliswaar te snel af geweest, maar dat die beslissing uiteindelijk Gerrits leven zou redden, kon hij toen niet weten. Dat het ‘verraad’ deze keer goed bleek uit te pakken, lijkt een kwestie van geluk geweest te zijn.20

‘perskaart’ De Waarheid. Privécollectie M. Mooy, Amsterdam

Ook Liesje Jessurum Lobo-Pijer was inmiddels samen met haar dochtertje Manja vanuit de provincie naar Amsterdam teruggekeerd. Het is vermoedelijk ten huize van de Lavells dat ‘kameraden’ Gerrit en Liesje elkaar weer ontmoet hebben. Weduwe Liesje en weduwnaar Gerrit hadden niet alleen beiden zware tijden achter de rug, alle twee moesten in die naoorlogse tijd zien om te gaan met het verlies van vele dierbaren die waren omgekomen. Het bracht hen nader tot elkaar, gesterkt door hun linkse politieke overtuiging die onveranderd was gebleven. De twee konden het goed met elkaar vinden en in mei 1946 betrokken ze samen een woning aan de Andreas Bonnstraat in Amsterdam Oost, de buurt die ze zo goed kenden omdat beiden in de vooroorlogse jaren daar met hun eerste partners en kinderen hadden gewoond. Tot een tweede huwelijk kwam het niet, wel werd in juni 1948 dochter Lydia geboren.21

Hoewel de gezondheid van Gerrit door oorlogsjaren danig was ondermijnd, hervatte hij spoedig ook zijn activiteiten ten behoeve van de communistische zaak. De strijd van overheidspersoneel voor rechten en inkomen vond in hem, evenals voor de oorlog al het geval was geweest, een goede belangenbehartiger.

Jarenlang speelde hij ook, samen met onder andere de eerdergenoemde Siem Korper en Jan Brasser – beiden verzetsstrijders van het eerste uur – een vooraanstaande rol in de organisatie ‘Verenigd Verzet 1940-1945’, ook in de internationale afdeling daarvan, de Fédération International des Résistants (FIR). In 1963 kreeg Gerrit daarvoor van de Oostduitse antifascistische organisatie ANTIFA de medaille voor strijders tegen het fascisme.22 Hij hield toespraken en schreef vrijwel jaarlijks artikelen stukken in De Waarheid om de herinnering aan de Februaristaking levend te houden. Ook beschreef hij in de krant zijn eigen ervaringen in Buchenwald en noemde daarbij ook de namen van verzetsstrijders en wat ze gedaan hadden, activiteiten die velen met hun leven hadden moeten bekopen. Hij werd vertrouweling van politiek secretaris en latere CPN-partijvoorzitter Paul de Groot en als zodanig belast met ‘de bevordering van de eenheid van de arbeidersklasse’. Later bekleedde Gerrit eerst als secretaris en later als voorzitter vooraanstaande posten in het Amsterdamse districtsbestuur van de CPN, een partij die grote interne conflicten over de te volgen partijlijn kende, waar ook Blom onderdeel vanuit maakte. Regelmatig reisde hij door het land om besprekingen te voeren met partijleden en potentiële kiezers te enthousiasmeren.

Begin 1965 kreeg Gerrit onderweg naar een bijeenkomst in Groningen een auto-ongeluk met ingrijpende gevolgen. Hij moest het rustiger aan doen. In oktober van dat jaar besloot hij samen met Liesje naar Roemenië af te reizen om wat langer de tijd te nemen voor zijn lichamelijk herstel. Het bizarre toeval wil dat hij in de buurt van Brassov op 16 oktober 1965 voor een tweede maal bij een ernstig ongeluk betrokken raakte. Zwaargewond werd Gerrit naar het ziekenhuis in Boekarest overgebracht waar hij een paar dagen later aan zijn verwondingen overleed. Besloten werd om de crematie in Roemenië te laten plaatsvinden. Dat geschiedde op woensdag 20 oktober in aanwezigheid van internationale communistische partijleiders, vertegenwoordigers van massa- en verzetsorganisaties en de afgevaardigde van het Amsterdamse districtsbestuur van de CPN, André de Leeuw. Hij was naar Boekarest gestuurd, mede omdat hij arts was. Samen met Liesje, die een bekkenfractuur en een gebroken arm had opgelopen, keerde hij na de crematie terug naar Nederland waar familie, vrienden en partijleden hen opwachtten.

Een strijdbaar leven ten behoeve van de verbetering van de positie van arbeiders op basis van nationale en internationale solidariteit, een strijd voor, door en met kameraden was ten einde gekomen. Gerrit is 56 jaar geworden.  

Wally de Lang, auteur van dit artikel, heeft in februari 2021 een boek over dit onderwerp gepubliceerd, te koop bij de betere en lokale boekhandel.

