Provinciaal Ziekenhuis Bloemendaal / Santpoort

In 1849 werd in de gemeente Bloemendaal, nabij Santpoort, het provinciaal gesticht ‘Meer en Berg’ geopend, aanvankelijk voor 250 patiënten. Aan het einde van de 19e eeuw was dit aantal al naar ca. 1300 opgelopen. Ook na de 2e Wereldoorlog was deze instelling geopend, in 1970 werden hier ruim 900 patiënten verpleegd. In die tijd vonden er verbouwingen en moderniseringen plaat en in 1971 werd op het terrein de jeugdpsychiatrische kliniek „Amstelland” geopend. Inmiddels was de naam van de instelling gewijzigd in provinciaal ziekenhuis “Santpoort”.

In 1986 werd besloten de kliniek te sluiten, en de patiënten in kleinere instellingen in Amsterdam onder te brengen.  Tussen 1987 en 2002 werd de instelling afgebouwd, waarna het terrein van bijna 38 hectare leeg bleef staan. Na een voorbereidingsperiode van ruim tien jaar is het terrein getransformeerd tot een woongebied met ca. 300 woningen. Nadat het monumentale hoofdgebouw grondig was gerenoveerd, zijn daarin in 2020 44 luxe wooneenheden gerealiseerd.

Het provinciaal Ziekenhuis tijdens de 2e Wereldoorlog
Onder de verpleegden in het Provinciaal Ziekenhuis nabij Santpoort bevinden zich tot de evacuatie van het ziekenhuis in februari 1943 bijna tweehonderd onderduikers, voornamelijk Joden, die als ‘patiënt’ te boek staan. Sommigen kunnen zich vrij over het terrein bewegen, anderen moeten binnen blijven. Een aantal personeelsleden van het ziekenhuis is op een of andere wijze bij het verzet betrokken, zoals Toon van Bakel van De Drie Musketiers en tuinman Bram Jonker.

Bram Jonker vertelde hierover: “De persoonsbewijzen van de patiënten, dus ook van de Joodse onderduikers, lagen op het kantoor van het ziekenhuis. Voor zover ik weet, is er nooit controle geweest. De onderduikers werden over de werkploegen verdeeld, die zich bezighielden met bijvoorbeeld harken, schoffelen of zand kruien. In mijn ploeg had ik ook een stuk of wat Joodse onderduikers. Zelfs echtparen waren in het ziekenhuis ondergedoken! Op zekere dag was er een luchtballon, een soort zeppelin, boven het PZ-terrein te zien. Het gevaarte kwam uit het havengebied van IJmuiden, waar het geallieerde vliegtuigen moest hinderen. Er hing nog een stalen kabel aan. Toon van Bakel kon die net nog pakken en met z’n allen hebben we de ballon naar beneden gehaald. In de ballon was een luikje, dat Van Bakel openmaakte en waardoor de ballon leegliep. We wilden het ding houden, maar dat ging niet door, want de Duitsers hadden het gevaarte vanuit IJmuiden gevolgd en stonden op het terrein.”     

Geheim agent op bezoek
In het ziekenhuis is tenminste één geheim agent over de vloer geweest. De naar Engeland uitgeweken journalist Meyer Sluyser krijgt op zeker ogenblik bezoek van lid van de SOE, die hem vertelt dat iemand naar Nederland gestuurd wordt om contact op te nemen met S.D.A.P.-voorman Koos Vorrink, die in het politieke contact werkt. Al eerder heeft Vorrink een poging gedaan om een Engelandvaarder een politiek rapport mee te geven. Meyer Sluyser geeft de dienst drie adressen van mensen in Nederland, die hij heel goed kent, waaronder die van de twee Joodse dames Lelie. De agent die vanuit Engeland gestuurd wordt is Gerrit Dessing, alias Dirksen. In de nacht van 27 op 28 februari 1941 wordt Dessing boven de Veluwe gedropt. Hij moet onder anderen contact leggen met Koos Vorrink, Wiardi Beckman en Karel van Staal. Wiardi Beckman is dan al op het strand van Scheveningen gearresteerd, maar dat is dan nog niet bij de SOE bekend.

