Mendel Eidinow en Paulina Lewis – Blasiusstraat 35-2

door John Stienen

Het pand aan de Blasiusstraat 35 maakt deel uit van een monumentaal complex van tien woonhuizen, dat in opdracht van Bouwmaatschappij De IJsbreker in de Swammerdamstraat is gebouwd naar ontwerp en onder leiding van bouwmeester Dolf van Gendt. Het zijn twee blokken aan weerszijden van de Ruyschstraat: het ene blok op nummers 49-57 en het andere op 71-73 dat om de hoek doorloopt op Blasiusstraat 31-35. Volgens de bouwtekeningen uit 1884 bestond elk van de drie woonlagen uit drie kamers.

De eerste bewoner van nummer 35 tweehoog was de Schiedamse onderwijzer Johannes Bokhorst (1850-1932) die er woonde in 1886-1887. Na tijdelijke leegstand vestigde diamantslijper Mendel Eidinow, nadat hij op diverse adressen in de buurt had gewoond, zich op 21 oktober 1891 voorgoed op het adres. Een halfjaar later kwam zijn 28-jarige echtgenote Paulina Lewis bij hem wonen. Mendel was toen 25. Ze waren op 2 november 1891 met elkaar getrouwd.

Het gezin van Paulina Lewis
In februari 1893 kwam Rosa, de anderhalf jaar jongere zus van Paulina, in Amsterdam op bezoek met haar verloofde Chaim Kroll, ‘koopman in pelterijen’ uit Wilkomir. Het lijkt erop dat het paar moeite had gehad om zonder papieren te trouwen in hun woonplaats Leipzig. Na een gang naar de Amsterdamse rechtbank, waar Chaim verklaarde dat hij door zijn vlucht na de pogroms twaalf jaar eerder geen geboortebewijs uit Rusland kon krijgen en er ook voor Rosa een akte van bekendheid werd opgemaakt, werd begin maart het huwelijk gesloten. Het paar keerde terug naar Leipzig waar in 1897 zoon Leo werd geboren.

In 1894, een jaar na het bezoek van Rosa en Chaim verscheen in het Algemeen politieblad een bericht over de diefstal van een samowar en een strijkijzer (met een totale hedendaagse waarde van € 120):

Ontvreemd op 15 Febr. jl. ten nadeele van P. Edinow, Blasiusstraat 35 aldaar:
1 theemachine en een strijkijzer, beiden van messing, waarde f 8.

Over de omstandigheden is niets bekend. Dus onduidelijk is of het gestolen is uit de woning op de tweede etage, of dat wellicht een koperpoetser ‘vergat’ de spullen terug te brengen?

In die tijd woonden de ouders van Paulina en Rosa, Elias Micheliowitsch, die zich Lewis noemde, en Sarah Esther Lewis-Kontorowitsch in Leipzig, in de buurt van de Thüringer Bahnhof. Ze waren daarheen verhuisd nadat in de jaren ’60 en ’70 van de negentiende eeuw hun kinderen waren geboren in Kopyl, een sjtetl 90 kilometer ten zuidwesten van Minsk. Ook Elias was in Kopyl geboren. Elias Lewis wordt in 1875 in Leipzig genoemd als sjochet, een rituele slachter die onder rabbinaal toezicht stond. Hij was ook mohel, dus besnijder.

In 1892 voerde het koninkrijk Saksen een verbod in op ritueel slachten. Tijdens een bezoek aan zijn dochter in Amsterdam in de zomer van 1897 overleed de toen 65-jarige Lewis onverwachts. Hij is in Muiderberg begraven.

Sarah Esther Lewis-Kontorowitsch en haar Londense kleindochter Bekka Braude. Fotograaf: F.G. Lukera (1853-1927).

Paulina’s moeder Sarah Esther Kontorowitsch, geboren op 14 april 1835 in Oezda (tussen Kopyl en Minsk), woonde van 1913 tot aan haar dood eind 1924 in bij haar dochter. Ze was onderdaan van het Koninkrijk Saksen en was afkomstig van de Blücherstraße 49 in Leipzig.

