Joods jongensweeshuis Megadle Jethomim

De eerste stichting voor de wezenverzorging binnen de Portugees Israëlitische Gemeente in Amsterdam was van het genootschap Abi Jethomim, in 1647 opgericht voor jongens en Meson-ha-banoth voor meisjes, opgericht in 1734. Vervolgens kwamen er twee weeshuizen van de Hoogduitse gemeente; Megádle Jethomim in 1738 en in 1761 een weeshuis voor meisjes op de Rapenburgerstraat. In eerste instantie bemiddelden de organisaties vooral, de zorg werd uitbesteed en er werd voor betaald. De organisaties hielden toezicht op onderwijs, verzorging en de keuze voor een beroep van de wezen.
De zorg voor Joodse wezen kwam in de 18e eeuw meer op gang, er waren ook meer kinderen die de zorg nodig hadden en capaciteit voor het uitbesteden werd te beperkt. Aan de basis van het Joodse jongensweeshuis stond Simon Mozes de Boer, die in 1771 in Amsterdam geboren werd. Hij stelde het bestuur van dit weeshuis financieel in staat om een pand te kopen aan de Zwanenburgerstraat, dat als weeshuis geopend werd op 17 januari 1836. Zelf was hij van 1835 tot zijn dood op 28 november 1839 regent van dit weeshuis. Op 1 mei 1865 betrok men een nieuw pand, op de Amstel 21, ook omdat het pand op de Zwanenburgerstraat te klein was geworden.

Het doel van de vereniging was “om weezen te helpen opvoeden, om ze te voeden en te kleeden, om ze Thora te laten leeren en ze voor een ambacht op te leiden”. De voorbereidingen voor de opening van het weeshuis in 1836 begonnen al in 1822, toen de heren B. van Praag, later voorzitter van de regenten, en Eliazer Barend Rubens in een bestuursvergadering van de leden van het ‘Weeskollegie’ met een voorstel kwamen tot inrichting van een gebouw. Het eerste pand van de vereniging zag er uit als een doorsnee-Amsterdams pand in het centrum. In februari 1835 werd er een pand op de Zwanenburgerstraat P 184 (in 1875 hernummerd naar 14) te koop aangeboden voor een bedrag van ƒ 4200,-. Er werd ook al in die tijd een bouwkundig onderzoek gedaan na een bericht dat de zijmuren scheuren vertoonde. Een timmerman en een metselaar onderzochten het pand en brachten een gunstig verslag uit. Het pand wordt aangekocht en op de voorgevel zou de tekst verschijnen:

נדבת שמשון לוי דע בוהר בשנת התקצייד ליצירה

‘Geschenk van Samson de Boer, den Leviet, in het jaar 5594 van de Schepping’. Maar over deze inscriptie is nogal wat te doen wanneer blijkt dat er veel geld moet worden uitgegeven aan de reparaties – zo’n ƒ 2000,-  en aan de inrichting, zo’n ƒ 3000,-. De Boer komt uiteindelijk met nog meer geld over de brug en bij de opening luidt de inscriptie op het gebouw:

נדבת כ’ שמשון בן כ’ מאזום לוי דע ביהר שנת תקצ”ה לפ”ק

‘Geschenk van den Heer Samson zoon van Mozes den Leviet de Boer in het jaar 595 naar de kleine tijdrekening’.
Bij de opening werd gedacht aan een mogelijkheid om jaarlijks 23 wezen te verplegen.

In 1835 werden de heren D. E. Lioni en B. S. Ries tot bestuursleden verkozen en op 1 augustus van dat jaar werd in alle synagogen van de Hoogduitse gemeente bekend gemaakt dat men een ongehuwde onderwijzer zocht om godsdienstig en maatschappelijk onderwijs te geven en de verdere opvoeding van de kinderen voor vrije kost en inwoning en een jaarwedde van ƒ 200,-. Daarnaast zocht men een vader en een moeder voor het gesticht, zonder kinderen, van onbesproken gedrag, niet jonger dan 30 jaar en niet ouder dan 60 jaar voor een jaarwedde van ƒ 150,-. De eis van de ongehuwde onderwijzer veroorzaakte sensatie in de gemeente en deze werd aangepast en ook gehuwde onderwijzers mochten solliciteren. Maarten Jacob Bos en Saartje Levie Cohen Grebel worden vader en moeder van de inrichting. Philip Levie Frenkel wordt verkozen tot onderwijzer. Voor de goede gang van zaken betreffende de huishouding waren regentessen nodig, op 2 augustus 1835 werden vijf dames benoemd.