Meyer Sluyser: ‘Er moest een introductie verkregen worden. Alle drie kwamen regelmatig bij ons thuis, kenden mijn kinderen heel goed en wanneer ik dus een foto van mijn dochter zou meegeven in een kledij, die zij niet kenden, dan zou dit een bewijs zijn, dat dit een foto was, die gemaakt was, nadat zij uit Nederland was weggegaan. De foto op zich zelf was, als men scherp keek, onmiddellijk te begrijpen. Bovendien had ik kans gezien, via Lissabon een kletsbrief aan de Lelie’s te schrijven, waarin ik zei, dat Marijke het zo goed maakte en dat wij nieuwe kleertjes hadden gevonden, waarbij ik een beschrijving daarvan gaf, zodat deze zaak op de een of andere manier klopte. Er was natuurlijk het gevaar, dat Dessing in handen zou vallen van de moffen, vóórdat hij zijn boodschap had gedaan, en dat dezen gebruik zouden maken van zijn security-check. Daarop moest dus iets bedacht worden. Vroeger was Dessing in Zuid-Afrika accountant geweest, en in dat kletsbriefje schreef ik dat ik iemand kende die vroeger accountant was. Als de man, die zich aandiende met het portretje, geen accountant was, dan klopte het niet.’

Dessing kent deze informatie aan de dames Lelie niet en in overleg met SOE-chef Laming lijkt het ook de beste security. Dessing kom in Nederland achter een SS-kazerne neer, maar het loopt goed af. Hij vervoegt zich bij de dames Lelie met de foto, die verkleind is tot een medaillon. De brief van Meyer Sluyser hebben de Lelies niet ontvangen, dus er ontstaat enige verwarring. Uiteindelijk verlenen de twee dames hem onderdak, dat uiteindelijk drie maanden zou duren. Het portretje van de dochter van Meyer Sluyser, waar behalve het meisje ook een pop op stond, blijft met geheimzinnigheid omgeven. Er blijken volgens Meyer Sluyser, door de Engelse dienst meerdere afdrukken van gemaakt te zijn, zonder dat anderen daarvan op de hoogte zijn. Kennelijk heeft men op die wijze van dezelfde contactadressen gebruik willen maken. Na Dessing wordt een agent gedropt, die echter bij de landing verongelukt. Op zijn lijk wordt een identiek portretje aangetroffen, dat in handen van de verrader Anton van der Waals komt.

Meyer Sluyser PE: ‘Er is een ogenblik geweest, dat men gezegd heeft: Dessing heeft het aan van der Waals gegeven. Het portretje is nooit uit het huis van de dames Lelie geweest.’

Saar Lelie, boekhoudster van de S.D.A.P., zegt tijdens haar verhoor door de Enquêtecommissie: ‘Ik heb het portretje meegebracht. Ik heb het gered met mijn spullen. Ik had Dessing nog nooit gezien en wist niet van zijn komst, want de brief waarin hij werd aangekondigd kwam pas veel later. Dessing had gelopen van de Veluwe naar Amersfoort. Hij was in de sneeuw neergekomen, dus zijn schoenen waren niet meer bruikbaar. Hij heeft zich eind Februari 1942 geïntroduceerd met één portretje. Ik heb hem opgenomen, omdat hij eigenlijk niet wist waar hij naar toe zou. Toen hij goed en wel bij mij was, zei hij: Ik heb nog zo’n portretje, wil jij dat nemen? Ik heb hem verschillende vragen gesteld en hij noemde zich Gerrit Dekker. Later gaf hij in strikt vertrouwen zijn echte naam. Hij moest mij vragen naar het adres van van Looi, Wiardi Beckman en Vorrink. Beckman was toen al gevangen genomen. Toen ik de ster moest dragen, heb ik gezegd: je moet hier weg nu; dat is beter; de aandacht wordt erop gevestigd, dat jij, die zonder ster loopt, hier het huis uitgaat. Ik vond hem correct en betrouwbaar. Toen mij later de grond onder de voeten te warm werd, ben ik in September ondergedoken in Santpoort, in het Provinciaal Ziekenhuis. Daar is van Staal, die connecties met van Looi had, bij  mij geweest; die heeft gezegd, dat van der Waals er was en dat Gerrit terug moest. Ik zei: daar werk ik niet aan mede, want ik vertrouw van der Waals niet. Dat heb ik nooit gedaan. Er dreigde dus bijna contact tussen Dessing en van der Waals. Dessing is ruim een jaar in Nederland gebleven. Die twee exemplaren van het portretje die ik u laat zien, zijn mijn huis niet uitgeweest. Toen ik ondergedoken ben, heb ik mijn photo’s aan iemand in bewaring gegeven, verpakt; er waren veel kinderphoto’s bij. Van deze twee exemplaren kan tijdens de bezetting geen gebruik gemaakt zijn door een ander. Dessing had het tweede exemplaar als reserve bij zich. Hij is bij mij in Santpoort geweest, en is na de bevrijding bij mij op bezoek geweest.’