Amsterdamse Oostjoden: sjoels en diamanten
Op 17 april 1902 werd bij notaris Hendrik Wertheim door kooplieden Juda Farro, Mendel Eidinow, Raphael Palache en Gabriël Blanes de vennootschap M. Eidinow, Blanes en Co opgericht, die zich toelegde op ‘handel in en het fabriceren van ruwe en geslepen diamanten’. Mendel was de enige tekenbevoegde vennoot. De vennootschap was gevestigd aan de Valkenburgerstraat 72, waar zich ook de diamantslijperij Gebr. Z. en S. Rudelsheim bevond. Ook nadat er na anderhalf jaar een einde kwam aan deze onderneming bleef Eidinow actief in de diamanthandel.

Het leven van Mendel Eidinow lijkt zich, naast zijn werk, vooral te hebben afgespeeld in de Oostjoodse Swammerdamstraatsjoel.

Aan het einde van de negentiende eeuw waren er twee buurten die een bijzondere aantrekkingskracht hadden op Joden uit Oostenrijk-Hongarije en het Russische Rijk. Van de 338 Joods-Russische immigranten, die zich tussen 1850 en 1922 in Amsterdam vestigden, woonden er bijvoorbeeld 23 in de Manegestraat en 40 in de Blasiusstraat, vlakbij het Station Weesperpoort. Het waren vooral Joden die gevlucht waren voor de pogroms in Oost-Europa. Ze werden ook ‘Oostjoden’ genoemd.

De vereniging Kehillas Ja’akow, de ‘religieuze gemeente Jakobs’, die aan de Swammerdamstraat neerstreek, voorzag in een behoefte om voor de Oostjoden in de hoofdstad naast de chassidische synagoge op de Nieuwe Kerkstraat, om de hoek bij de Manegestraat, ook een aparte Litvische synagoge te openen. Daar voelden met name Joden afkomstig uit het huidige Litouwen, Belarus en Letland zich thuis. Beide stromingen hadden hun oorsprong in Oost-Europa: na de opkomst van het chassidisme in de eerste helft van de achttiende eeuw in Polen, ontstond in Litouwen een tegenbeweging van misnagdiem, of ‘tegenstanders’.

In Brieven aan mijn kleinzoon schreef Abel Herzberg:

Mijn vader behoorde als Russische jood tot de groep van de Swammerdamstraat. Daar zijn wij
dan ook jarenlang ter sjoele gegaan. Daar ben ik ook ‘barmitzwah’ geworden,
d.w.z. voor de eerste keer ter thora opgeroepen.

Hij was in 1893 geboren op de Blasiusstraat 61. Zijn ouders kwamen uit een gebied dat tegenwoordig in Letland ligt, bij de grens met Litouwen.

Nadat de sjoel in 1907 naar de hoek van de Blasiusstraat en de Swammerdamstraat werd verplaatst, woonde Mendel Eidinow er praktisch naast. Hij was in die tijd actief in het bestuur en was, net als zijn schoonmoeder later, lid van de chevre kadiesje, het gezelschap dat overledenen verzorgt voor de begrafenis volgens joodse gebruiken.

Bij het afscheid in december 1910 van Beer Berensohn, oprichter van de Kehilas Ja’akow, werd in het Nieuw Israelietisch weekblad het volgende opgetekend:

Nadat voorlezing was gedaan van eene van den heer E. Karlin ontvangen sympathie-betuiging, was het woord aan den heer Berensohn. Met ontroerde stem betuigde deze dank voor de ontvangen bewijzen van erkentelijkheid, welke hem zoo zeer hebben getroffen. Meer dan 23 jaar heeft hij zijne beste krachten in dienst zijner broederen gesteld, het stemt hem tot vreugde en tot dank aan het Opperwezen, dat hij in vereeniging met mannen als Karlin, Hillesum, Edinow en Marcuse iets ten goede heeft kunnen doen. Moge men zich — zegt spr. — door mijn heengaan niet laten ontmoedigen, moge men krachtig aaneen gesloten blijven om het eens begonnen werk in stand te doen blijven. Met woorden van dank aan allen, die tot het huldeblijk hebben bijgedragen en met innige zegenwenschen voor den bloei der Gebroederschap en het welzijn harer leden werd het afscheidswoord en daarmede de plechtigheid besloten.