De kinderen werden onderwezen tot de ‘Bar Mitswo’- leeftijd – de leeftijd van de Kerkelijke Meerderjarigheid (13) en dit kon bij goede resultaten worden verlengd tot een leeftijd van 15 jaar. De kinderen kregen een groter curriculum voor hun kiezen dan hun leeftijdsgenoten in het profaan onderwijs en de gemeente-inspecteur voor het onderwijs, Dr. S. I. Mulder, geeft in de 19e eeuw herhaalde malen aan ontevreden te zijn over de kwaliteit van het onderwijs.

In 1866 werd het onderwijs gereorganiseerd en werd S. Houthakker hoofd van de school, een functie die hij tot 1915 behield. Houthakker woonde in het weeshuis, had toezicht op de houding en het gedrag van de jongens in de Sjoel, op Sjabbos en de feestdagen, at met de kinderen. Er was in die tijd een aparte godsdienstleraar, rabbijn D. Sluys.
Houthakker wilde geen gecombineerde klassen en verdeelde de leerlingen over drie klassen. Kinderen beneden de zes jaar gingen naar de bewaarschool van mejuffrouw Van Norden. E. Monasch was hulponderwijzer, W. Pakkedrager gaf Frans en boekhouden, A. Wolf hoger taalonderwijs en J. Wilhelm gymnastiek. In 1871 wordt de school geïnspecteerd door schoolopziener Pierson en hij was zeer tevreden over de bereikte resultaten. De school van Houthakker leidde kinderen op tot rabbijnen, advocaten, kooplieden, administrateurs, onderwijzers en vaklieden.

In 1910 werd mejuffrouw A. Franco tot directrice aangesteld die het opvoedingssysteem van de instelling danig reorganiseerde. Zij zou tot 1 januari 1934 bij de instelling blijven werken. De kinderen werden door haar ook aan de huiselijke bezigheden gezet. Aan het begin van de 20e eeuw werd het onderwijssysteem gemoderniseerd, werd ook het onderwijs dat buiten het lesrooster gegeven werd binnen de schooluren ondergebracht en werd de school een zevenklassige school. Om de kinderen in hun algemene ontwikkeling verder te brengen werden musea en tentoonstellingen bezocht. Kinderen namen deel aan diverse jeugdorganisaties zoals ‘Zichron-Jaäcob’ en ‘Toutseous Chajjiem’. De Bar Mitswah voor de kinderen werd feestelijk gevierd, met een receptie voor de familie en een toespraak van rabbijn M. de Hond.

In 1925 werden er 75 wezen verpleegd en werd het bestuur gevormd door vier bestuurders en vijf bijzitters – dus negen personen waarvan er vier het dagelijks bestuur vormden. De organisatie was voor de inkomsten afhankelijk van giften en legaten. De inkomsten waren niet altijd voldoende, want in het jaarverslag over 1914 – 1925 meldde de vereniging dat er (mede door de toestand rond de Eerste Wereldoorlog) sprake is van een financieel tekort en dat men zich zorgen maakt om de uitgaven waar men zich voor geplaatst ziet nu het pand 60 jaar oud is en opgeknapt moet worden. Om de financiën enigszins op peil te krijgen had het weeshuis, zoals ook het Burgerweeshuis, het privilege om een inzameling te houden “tweemaal per jaar in den middagen van het Loofhutten- en Paaschfeest soll man mit Biks (bus) arum goin“.
En dus ging in de vroege lente acht man op pad, onder leiding van de sjammes (koster), om geld in te zamelen en door de goede stemming onder de mensen vanwege het begin van de lente werd er dan ook aardig wat geld opgehaald. Hetzelfde gold voor de tweede inzameling, in de herfst. Dan wees de glimmende koperen bus op datgene dat men als Jood moet doen, de Tsedoko, het geven van een gift aan de armen.
Wezen konden worden opgenomen wanneer ze vijf jaar oud waren, maar de bovengrens voor opname was 10 jaar. Men kon in het huis blijven tot men 15 jaar werd, die leeftijd werd in 1763 tot 18 jaar verhoogd. Per maand werd er vanuit de vereniging hoogstens ƒ 6,- betaald voor kost- en inwoning. Daarbij woonden niet alle wezen in het weeshuis, maar ondersteunde de vereniging ook kinderen die in een gezin zaten met een grote financiële nood, wanneer bijvoorbeeld een van de ouders was overleden. De regenten van de vereniging hadden daarbij ook het recht om de kinderen uit huis te plaatsen en een ander gezin te zoeken wanneer bleek dat de overgebleven ouder niet geschikt was om voor de kinderen te zorgen. De kinderen kregen één keer per jaar nieuwe kleren, op de dag voor nieuwjaar (of dit 31 december is of de dag voor Rosj HaSjanah is niet bekend). Elke jongen kreeg dan: 1 hoed, 1 pantalon, 1 paar kousen en 2 hemden en om de drie jaar een lakense mantel.