Dessing heeft meermalen contact gehad met Koos Vorrink en heeft van hem diverse documenten op microfoto meegenomen voor de Nederlandse regering in Londen, waar hij uiteindelijk in september 1943 arriveert. Of dat contact met Vorrink ook in het Provinciaal Ziekenhuis heeft plaatsgevonden is niet bekend geworden. In de tijd dat Dessing in Nederland is, is het Englandspiel in volle gang. Zonder het te weten, hebben Dessing en de SD-handlanger Poos van de Abwehr elkaar wel gezien, maar weten ze beiden niet, wie wie is.

Evacuatie
Tussen 4 januari en 5 februari 1943 moeten patiënten, onderduikers en een groot gedeelte van het personeel evacueren naar inrichtingen in Deventer, Den Dolder, Vught, Zutphen, Warnsveld, Utrecht en Eindhoven. Dat is een hele organisatie, maar door de enorme inzet van al het personeel komt het toch voor elkaar. Op het terrein van het Provinciaal Ziekenhuis wordt een noodperron gebouwd, waar een personentrein staat opgesteld. Onder normale omstandigheden wordt de spoorlijn tussen het ziekenhuis en het station in Santpoort alleen voor goederenvervoer gebruikt.

Bram Jonker: “Tijdens de evacuatiewerkzaamheden werd dagelijks een varken geslacht in verband met het verstrekken van erwtensoep aan het personeel. Tenminste één joodse jongen wilde dat niet eten, hoe ik er ook op aandrong, want ik zei hem dat hij misschien niet meer zo veel te eten zou krijgen. Bij het eerste transport kon de stoomlocomotief de zware D-trein nauwelijks vooruit krijgen en in een bocht ontstond kennelijk zo’n kracht op de rails, dat de bouten als lucifershoutjes afknapten. Er moest een baanonderhoudsploeg komen en een tweede locomotief. Die twee locs konden de wagons wel trekken. Smit fungeerde als rangeerder en om in de lange trein het contact met de meereizende artsen te onderhouden, trad ik als ordonnans op. In 1936 was het houten zusterhuis afgebroken en dat hout kwam nu goed van pas. Timmerman De Graaf maakte van het hout kratten, die bij de verhuizing gebruikt werden. Vrachtauto’s van het expeditiebedrijf Kaarselade Veer uit Haarlem en van de Papierfabriek Van Gelder Zonen werden ingezet om al het materiaal naar de diverse inrichtingen te verhuizen.”

Ook de koperen bel uit de toren van het hoofdgebouw verhuist, maar dat doen de Duitsers. Zij nemen de klok, die voor kerktijd luidt omdat de Adventskerk bij de oude hoofdingang geen luidklok heeft, mee naar de ‘Heimat’.

De naam van geneesheer-directeur dr. Kraus mag in verband met de gedwongen evacuatie niet vergeten worden. Voor het vertrek spreekt hij het personeel toe, waarbij hij de te verwachten moeilijkheden schetst waaronder het zou moeten gaan werken.