Het netwerk van Eidinow bestond voor een aanzienlijk deel uit Amsterdamse Oostjoden die aan die synagoge waren verbonden. Velen waren actief in de diamantindustrie.
In het begin van de twintigste eeuw waren de diamantbewerkers gezamenlijk overeengekomen niet meer leerlingen aan te nemen dan nodig was om de verwachte beschikbare hoeveelheid ruwe diamant te verwerken. Dit had te maken met de monopoliepositie van De Beers. Vanuit de Algemene Nederlandse Diamantbewerkersbond ging Bernard van Praag in 1907 op onderzoek uit, omdat er toch regelmatig buiten die afspraken om kinderen werden opgeleid. ‘Opvallend in deze kwestie is, dat ook hier, evenals in Antwerpen, zoovele Russen als leermeesters en leerlingen zich ontpoppen’, zo schrijft hij. Vervolgens bezoekt hij er een aantal in de Valkenburgerstraat en Blasiusstraat – niet alleen Russen. Zo komt hij ook bij Mendel: ‘Een geval van anderen aard is het navolgende. Bij den voormaligen juwelier M. Edinow, Blasiusstraat 35 in huis kregen wij [bij] een bezoek een klein schooltje te zien.’ Mogelijk bevond dit zich op de hoge zolder, direct boven de woning. Daar moet onder de grote ramen voldoende (zon)licht geweest zijn voor de leerlingen om het vak te leren.
Op 7 november 1912 was Mendel Eidinow getuige bij het huwelijk van Levie Hillesum en Riva Bernstein. Hij was toen koopman van beroep. Net als de schoonfamilie van Mendel was Riva’s vader geboren in Kopyl. Kort na het huwelijk vestigde Riva zich in Middelburg bij haar man, die daar als leraar werkte op het Stedelijk Gymnasium. Op 15 januari 1914 werd hun dochter Esther geboren, die beter bekend is als Etty Hillesum.

Mendel Eidinow overleed op 31 december 1915 in Amsterdam aan een longontsteking, net geen 49 jaar oud. Het Centraal blad voor Israëlieten in Nederland plaatste een week na zijn overlijden een necrologie, die vol lof was over de veel te jong gestorvene:
In het sterfhuis en buiten op straat hadden zich velen verzameld om den beminden overledene de laatste eer te bewijzen. De Diamantbeurs, waarvan de overledene lid was, was leeg gestroomd. Onder hen die de lijkbaar volgden, merkten wij op den waarn. opperrabbijn J. Vredenburg en verschillende kerkeraadsleden, deputatiën van godsd. en weldadigheidsvereenigingen, waarvan de overledene lid of bestuurder was.

De jaren twintig en dertig
Nu Paulina weduwe was geworden konden van de drie kamers op de verdieping er maximaal twee worden verhuurd, vaak aan Joodse huurders – ook Oostjoodse.
Paulina Lewis was staatloos. Ze had haar Russische nationaliteit verloren omdat zij ‘de Sovjetregeering niet als wettig zou hebben erkend’ en is daarna nooit Nederlandse geworden.
In de crisis van de jaren dertig verloor meer dan driekwart van de diamantbewerkers in Amsterdam zijn baan. Velen zochten hun heil in de ambulante handel. Dit had ook gevolgen voor het karakter van de buurt. Er kwamen ook meer niet-Joodse arbeiders in de buurt wonen. In die tijd stak ook het antisemitisme steeds vaker de kop op.