 

bronnen en noten
1 Met goedkeuring van de Nederlandse regering werd door commissaris Broekhoff van de Amsterdamse politie namenlijsten gemaakt van antifascisten en helpers van Duitse Joodse vluchtelingen, lijsten die werden doorgespeeld aan de Gestapo in Duitsland

2 De Waarheid, 20.02.1965. De Waarheid was een krant van communistische signatuur. Het was de opvolger van de vooroorlogse communistische bladen De Tribune en Het Volksdagblad, en verscheen vanaf november 1940 als verzetskrant. Het blad groeide uit tot een van de belangrijkste illegale bladen in de bezettingstijd. In 1990 werd het blad opgeheven.

3 Herman Coenradi, communist (23.04.1909-13.03.1941)

4 De Waarheid 16.02.1953

5 Gerrit Blom, ‘Vandaag 14 jaar geleden’ in De Waarheid, 22.02.1955

6 Gerrit Blom schrijft helaas niet welk nieuws het betrof, maar vermoedelijk ging het over de door de communisten in het geheim georganiseerde grote staking die op 25 en 26 september Amsterdam en omstreken had platgelegd. Een groots en succesvol verzet tegen de Duitse vijand waar men in Nederland, maar ook in de Duitse kampen hoop uit kon putten.

7 ‘Organiseren’ betekende in kampjargon het ritselen, stelen of ruilen van eten.  

8 De Waarheid 23.02.1957

9 Zie noot 8

10 Ernst Kahn, de eigenaar van Koko-ijssalon in de Amsterdamse Rijnstraat, drie organisatoren van de Februaristaking: Eduard Hellendoorn, Joop Eyl en de eerdergenoemde Herman Coenradi, Leon Schijveschuurder die opgepakt was terwijl hij stakingsaffiches voor 6 maart 1941 opplakte, en vijftien man van de Geuzen-verzetsgroep werden wel gefusilleerd.

11 https://historiek.net/wie-maakten-de-februaristaking-mogelijk-ze-zijn-verzwegen-en-vergeten/76111/

12 idem

13 Zie noot 17

14 De Waarheid 21 februari 1946

15 In de familie gaat verhaal dat Gerrit in zijn been geschoten was en de wond expres openhield (met alle gevaren van dien). Hij had een enorm bultachtig litteken bij zijn knie. Mail Lydia Blom aan auteur, 25.09.2019

16 Liesje Jessurum Lobo, meisjesnaam Elisabeth (Liesje) Pijer.

17 Brief ‘mama’ (Roosje Berlijn) aan Gerrit, 12 oktober 1943. Alle brieven, ook die hierna in de tekst worden genoemd, komen uit de privécollectie van M. Mooij, Amsterdam.

18 Ze woonde in de Ceramstraat in Amsterdam

19 M. Mooij in ‘Opa overleefde doordat hij werd verraden’, Het Parool, 25 februari 2016

20 Frans Lavell (sr) heeft er zijn hele leven naar terugverlangd om dat moment tijdens het verhoor over te kunnen doen. Hij voelde zich zo schuldig dat hij tijdens zijn gevangenschap extra veel moed en slimheid aan de dag legde jegens medegevangenen, bijvoorbeeld door het ‘organiseren’ van extra eten voor hen. Hij vond dat hij iets goed moest maken en nam daardoor extra grote risico’s. Mail Frans Lavell jr aan auteur, 25.02.2018]

21 In Rode Kruis-dossiers zijn veel brieven te vinden van mensen die na de oorlog wilden hertrouwen en daarvoor een bewijs van overlijden van hun eerste partner nodig hadden. Die officiële bewijzen waren in veel gevallen nog niet van stads- of regeringswege voorhanden. Het was na de oorlog zo’n administratieve chaos dat het jaren heeft geduurd voordat bekend en gedocumenteerd was wat er met de omgekomen personen gebeurd was. Pas in 1950 heeft het ministerie aan de gemeenten opdracht gegeven de personen van wie vast was komen te staan dat ze waren omgekomen, als zodanig in de overlijdensregisters te registeren.   

22 De medaille bevindt zich in de privécollectie M. Mooij, Amsterdam. Dat binnen die nationale en internationale verzets-verenigingen ook allerlei oppositie bestond tegen de manier van optreden van Blom verdient een apart artikel. Zie o.a. de ‘geheime’ (thans openbare) stukken van de Binnenlandse Veiligheidsdienst. Online.

Voor meer documenten betreffende Gerrit Blom zie ook: R. Schütz, Het dossier van Salomon Vischschraper en Gerrit Blom, in Guus Luijters e.a., De deportaties uit Nederland 1940-1945. Portretten uit de archieven. Amsterdam 2018

gepubliceerd
17 februari 2021 © Wally de Lang