Paul Hartendorf van de huishoudelijke dienst van het ziekenhuis: “Hij had het over ‘de geest van Santpoort’, een term die hij wel vaker gebruikte, en vroeg ons om in die geest verder te blijven werken. Het was een ontroerend moment. Hij heeft ook steeds geprobeerd de contacten tussen hem en de rest van het geëvacueerde personeel zo goed mogelijk te onderhouden. De magazijnen, de ruimten van de technische dienst en van de administratie bleven voorlopig in bedrijf en werden door de achterblijvers bemand. Alle spullen, zoals meubilair, de machines, keukenapparatuur en de persoonlijke bezittingen van personeel en patiënten dat niet kon worden meegenomen, werd elders in en buiten het ziekenhuis opgeslagen. Waar mogelijk werden de spullen goed verstopt, soms achter speciaal daarvoor gemetselde muren, of op het terrein begraven. Het werd niet door de Duitsers gevonden en na de oorlog kwam het materiaal goed van pas. Spullen uit het magazijn of medicijnen, die in een van de andere ziekenhuizen waar Santpoorters waren opgenomen nodig waren, werden per fiets of per trein door het personeel weggebracht.”

Voedsel voor de evacués wordt eveneens vanuit Santpoort naar de diverse inrichtingen gebracht. De in het Provinciaal Ziekenhuis achtergebleven tuinlieden gaan groenten en aardappels verbouwen en Bram Jonker legt zich zelfs toe op het telen van tabak. Een aantal aardappelrooiers wordt door de Duitsers opgepakt, als verdacht van het verlenen van hulp aan deserteurs. Zij worden eerst in het Paviljoen op het terrein van het ziekenhuis opgesloten en daarna overgebracht naar Haarlem.

Na het vertrek van de patiënten bezetten honderden Duitse militairen de ontruimde gebouwen in Santpoort. De vijand krijgt er echter lucht van, dat een aantal ‘Santpoortse’ Joodse onderduikers is meegegaan naar de andere ziekenhuizen om daar opnieuw onder te duiken.

Paul Hartendorf: “Zo’n twintig werden er gearresteerd, ondanks het verzet van de verpleegkundigen. Ruim twintig andere joden konden gelukkig wel ontsnappen, vergezeld door een paar verpleegkundigen. In het najaar van 1943 ben ik naar Deventer gegaan, maar de meeste weekends kon ik per trein naar huis. Na de spoorwegstaking van september 1944 bleef ik in Santpoort. Tijdens de Sinterklaas-razzia van 6 december was ik met een aantal collega’s in de tuin van het ziekenhuis aan het werk en een tuinman, die te oud was om opgepakt te worden, wenkte de Duitsers die op de Brederodelaan liepen. We vluchtten alle kanten uit, ondanks dat de moffen ons sommeerden halt te houden. Ze openden het vuur. Er lag een dik pak sneeuw en al zigzaggend hollend, met mijn klompen in de hand, liet ik mij daar steeds in vallen. De Duitsers hadden niet in de gaten dat het hek waar ze voor stonden, niet op slot was. Ik dook onder op de zolder van het zustershuis, pal tegenover mijn woning aan de Brederodelaan. Dat was dichtgetimmerd, maar mijn vrouw en zoontje waren er wel. Eerst kwam een parkwachter tegen mijn vrouw zeggen dat er op mij geschoten was, wat natuurlijk niet zo slim van hem was. Kort daarna kwam de Grüne Polizei achterom om aan mijn vrouw te vragen waar ik was. Zij antwoordde in haar beste Duits, dat ik in het Krankenhaus in Deventer was. Ik wachtte op die zolder de avond af en ben toen naar huis gegaan. Na enkele dagen ging ik weer aan het werk, maar toen in Huize Barnaart, de voormalige ambtswoning van de commissaris der koningin aan de Nieuwe Gracht in Haarlem, dat vanwege de evacuatie door het ziekenhuis als kantoor gebruikt werd.”

Als in 1944 ook de woonwijk rond het Provinciaal Ziekenhuis ontruimd moet worden, neemt een aantal gezinnen van het personeel zijn intrek in een grote leegstaande villa in Aerdenhout. De Joodse familie die daar eerst woont, kon op tijd de wijk nemen naar Amerika. Lang niet iedereen van het personeel vertrekt. Sommigen blijven thuis en timmeren hun huis dicht of blinderen de ramen met witkalk. Geneesheer-directeur Kraus gaat domweg in het zusterhuis wonen en Verbeek vindt ruimte in het hoofdgebouw.