De teloorgang van het Joodse leven in de buurt
Op Joods Monument staan de namen van 523 Joodse inwoners die tijdens de oorlog woonden in het gedeelte van de Blasiusstraat tussen Amstel en Rhijnspoor (nu Wibautstraat) en in de Sjoa omkwamen. In elk van de vooroorlogse huizen tenminste één Joodse bewoner, meestal hele gezinnen.
Paulina Eidinow-Lewis verhuisde op 26 mei 1942 naar Weesperplein 1, de Joodsche Invalide. De omstandigheden dat ze op leeftijd was en dat haar huwelijk met Mendel kinderloos was gebleven zullen een rol hebben gespeeld bij haar opname in de instelling voor Joodse bejaarden en gehandicapten.
Op de avond van 8 maart 1943, kort na de spertijd, werden vanaf de Panamakade op het 17e ‘Krankentransport’ 250 Joodse Amsterdammers naar Westerbork getransporteerd. Onder hen bevonden zich Paulina Eidinow-Lewis en twee andere inwoners van de Joodsche Invalide, die een week eerder gewelddadig was ontruimd. Paulina werd in Westerbork in het ziekenhuis geplaatst. Hoewel Paulina werd zurückgestellt, dus tijdelijk van deportatie vrijgesteld, werd ze een week later gedeporteerd naar Sobibór. Als ze de driedaagse treinreis al had overleefd, werd ze bij aankomst op 20 maart 1943 vermoord. Ze werd 78 jaar oud.

Helene, Paulina’s jongere zus die in Londen woonde, had via het Rode Kruis een brief voor haar opgestuurd. Waarschijnlijk een Palestina-certificaat. De brief bereikte de Joodse Raad pas in mei en zou op 1 juni 1943 moeten worden uitgereikt, maar toen was het al te laat om het leven van Paulina nog te redden.

Met de vernietiging van de Joodse gemeenschap kwam na bijna zestig jaar ook voorgoed een einde aan het specifieke karakter van de buurt. De sjoel verhuisde in 1967 naar de Gerrit van der Veenstraat.

Stolperstein
Op 20 mei 2022 werd op de Blasiusstraat 35 een Stolperstein gelegd voor Paulina Eidinow-Lewis. De aanwezigen werden toegesproken door opperrabbijn Raphael Evers, die ruim 30 jaar de rabbijn van de vereniging Kehillas Ja’akow. Ook was er een achterkleinzoon aanwezig van Helene Braude-Lewis.

 