Na 1834 kregen kinderen die vertrokken ook nog kledingstukken mee, een douceur van ƒ 10,– en een getuigschrift van goed gedrag. Men kon niet alle Joodse wezen in de stad opnemen, in eerste instantie alleen kinderen van leden. Daarbij beperkte men zich ook zodat de uitgaven voor de wezen niet twee derde van de inkomsten te boven gingen. De rest van het geld werd gebruikt voor kapitaalvorming en men belegde het geld ook. Zo kon in 1747 het Busschenschuthofje worden aangeschaft.
Door de financiën op peil te krijgen konden er in 1762 maximaal 26 wezen opgenomen worden.
In de Franse tijd waren de gegevens openbaar en waren de uitgaven per jaar gemiddeld ƒ 4493,–, de uitgaven ƒ 4540,– en kon men 23 wezen ondersteunen. In diezelfde tijd, op 29 juni 1808, bepaalde Napoleon Bonaparte dat per 4 november 1811 6000 jongens boven de 15 jaar uit de Godshuizen en gestichten van Weldadigheid geleverd moesten worden voor de opleiding tot militaire dienst. Ook het weeshuis moest acht jongens leveren. Jonas Daniël Meijer wist dit te voorkomen, door zeven van de acht aan te wijzen als theologiestudenten en een moeder aan hen te koppelen die het kind nodig had voor haar levensonderhoud, de 8e liet hij ziek verklaren. Uit dank maakte het weeshuis Jonas en zijn vrouw tot ereleden.

10 februari of 5 maart?

Het NIOD meldt:
“……..Volgens de notulen van de vergadering van de Joodse Raad van 11 februari 1943 zijn de weeshuizen een dag eerder, dus op 10 februari 1943, leeggehaald. Ik citeer voor u uit de hiervoor genoemde notulen:”

Gisteren is de Joodsche gemeenschap hier ter stede getroffen door den ramp van het leeghalen van 4 weeshuizen en huize “Dina”. De kinderen en het interne verplegende personeel zijn naar de Panamakade gebracht, voor vervoer naar Westerbork. Den Voorzitter is gezegd, dat zij in Westerbork zullen blijven. De gebouwen zijn verzegeld.’

De oorlog
Het aantal weeskinderen was eind 1937 66 en liep in de oorlog op tot 100. Hierbij waren veel vluchtelingen uit Duitsland. De kinderen werden opgeroepen voor deportatie, maar doordat er een kind roodvonk had kon de huisarts dit zo lang mogelijk uitstellen. Op 10 februari 1943 (andere bronnen: 5 maart 1943) werd het weeshuis echter toch ontruimd waarbij alle kinderen en drie verzorgers (waaronder directrice Saartje Hamburger) direct op transport gesteld werden naar Sobibor. Twee kinderen konden ontsnappen uit de trein, en er werden kinderen uit de trein gesmokkeld door de Joodse Raad en adjunct-directeur Koos Caneel.
De bewoners van dit weeshuis in de oorlog waren:

