Oorlogsliefde

De ouders van Karel Baracs (66) leerden elkaar tijdens de Tweede Wereldoorlog kennen. Hij een joodse Hongaar die in 1942 moest onderduiken, zij een jongedame uit een Amsterdamse verzetsfamilie. Als Stadsverteller van Amsterdam vertelt Karel de aangrijpende liefdesgeschiedenis van zijn ouders onder meer op basisscholen.

‘Mijn vader Sándor Baracs  was een Hongaar die kort ná de Eerste Wereldoorlog als joodse jongeman tot twee keer moest vluchten voor politiek antisemitisme. Eenmaal in Amsterdam trad hij in dienst van een Duits bankfiliaal. In 1934 werd hij genaturaliseerd tot Nederlander.
Mijn moeder Hester van Lennep was een bankiersdochter en nakomelingetje uit een groot gezin. Als jong meisje ging ze wonen bij haar familie aan de Keizersgracht in Amsterdam. Hester ontwikkelde zich tot een zelfbewuste jongedame die zich niet graag de wet liet voorschrijven.  Ze was een echte vrijdenker met een groot, warm hart.

Onderduiken
Sándor waarschuwde zijn Amsterdamse kennissen reeds voor de oorlog voor het oprukkende fascisme. De nazi’s konden volgens hem slechts op één manier bestreden konden worden: met wapens. Kort na het begin van de bezetting vroegen twee vrienden van mijn vader, de broers Janka en Gideon Boissevain, Sándor om wapeninstructie te geven bij hen thuis in de Corellistraat 6. Dit adres zou later uitgroeien tot dé plek van verzetsgroep CS6.

Het was ook in de Corellistraat dat de toen 42-jarige Sándor de zestien jaar jongere Hester voor het eerst ontmoette. Zij was daar op bezoek als het jonge ‘tantetje’ van de broers Boissevain. Sándor was meteen van het mooie meisje gecharmeerd. Hij besloot haar te bewonderen op afstand, omdat hij haar niet in gevaar wilde brengen: omgaan met joden was strafbaar voor niet-joden. Toen Sándor in de loop van 1942 werd gezocht door de nazi’s, hielpen de Boissevains hem aan een onderduikadres en een vervalst persoonsbewijs op naam van Sjoerd Bartels. Hij dook onder in een kelderruimte aan de Keizersgracht. Voor de oorlog had hun moeder Mies dit souterrain gebruikt voor bijeenkomsten van haar zogenaamde ‘Hutspotclub’, een bijzondere vrouwengroep van feministes avant la lettre. Overdag hield Sándor zich schuil in zijn kelder en ‘s avonds als het buiten pikkedonker was, maakte hij een korte wandeling in de buurt.
Twee huizen verderop woonde Hester met haar vriendin Pauline. De vriendinnen runden samen op zolder Hester’s Instituut voor Huidverzorging. Haar neven Boisssevain vroegen Hester of ze voor de onderduiker in hun souterrain wilde zorgen. Ze bracht hem voedsel en drinken, ze praatten en lachten samen. Sándor werd stapelverliefd op het meisje, dat zo lief voor hem was en zich zo dapper toonde. Zij vond hem eerst wat te oud, maar voelde zich ook steeds meer tot hem aangetrokken.

Jodenvervolging
In 1942 bereikte de jodenvervolging in Amsterdam een dieptepunt. Joodse families werden tijdens razzia’s opgepakt en afgevoerd naar de Hollandsche Schouwburg in afwachting van hun deportatie naar de vernietigingskampen. Om te voorkomen dat gezinnen zouden proberen te ontsnappen, werden alle kinderen tot 12 jaar gescheiden van hun ouders. Ze werden overgebracht naar de overkant van de straat, naar de zogenaamde  ‘crèche’, eigenlijk een gevangenis voor kinderen.
In juni 1942 kwam dr. Gesina van der Molen eindexamens afnemen in de aangrenzende Kweekschool. De kleine kinderen die speelden in de naastgelegen tuin vielen haar op. Toen ze hoorde dat het om Joodse kinderen ging die op deportatie wachtten, beschouwde de gereformeerde Gesina het als een opdracht van God om hen te redden. Samen met onder andere Walter Süskind van de Joodsche Raad, bedacht zij een plan om de kinderen, met toestemming van de ouders, weg te smokkelen vanuit de crèche naar onderduikadressen.  

Kindersmokkel
Gesina zocht daarbij de hulp van een aantal jonge Amsterdamse vrouwen. Via Mies Boissevain, die Gesina nog kende van ‘De Hutspotclub’, kwam zij in contact met Mies’ zusje Hester. Hester was toen al meerdere malen getuige geweest van razzia’s op straat, ze zag hoe Joden werden opgepakt en afgevoerd en besloot om in actie te komen.
Samen met Pauline en vele anderen smokkelde zij tussen herfst 1942 en zomer 1943 tachtig kinderen uit de crèche. Ze werden op verschillende manieren ‘ontvoerd’: in wasmanden, rugzakken en afvalemmers.
Hester vroeg Sándor of hij haar zou willen helpen met het wegbrengen van de kinderen naar veilige adressen. Sándor zei daarop, nogal onnozel: “Maar wat zijn dat dan voor kinderen?” Waarop zij hem ontzet antwoordde: ‘Ja, mijnheer Bartels… Wat zouden dát nu voor kinderen zijn?’
Dat Hester zich als niet-Joodse bekommerde om het lot van Joodse kinderen zorgde ervoor dat Sándor’s liefde voor haar nog méér toenam. Hij besloot om haar te helpen en onder de schuilnaam Piet van Swieten bracht hij kleine kinderen per trein naar onderduikadressen.