Gewonde Duitsers die van het front komen, worden in het Provinciaal Ziekenhuis verpleegd. Op den duur zijn er honderden Duitsers op het terrein. Gelijktijdig zijn er Nederlandse jonge mannen ondergedoken, maar de Duitsers, met het eind van de oorlog in zicht,  doen net of ze de jongens niet zien.

Binnenlandse Strijdkrachten-groep (BS) De Toorts
In september 1944 richt achtergebleven of teruggekeerd personeel van het ziekenhuis een eigen BS-groep op. De groep noemt zich ‘De Toorts’, naar het gelijknamige gebouw aan de Duinweg of Duivelslaan, waar ze na de bevrijding gehuisvest wordt.

De BS-groep ‘De Toorts’ wordt gevormd door personeel van het Provinciaal Ziekenhuis. Hier staat de groep op 5 mei 1945 vóór het gebouw De Toorts aan de Duinweg of Duivelslaan in Santpoort-Station. Staand vlnr: J. Meunier, V.d. Putten, Bilder, V.d. Worp, Gerritse, Hartendorf. Zittend vlnr: P. Prenen en B. Jonker. (Foto: P.P. Hartendorf)

Bram Jonker: “De groep stond onder leiding van Gualthérie van Weezel uit Santpoort, die op Spaarnberg huisde. Aanvankelijk was de eerste taak van De Toorts om bij de bevrijding het oude dorp Velsen te bewaken en dan met name de grote bunker die bij de pont stond. We moesten zorgen dat daar de Canadezen in ondergebracht konden worden. Daarna werden we op het Provinciaal Ziekenhuis ingezet, waar we aanwezig waren bij de overdracht van de door de Duitsers bezette gebouwen aan de Canadezen. Intussen hadden zich tientallen collaborateurs onder de Duitsers gemengd en het werd onze taak die er tussenuit te halen. De Canadezen stelden de Duitsers op het plein voor het hoofdgebouw op, waarna ze werden ontwapend. Daar waren ook Duitse soldaten onder, die in Frankrijk en België hadden gevochten. Veel spullen die ze onderweg gejat hadden kwamen daarbij tevoorschijn, zoals balen lakens, nachtgoed en kleding. Dat was afkomstig van de bemanning van de Nederlandse Lloyd. Dat werd later met verhuiswagens opgehaald, maar in de buurt zag je toen bij verschillende huizen lakens aan de lijn hangen, waarvan eerst het embleem van de Lloyd was weggeknipt, waarna de lakens vervolgens aan elkaar waren gezet. Ach, er was gebrek aan alles. Ook materiaal van Schiphol kwam in het ziekenhuis terecht, zoals steekwagens en andere karren. Daar hebben we nog jaren plezier van gehad. Zelfs landbouwmaterialen uit Polen kwam in Santpoort boven water! De Toorts fungeerde als een soort zeef; bij het afmarcheren harkten wij onder de heggen en tussen de struiken nog van alles tevoorschijn, zoals wapens en buitenlands geld.
De groep heeft aan het verzet als zodanig nauwelijks iets kunnen doen, hoewel er wel contact was met De Drie Musketiers en de gaarkeuken van De Meza bij het station. Een paar weken na de bevrijding werd een hospitaal in een van de gebouwen van het Provinciaal Ziekenhuis ingericht, waar de Duitse soldaten werden behandeld die de mijnenvelden moesten ruimen. Daar waren vooral jonge jongens uit Elzas-Lotharingen bij, die zwaargewond werden binnengebracht.”

Nadat de uitgewoonde gebouwen van het Provinciaal Ziekenhuis zijn opgeknapt en van meubilair zijn voorzien, keren in de loop van de zomer van 1945 de patiënten en het personeel terug naar Santpoort, veelal vervoerd met wagens van het Rode Kruis. Zo’n 30% van de patiënten heeft de evacuatie, en dan in het bijzonder de hongerwinter, niet overleefd.

 

bron:
Algemene informatie Provinciaal Ziekenhuis via Wikipedia

Guus Hartendorf, Velsen Bezet en Bevrijd (Velserbroek 2000) met dank aan Guus Hartendorf

illustratie
De BS-groep ‘De Toorts’ (Foto: P.P. Hartendorf), met dank aan Guus Hartendorf

laatst bijgewerkt:
24 november 2020