Saartje Hamburger (Utrecht, 21 juni 1900 – Sobibor, 5 maart 1943), directrice,
Ella Rebekka Bing (Groningen, 15 november 1906 – Sobibor, 5 maart 1943), hoofd in de huishouding,
Naatje van Tijn (Amsterdam, 14 augustus 1919 – Auschwitz, 22 oktober 1943),
Jo Veerman (Hilversum, 28 juni 1922 – Auschwitz, 31 januari 1944),
David Ritmeester (Amsterdam, 6 november 1922 – Auschwitz, 30 september 1942),
Juda Elsas (Amsterdam, 1 juli 1923 – Blechhammer, 31 maart 1944),
Abraham Blitz (Amsterdam, 17 augustus 1923 – Auschwitz, 30 september 1942),
David Wolf de Lange (Amsterdam, 17 september 1923 – Auschwitz, 31 maart 1943),
Nathan Pels (Amsterdam, 9 oktober 1923 – Sobibor, 28 mei 1943),
Oskar Glaser (Darmstadt, 2 december 1923 – Auschwitz, 30 april 1943). Oskar was inwoner van het weeshuis maar werd in Nijmegen door de Nederlandse politie opgepakt en overgebracht naar Westerbork.
Frederik Hekster (Amsterdam, 23 februari 1924 – Auschwitz, 30 september 1942),
Izak Linhardt (Nadworna, 4 april 1924 – Sobibor, 28 mei 1943),
Philip Ritmeester (Amsterdam, 2 mei 1924 – Auschwitz, 30 september 1942),
Juda Lomaz (Amsterdam, 9 februari 1925 – Auschwitz, 30 september 1942),
Werner Katz (Langenholzhausen, 28 februari 1925 – Bergen-Belsen, 31 mei 1945),
Hermann Grünthal (Frankfurt a d Oder, 11 mei 1925 – Auschwitz, 30 september 1942),
Josna Kurt Goldschmidt (Hersfeld, 30 juni 1925 – Auschwitz, 30 september 1942, Josna kwam in 1939 naar Nederland met zijn broer Karl Nathan. Hun ouders werden in mei 1942 naar Majdanek gedeporteerd en daar vermoord,
Karl Nathan Goldschmidt (Hersfeld, 9 november 1926 – Auschwitz, 30 september 1942),
Alexander Friedler (Oberhausen, 3 juli 1925 – Auschwitz, 30 september 1942),
Elias Jozeph Groen (Amsterdam, 16 juli 1925 – Auschwitz, 30 september 1942),
Ludwig Neustädter (Hamburg, 16 augustus 1925 – Auschwitz, 30 september 1942),
Isaac Aluin (Amsterdam, 23 oktober 1925 – Auschwitz, 30 september 1942),
Max Rechtschaffen (Homberg, 21 november 1925 – Sobibor, 28 mei 1943),
Friedrich Jakob Kahn (Bingen, 28 februari 1926 – Auschwitz, 30 september 1942),
Felix Linhardt (Nadworna, 3 april 1926 – Sobibor, 4 juni 1943),
Jacob Dasberg (Amsterdam, 25 april 1926 – Auschwitz, 30 september 1942),
David Dankfried Mechlowitz (Hannover, 25 mei 1926 – Auschwitz, 30 september 1942). David wordt ook genoemd als bewoner van Werkdorp Wieringermeer,
Theodor Werthan (Rotenberg-Fulda, 14 juni 1926 – Auschwitz, 30 september 1942),
Nathan Salomons (Winschoten, 2 september 1926 – Auschwitz, 31 oktober 1944). Zijn vader was Heiman Salomons, handelaar in oud ijzer (1887-1932), zijn moeder Jetta Cohen (1890 Frankfurt am Main, 1942 Auschwitz),
Fritz Markowicz (Hamborn, 21 november 1926 – Sobibor, 28 mei 1943),
Emanuel Polak (Amsterdam, 26 februari 1927 – Auschwitz, 17 september 1943),
Bernard Ahrend (Frankfurt am Main, 28 mei 1927 – Sobibor, 5 maart 1943),
Manfred Jakob Grünebaum (Salmünster, 30 mei 1927 – Sobibor, 21 mei 1943),
Nathan Cohen (Hilversum, 18 juni 1927 – Sobibor, 9 juli 1943),
Maurits Abram Roger van Herpen (Amsterdam, 20 maart 1928 – Sobibor, 21 mei 1943). Maurits ging naar school op de 1e Montessorischool in Amsterdam. Toen woonde hij bij zijn moeder, Rosa Nathalie Weill,
David Gaarkeuken (Amsterdam, 16 april 1928 – Sobibor, 16 april 1943),
Mozes Aardewerk (Amsterdam, 1 augustus 1928 – Sobibor, 16 april 1943),
Louis Vreeland (Amsterdam, 22 september 1928 – Sobibor, 5 maart 1943),
Leo Schwarz (Amsterdam, 24 oktober 1928 – Sobibor, 9 april 1943),
Hans Meyer (Osnabrück, 30 december 1928 – Auschwitz, 19 november 1943),
Barend Korper (Amsterdam, 24 augustus 1929, Sobibor, 21 mei 1943), Barend woonde vanaf april 1943 bij zijn moeder, de weduwe Sophia Korper-Vreeland op Vrolikstraat 68-II. Niemand van dit gezin (Sophia, Izak, Judith, Rebecca, Barend en Jans) overleefde de oorlog,
Jonas Scheffer (Amsterdam, 30 januari 1929 – Sobibor, 9 april 1943),
Alfred Nathan (Keulen, 26 februari 1929 – Sobibor, 5 maart 1943),
Levie Jacob Kets de Vries (Amsterdam, 19 november 1943 – Auschwitz, 19 november 1943),
Arie Mendels (Amsterdam, 27 mei 1929 – Sobibor, 5 maart 1943),
Gerd Rolef (Euskirchen, 12 juli 1929 – Sobibor, 28 mei 1943), Gerd vluchtte met zijn twee zusjes in de jaren 30 naar Nederland. Gerd woonde in het jongensweeshuis, zijn zusjes in het meisjesweeshuis. De ouders, die nog in Duitsland woonden, zijn gedeporteerd en vermoord, evenals de kinderen.
Josef Bohrer (Chemnitz, 9 oktober 1929 – Sobibor, 7 mei 1943), Joseph was ondergedoken op 1e Helmersstraat 287hs,
David Pach (Amsterdam, 22 oktober 1929 – Sobibor, 11 juni 1943). David werd met het kindertransport uit Vught via Westerbork naar Sobibor gedeporteerd,
Benjamin Ahrend (Frankfurt am Main, 6 januari 1930 – Sobibor, 5 maart 1943),
Andries Simon Springer (Amsterdam, 16 maart 1930 – Auschwitz, 11 februari 1944),
Maxje Konijn (Amsterdam, 9 april 1930 – Sobibor, 2 juli 1943),
Salomon Vreeland (Amsterdam, 14 juni 1930 – Sobibo, 5 maart 1943),
Victor Emanuel Wittenburg (Amsterdam, 1 augustus 1930 – Auschwitz, 2 augustus 1942),
Marcus Maurits Kets de Vries (Amsterdam, 19 september 1930 – Auschwitz, 19 november 1943),
Wener Moritz Schuster (Ober-Seemen, 20 oktober 1930, Sobibor, 5 maart 1943),
Elias Peeper (Amsterdam, 10 mei 1931 – Sobibor, 5 maart 1943),
Gottlieb Frank (Düsseldorf, 21 juni 1931 – Sobibor, 5 maart 1943),
Louis Lakmaker (Amsterdam, 23 september 1931 – Sobibor, 21 mei 1943),
Zacharias Polak (Amsterdam, 20 januari 1932 – Sobibor, 28 mei 1943),
Elkan Lion Joosten (Amsterdam, 22 augustus 1932 – Sobibor, 21 mei 1943),
Hessel Joosten (Amsterdam, 22 augustus 1932 – Sobibor, 21 mei 1943),
Eliazer Aandagt (Amsterdam, 27 oktober 1932 – Auschwitz, 7 september 1942) en zijn broer
Hartog Aandagt (Amsterdam, 19 april 1934 – Sobibor, 21 mei 1943). De vader van Eliazer en Hartog was overleden, moeder leefde nog.
Hartog Brandon (Rotterdam, 23 mei 1933 – Sobibor, 16 april 1943),
Alfred Wertheim (Amsterdam, 7 juni 1933 – Sobibor, 13 maart 1943),
Leon Gaarkeuken (Amsterdam, 13 juni 1934 – Sobibor, 5 maart 1943),
Abraham Segal (Amsterdam, 24 mei 1934 – Sobibor, 16 april 1943),
Samuel Kops (Amsterdam, – Sobibor, , zie ook hier.