bronnen:
J.M. Stienen. ‘Blasiusstraat 35 II’ in: Frits Rijksbaron et. al. (red.). Joodse Huizen 8. (Amsterdam 2022) 34-40.
A.L. van Gendt. ‘Bebouwing van het terrein “de Ysbreker” met 10 woonhuizen – Ontwerp van een hoekgebouw voor de blokken A en C’. April 1884. In: Stadsarchief Amsterdam, Archief van de Dienst Bouw- en Woningtoezicht: bouwtekeningen (Afbeelding 5221BT911830).
Stadsarchief Amsterdam, Buurtringregisters, Blasiusstraat 35.
Stadsarchief Amsterdam, Mendel Eidinow, Vreemdelingenregister, archiefnummer 5225, inventarisnummer 919.
Stadsarchief Amsterdam, Chaim Gitel Gmiehoff Kroll, Overgenomen delen, archiefnummer 5416, inventarisnummer 3.
Noord Hollands Archief, Huwelijksakten van de gemeente Amsterdam, 1893, aktenummer Reg. 6 fol. 3.
Stadsarchief Amsterdam, M. Eidinou, Gezinskaarten, archiefnummer 5422, inventarisnummer 373.
Algemeen politieblad van het koninkrijk der Nederlanden, 43e jaargang, deel 1, p. 329. ‘Correspondenzen’ Leipzig, Die Neuzeit; Wochenschrift für politische, religiöse und Cultur-Interessen. 1876 (16) no. 26. p. 207.
Stadsarchief Amsterdam, Sara Kontorowitsch, Vreemdelingenregister, archiefnummer 5225, inventarisnummer 931.
‘Gerechtelijke Aankondigingen’, Nederlandsche staatscourant, No. 93 (1902), 22 april 1902 , p. 7.
‘Gemeentelijke Telephoon’, Het nieuws van den dag : kleine courant, 3 juni 1902, p. 12.
‘Gerechtelijke Aankondigingen’, Nederlandsche staatscourant, No. 266 (1903), 13 november 1903 , p. 8.
Huibert Schijf, ‘Russian Jewish immigrants in two Amsterdam streets, 1850 -1914’, presentatie tijdens de 9e Contactdag Joodse Studies van de Lage Landen, Instituut voor Joodse Studies, Antwerpen, 20 mei 2016.
van Amerongen, ‘Terugblik op 1929’, Nieuw Israelietisch weekblad, pp. 8-9.
‘Kehillat Jaäkow – Oostjoodse sjoel wordt verplaatst’, Nieuw Israelietisch weekblad, 23 november 1962, pp. 10-11.
Abel J. Herzberg. Brieven aan Mijn Kleinzoon: De Geschiedenis van een Joodse Emigrantenfamilie (Den Haag 1964).
קהלת יעקב [Kehilas Ja’akow], Nieuw Israelietisch weekblad, 16 december 1910, p. 2.
‘Uit de diamant-industrie’, De nieuwe courant, 7 augustus 1903, p. 1.
‘Op huisbezoek bij overtreders van het Leerlingbesluit’, Weekblad van den Algemeenen Nederlandschen Diamantbewerkersbond, jrg. 13, 1907, no 22, 31 mei 1907, p.1.
Stadsarchief Amsterdam, Burgerlijke Stand, huwelijken 1912, no. 880.
Stadsarchief Amsterdam, 1915 no. 7977, Bevolkingsstatistieken, archiefnummer 5185, inventarisnummer 1025.
Edinow נ”ע, Centraal blad voor Israëlieten in Nederland, 7 januari 1916, p. 2.
Nationaal Archief, 2.05.03 Buitenlandse Zaken: A-Dossiers, 1815-1940, inv. nr. 1218.
Stadsarchief Amsterdam, Archiefkaarten, archiefnummer 30238, inv. nr. 505: Paulina Lewis.
NIOD Amsterdam, 182 Joodsche Raad voor Amsterdam: afdeling Interne Informatie, maart-juni 1943, inv. nr. 56, fol. 36.
NIOD Amsterdam, 250i Westerbork, Judendurchgangslager: Dienstbereich III (Ordnungsdienst und Notbereitschaft): Dagrapporten, 9 maart 1942 – 21 mei 1945, inv. nr. 722 fol. 55 (Rapportbuch OD II, p. 49).
Nationaal Archief, Archief Nederlandse Rode Kruis (NRK), Kamp Westerbork, toegangsnummer 2.19.296, inv.nr. 70.
Nationaal Archief, Archief NRK, Centrale Europese Cartotheek, toegangsnummer 2.19.287, inv.nr. 239 (kaart op naam van P. (Pauline) Lewis).
Nationaal Archief, Archief NRK, Kamp Westerbork, toegangsnummer 2.19.296, inv.nr. 609 (lijst 17 maart 1943).
Nationaal Archief, Archief NRK, Joodsche Raad Cartotheek, toegangsnummer 2.19.294, inv.nr. 31 (kaarten op naam van P. (Pauline) Lewis).
Nationaal Archief, Archief NRK, Joodsche Raad Cartotheek, toegangsnummer 2.19.294, inv.nr. 78 (kaart op naam van P. (Pauline) Eidinow-Lewis).

illustraties
Dubbelportret van Sarah Esther Lewis-Kontorowitsch en haar Londense kleindochter Bekka Braude. Fotograaf: F.G. Lukera (1853-1927).
Stolperstein voor Paulina Eidinow-Lewis. Fotograaf: René ten Dam, Bureau Funeralia.
[M. Edinow נ”ע, Centraal blad voor Israëlieten in Nederland, 7 januari 1916, p. 2.]

gepubliceerd:
24 mei 2022

laatst bijgewerkt:
24 mei 2022