Op de vlucht
In de herfst van 1943 waren de meeste Nederlandse Joden afgevoerd naar de concentratiekampen. Een klein deel overleefde in onderduik. Het wegsmokkelen van kinderen stopte weliswaar, maar Hester en Sándor bleven samen actief in het verzet, Sándor als politiek redacteur en Hester als koerierster van Trouw, de verzetskrant opgericht door Gesina. Samenwerkend onder grote spanning, leerden zij elkaar door en door kennen én vertrouwen en hun liefde werd steeds hechter.
In 1943 werd de CS6-verzetsgroep van Hester’s neven Boissevain opgerold door de nazi’s. Tijdens wrede verhoren werden de leden onder druk gezet om namen prijs te geven. Hester’s neef Gideon Boissevain zag kans om een in zijn eigen bloed geschreven papiertje de gevangenis uit te smokkelen met daarop: ‘Hester, pas op!’
Hester weigerde eerst om haar huis te verlaten, maar Sándor wilde daar niets van weten. Ze besloten nog die nacht om te vertrekken, ieder naar een ander onderduikadres. De volgende ochtend viel de SD het grachtenhuis binnen, via het dak van de buren. “Wat zoeken jullie?”, vroeg de buurman. “We zoeken kikkers!”, was het antwoord, een bijnaam voor onderduikers.

Hoewel ze verbleven op verschillende adressen, bleven de geliefden elkaar zien.

Het is donderdag 20 januari 1944. ruim een jaar voor de bevrijding van West-Nederland.
In het gemeentehuis van het dorp Tienhoven (U) poseert een feestelijk gezelschap van twaalf personen.
Zij zijn gekomen om een unieke en illegale huwelijksvoltrekking mee te maken.
Vooraan zit het bruidspaar: de joodse Sándor Baracs (42) en de niet joodse Hester van Lennep (27). Ze zijn samengebracht als gevolg van het lot: de nazi-bezetting en hun gemeenschappelijke verzetsactiviteiten.
Ook de fotograaf die deze scenes heeft vastgelegd, is een verzetsman. Zijn naam is Johan van Dijk 1922 – 2004. Hij is de fotograaf van de verzetsgroep CS6 en is vandaag speciaal meegekomen vanuit Amsterdam, om dit unieke illegale huwelijk vast te leggen.
Net zoals verschillende familieleden en vrienden uit het verzet zijn meegereisd om dit mee te maken. Alle aanwezigen beseffen maar al te goed dat dit kersverse bruidspaar zich al geruime tijd opgejaagd weet door de SD vanwege hun verzetsactiviteiten. Al deze bruiloftsgasten zijn zelf – in meer of mindere mate – actief in het Amsterdamse verzet.
Achterste rij (v.l.n..r): Hesters zwager Hylke Halbertsma, Ansko van den Hoorn (burgemeester van Tienhoven), de bode cq. gemeenteambtenaar
van Tienhoven. Middelste rij (v.l.n..r): Mies Nolte en Gesina van der Molen (twee verzetsvriendinnen van het bruidspaar, Annemie Boissevain (16) (Hesters nichtje), Sara Halbertsma – van Lennep (Hesters zuster), mevrouw Van den Hoorn (echtgenote van de burgemeester), Annie de Vries – Buiting en haar man P. de Vries (Hesters onderduikouders).

Verzetshuwelijk
Toen Sándor zijn verlangens eens niet langer kon onderdrukken, hield zij hem af en zei: “Met mij kan men niet alleen flirten! Met mij kan men alleen trouwen!” Sándor stotterde: “Maar dat bedoel ik ook!”
Een huwelijk tussen een jood en niet-jood was onder de nazi’s ondenkbaar. Toch vroeg Hester Sándor ten huwelijk. Niet Hitler, maar zijzelf, zou bepalen met wie ze trouwde, het was haar grootste daad van verzet. Via via hoorden de geliefden van het bestaan van de anti-nazi burgemeester van het Utrechtse dorp Tienhoven die verzetsstrijders trouwde. Mr. A.A.van den Hoorn stemde er mee in Sándor en Hester in het grootste geheim te trouwen voor de Nederlandse wet.
Op 20 januari 1944 reisden Sándor en Hester met een klein gezelschap van vrienden naar het dorpje in de buurt van Hilversum. De burgemeestersvrouw had eerder die dag in het dorp bewust het gerucht verspreid dat er hoge heren van de ruilverkaveling zouden langs komen, om zo het bezoek van een deftig gezelschap minder verdacht te maken.
Voor de huwelijksdag beleefde Sándor een zeer onrustige nacht op zijn onderduikadres. Hij arriveerde later dan afgesproken bij de wachtkamer Eerste Klasse op het Centraal Station en zag zijn toekomstige bruid niet. Minutenlang dacht hij dat het allemaal maar een droom was dat hij, een ondergedoken jood in nazi bezet Nederland, ging trouwen met het mooiste meisje van de wereld. Maar zijn neerslachtigheid sloeg om in vreugde toen hij, slechts een paar minuten voor vertrek van de trein, Hester de wachtkamer zag binnen wandelen. Ze kuste hem en op dat moment besefte hij dat wonderen bestonden.