Oud-werknemer:
Vlak voor de oorlog werkte Esther Appel (Amsterdam, 22 mei 1918 – Bergen-Belsen, 12 april 1945) hier en ze was verzorgster. Ze ontmoette Barend Scheffer er en trouwde met hem. Esther woonde op de Nieuwe Prinsengracht 52-3. Ze woonde dus niet meer tijdens de ontruiming van het weeshuis op deze locatie. Zie ook hier.

foto’s van de sloop van het weeshuis (met dank aan I. Salomons).

 

 

bron:
jhm,
Algemeen Dagblad, 28 april 1917

nrc 9 juni 1925,
www.joodsmonument.nl (geraadpleegd 12 oktober 2017)
Over Samuel Kops in J.H. Coppenhagen, Anafiem Gedoe‘iem. Overleden joodse artsen uit Nederland 1940-1945 (Rotterdam 2000) 110
E. Asscher e.a., Gedenkboek ter gelegenheid van het 200-jarig bestaan van het Nederlands Israëlietisch Jongensweeshuis ‘Megádle Jethomim’ te Amsterdam (Amsterdam 1938), 27, 28, 32, 49 – 61, 79 – 91.
Datum ‘leeghalen’ volgens NIOD, met dank aan R. van Heijningen, mail van 19-10-2020 aan J. Focke, met dank aan J. Focke

Illustraties:
met dank aan I. Salomons
E. Asscher e.a., Gedenkboek ter gelegenheid van het 200-jarig bestaan van het Nederlands Israëlietisch Jongensweeshuis ‘Megádle Jethomim’ te Amsterdam (Amsterdam 1938), 33

gepubliceerd:
24 april 2016

Laatst bijgewerkt:
27 maart 2021