Trouwe wachter
De burgemeester trouwt het koppel in de raadszaal van Tienhoven en vanaf dat moment zijn Sándor en Hester officieel een paar. Om geen aandacht te trekken houdt Hester haar bruidsboeket op de terugreis niet feestelijk in de hand, maar steekt ze het omgekeerd in haar tas, met de stelen naar buiten.
Na de oorlog zijn Hester en Sándor teruggekeerd naar Tienhoven om het burgemeesterspaar te bedanken. Ook haalden zij bij die gelegenheid hun trouwboekje op, met daarin in goud geschreven letters hun geboortenamen. Het had al die tijd verborgen gelegen onder het kippenhok van de burgemeester.
Die dag krijgen ze een verlaat en bijzonder huwelijkscadeau van het burgemeestersechtpaar: een olieverf schilderijtje van de molen van Tienhoven, ‘De Trouwe Wachter’, in de waarschuwingsstand. Wanneer de SS het dorp naderde werd als eerste de molenaar op de hoogte gebracht. Deze zette dan vlug de wieken van de molen in een bepaalde stand om zo de boeren die onderduikers verborgen hielden, te waarschuwen. Ze konden zich dan tijdig verstoppen in het uitgestrekte rietland, tot de kust weer veilig was. Het schilderijtje heeft altijd boven het huwelijksbed van mijn ouders gehangen.

Nooit vergeten
Vlak na de oorlog schreef mijn moeder een strip voor de jeugd over hun bijzondere verhaal voor Trouw: ‘Het Kikkerverhaal’.
Mijn ouders zijn altijd bij elkaar gebleven, na de oorlog kregen ze drie kinderen: Amalia, Eva en ik. Mijn vader adoreerde mijn moeder, zij steunde hem in alles. Het was geweldig om te zien hoe liefdevol ze 57 jaar lang met elkaar omgingen. Mijn moeder overleed op 83-jarige leeftijd en werd overleefd door mijn vader, die bijna 102 werd. Mijn ouders verloren veel vrienden en familie, zagen de meest vreselijke dingen van dichtbij, maar de oorlog heeft ze tegelijkertijd ook samen gebracht.

Ik heb mijn ouders nooit ruzie zien maken. Er was al genoeg ellende in de wereld, vonden ze. Dat ik later van beroep verteller ben geworden, heeft alles met mijn ouders te maken. Ik wil hun verhaal doorgeven aan volgende generaties, zodat het nooit vergeten wordt. 

Sándor en Hester poseren hier tien minuten na hun ja-woord. Ze gaan als man en vrouw op weg naar de lokale bus naar Hilversum.
Van daaruit zullen ze per trein naar Amsterdam reizen, naar hun zoveelste onderduik-adres.
De joodse Sándor is dit leven al jaren gewend. Hij leeft al sinds 1941 in onderduik en onder diverse valse namen, zoals Sjoerd Bartels of Piet van Swieten.
Hester, die niet joods is, trekt al sinds een half jaar van schuiladres naar schuiladres.
Volgens haar valse persoonsbewijs is haar naam Julia van Laar. Zij heeft haar bruidsboeket (ontvangen van het burgemeesters-echtpaar) in haar handtas gestopt.
De bloemstelen laat Hester naar buiten steken, om geen ongewenste aandacht te trekken tijdens de thuisreis.

Onderscheiden
In totaal zijn er door vier verschillende verzetsgroepen in totaal 600 kinderen weggesmokkeld uit de crèche van de Hollandsche Schouwburg. Dat lijkt veel, maar mijn ouders hebben er altijd verdriet over gehad dat zij niet meer kinderen in veiligheid konden brengen. Duizenden Joodse kinderen hebben de detentie in de crèche niet overleefd.

In 1985 ontving Hester de Yad Vashem-onderscheiding van de staat Israël, als ‘rechtvaardige onder de volkeren’ en in 2016 is in Amsterdam Slotermeer een brug naar haar vernoemd: de Hester van Lennepbrug.

Verhaal:
Karel Baracs, www.verhalenman.nl

Illustraties:
met vriendelijke toestemming van Karel Baracs

Met vriendelijke toestemming van:
Karel Baracs
Redactie Libelle (artikel uit Libelle 2/3 2018)